De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

9 minuten leestijd

of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald. 

Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab naar de berg Nebo, op de hoogte van Pisga, die recht tegenover Jericho is, en de Here wees hem dat ganse land, Gilead tot Dan toe. Alzo stierf Mozes (Deut. 34 : 1, 8). Evenzo sterft Aaron op de berg Hor (Num 20 : 28). Op het hoogst van de berg en vlak bij de hemel, om die des te aandachtiger in de ziel te hebben als hij nader was in het gezicht. „Ik verlang naar U duizendmaal, mijn Jezus, wanneer zult Gij komen? Wanneer zult gij mij blijde maken? Wanneer zult gij mij met U verzadigen? " Zoals het lied van Bemardus luidt over de naam Jezus. Daarvan spreekt de stem van Johannes in het laatste van zijn Openbaring en van Gods heilige boek, als de laatste stem van de Kerk voor de komst van Christus: Ja, kom Here Jezus (Openb. 22 : 20). daarmede als het ware met een keten verbindende het gezicht van Zijn eerste komst met het verlangen naar de tweede. O, Heer, wanneer komt die dag, dat ik toch bij U zal wezen, Ende zien uw aanschijn geprezen! (Ps. 42) Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon (Job 7 : 2), zo is voor ons de schaduw van de dood en de dag van onze genadige beloning na de dood. In het Oude Testament had God een jubeljaar voor zijn volk ingesteld, — elke vijftig jaar — waarin de knechten hun vrijheid terugkregen. Ieder zal wederkeren tot zijn bezittingen en ieder tot zijn geslacht (Lev. 25 : 8 v.); alle bezit van land ging terug naar zijn eigen heer. Deze vrijlating geschiedde op de tiende dag van de zevende maand op de Verzoendag met openbaar geklank der bazuin, zoals de geleerde rabbijn Maimonides zegt, nadat de knechten de vorige negen dagen feest hadden gevierd en vreugde bedreven ten teken van hun aanstaande vrijheid. Insgelijks vangt het jubeljaar van ons leven aan, als de dood als het ware op de hoorn blaast en ieder roept tot zijn geslacht en eeuwige bezitting en wie hun vrijheid dan verkrijgen, hebben geen andere reden dan de Joden om zich met alle vreugde daartoe te schikken. Mij ziel is beberig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heren; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God, zegt David (Ps. 84 : 3). Job (h. 19 : 27) zegt: mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Paulus: ik begeer ontbonden te worden en met Christus te zijn (Fil. 1 : 23). Zo strekt de ziel als het ware hier haar armen uit, of zoals degenen, die in de verte iets willen zien op hun tenen gaan staan, zo heft de ziel zich op en ziet uit naar de dag van haar verlossing, totdat hij aanbreekt, verwachtende de vertroosting Israels. (Luc. 2 : 25) Want ook in deze zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit de hemel is, overkleed te worden (2 Cor. 5:2). Hier rijst de vraag, of men wel zijn dood begeren mag. Verscheidenen hebben het gedaan. De Israëlieten: Och, of wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heren (Ex. 16 : 3). Mozes: Zo delg mij uit Uw boek, dat Gij geschreven hebt (Ex. 32 : 32). Niemand zo sterk als Job: Waarom geeft hij den ellendigen het licht en het leven den bitterlijk bedroefden van ziel? Die verlangen naar de dood en hij is er niet, en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten; die blijde zijn tot opspringens toe en zich verheugen als zij het graf vinden. En verderop nog: Och, dat mijn begeerte kwam en dat God mijn verwachting gave en dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde. Zijn hand losliet en een einde met mij maakte. Dat zou nog mijn troost zijn en zou mij verkwikken in de weedom, zo Hij niet spaarde (Job 3 : 20 v; 6 : 8v). Elia, toen hij vluchtte voor Izebel: Het is genoeg, neem nu. Here, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. (1 Kon. 19 : 4). Uit gebrek lijdzaamheid (onlijdzaamheid) om de dood roepen en daarnaar verlangen mag men niet, zoals de Israëlieten en Job en Jona, of verlangen naar de dood als een vernietiging, zoals Job zeide: och, of hij mij verbrijzelde. Maar men mag wel daarnaar verlangen en daarnaar rekenen uit geloof en hoop op de zaligheid, om die te verkrijgen en de staat na de dood, zoals zij in het Oude Testament deden - met het jubeljaar, waarnaar zij altijd telden en moesten tellen en hun handel moesten regelen, hoe ver of hoe dichtbij het (jubeljaar) was. Allen, die zijn komst liefhebben, staat er (2 Tim. 4 : 8). En nu wat verwacht ik? Mijn hoop is op U, zegt David (Ps. 39 : 8). En Jacob: Here, ik wacht op Uw zaligheid (Gen. 49 : 18), namelijk uit het geloof wachten, zoals van de vaderen van het Oude Testament getuigd wordt: deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd (Hebr. 11 : 13). Met alle nederigheid en alle deemoed des harten aan God overlatende wat Hem beliefde te doen — wat ik verkiezen zal, weet ik niet — en in alle godsvrucht en werken der godzaligheid: Zalig is die dienstknecht, welke Zijn Heer komende, zal vinden, alzo doende. (Matth. 24 : 46).

Hierop volgt ten laatste, dat de ziel zich gewillig overgeeft in de dood om te sterven. Vader, in Uwe handen beveel ik mijn geest. (Luc. 23 : 46). Dat wij moeten sterven is van de zonde, maar dat wij willen sterven, van de deugd. Sommigen willen wel sterven, maar kunnen niet. Dood mij slechts indien ik genade in uwe ogen gevonden heb en laat mij mijn ongeluk niet aanzien, zegt zelfs Mozes (Num. 11 : 15). En Elia zegt: Het is genoeg, neem nu mijn ziel, Here, want ik ben niet beter dan mijn vaderen (1 Kon. 19 : 4). En Jona zegt: Nu dan, Here, neem toch mijn ziel van mij, want het is mij beter te sterven dan te leven (Jona 4:3). Ja, sommigen wilden menigmaal dat zij al gestorven waren, zoals de Israëlieten zeiden: Och, of wij in Egypte gestorven waren; of wij in deze woestijn gestorven waren. Zij verlangen, zoals Job spreekt, naar de dood, maar hij is er niet, en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten, zijn blijde tot opspringens toe en verheugen zich als zij het graf vinden (Job 3 : 1, 21, 22). Zoals hij van zichzelf getuigt: Och, of mijn begeerte kwame en dat God mijn verwachting gave en dat het God beliefde dat Hij mij verbrijzelde (Job 6:8). Dat zij welgemoed zijn om te sterven is niet verkeerd, maar uit enig ongeduld om de dood roepen is niet goed. Augustinus bad ook in zijn ziekte, dat God of de stad mocht verlossen van de vijand, of zijn knecht tot Zich mocht nemen uit deze wereld. En toen Chrysostomus iemand hoorde lasteren, bad hij God, dat Hij hem uit de wereld mocht wegnemen (naar de hemel), waar niemand zo meer zou spreken en hij zulks niet meer zou - horen. Weer zijn er anderen die sterven, maar liever niet willen sterven. Chrysostomus zeide: „Ik wil niet, voordat ik moet en dan moet ik niet zozeer als wel, ik wil. Ik weet wel, wanneer ik wil; maar niet, wanneer ik zal; het ene is mij verborgen, het andere is mij gegund. Zo is het alle twee goed". — Als men zo bereid en gewillig is om te sterven en zich zo geheel overgeeft in Gods hand en wil, dat is Gode het aangenaamst en ons het beste. Of men wil of niet, men moet. Tevergeefs vreest of weigert men, wat niet te ontvlieden is.

Wie zo losgemaakt is van de wereld en van de zonde door éen oprechte belijdenis tot God, in de verzoening van Christus Jezus en zo lijdzaam zijn laatste pak draagt en naar de hemel verlangt en zich overgeeft in Gods vaderlijke voorzienigheid, hoe goed en hoe gerust zal hij sterven; en wel met een inwendig en aandachtig gebed tot God, dat indien niet hardop uitgesproken, altijd in het hart leeft. Er is een stil gebed, waarvan de profeet spreekt: Here, in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was (Jes. 26 : 16). Dit is zulk een stil gebed, als wanneer Anna in haar hart spreekt en haar lippen alleen zich bewegen (1 Sam. 1 : 13). En dit wordt bij stervenden dikwijls opgemerkt. Het is dat eigenlijke sterven van gelovigen en vromen, dat zij onder bidden hun geest geven en van hier, met God sprekende, tot Hem opvaren, zoals Elia in zijn wagen. Of zoals Christus (om niet te spreken van zijn gebed in Joh. 17 : Hij hief zijn ogen op naar de hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen), die zijn discipelen buiten leidde tot aan Bethanië en Zijn handen opheffende hen zegende. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel (Luc. 24 : 50, 51). Zo deed ook de eerste martelaar van de christelijke kerk. En zij stenigden Stephanus aanroepende en zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest. En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Here, reken hun deze zonde niet toe. En als hij dit gezegd had, ontsliep hij (Hand. 7 : 59). Van Jakobus de broeder des Heren, verhaalt de Kerkgeschiedenis (Eusebius) dat een zeker priester, toen de Joden Jakobus stenigden, de stenigers bestrafte en zeide: Wat doet gij; immers de rechtvaardige bidt voor u. En zo verhaalt de geschiedenis ook, dat Polycarpus stierf, nadat hij lang en vurig voor de Kerk en voor anderen had gebeden, waarvoor hij bijzondere tijd gevraagd had aan zijn vervolgers. Hoe algemeen het bidden ook beoefend is voor het sterven door iedereen, ook voor misdadigers, die berecht worden, in onze hedendaagse geschiedenis lezen wij, hoe evenwel in deze tijd Henricus Slatius, Remonstrants predikant, beschuldigd van moordaanslag op Z. Exc. Prins Maurits — ere zij zijn nagedachtenis — zonder enig gebed uit te spreken, maar vol toorn, met vele onnutte woorden zichzelf en anderen moede maakte, toen hij berecht werd; door een bijzondere besturing werden hem eigenlijk de rechterhand en de linkerhand half afgeslagen. Zo moest hij sterven, die de beste Prins om het leven en ons ganse land in verwarring had willen brengen. Zelfs een mens, die nooit gebeden had, zou er toegebracht worden (om te bidden) in het aangezicht van de dood, vooral wanneer anderen hem in het bidden voorgaan en daartoe vermanen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's