DE CATECHISMUS
17
GERICHT EN GENADE.
Vraag en antwoord 7.
Vr.
Vanwaar komt dan zulke verdorven aard van de mens ?
A.
Uit de val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden. Gen. 3 : 15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.
De moederbelofte - zoals we de boven afgedrukte tekst immers gewoon zijn te noemen - verdient nog onze aandacht voordat we afscheid nemen van vr. en antw. 7 van onze catechismus.
Deze eerste heilsbelofte Gods valt, nadat God Adam en Eva ter verantwoording geroepen heeft. Zij moesten te voorschijn komen op het krachtdadig roepen Gods. Hier wordt ons in de H. Schrift het ontdekkend roepen Gods in zijn oergestalte voorgesteld. Door de eeuwen heen komt de mens op dit roepen van God bevend en sidderend in zijn naaktheid onder Zijn ogen.
Dit roepen is vrucht van de genade, welke God straks in de belofte des heils zal voorstellen. God heeft immers in Christus nog gedachten des vredes over de gevallen mens. Maar Adam en Eva wisten dat nog niet, evenmin als de zondaar dat weet als hij voor God gedagvaard wordt. God begint niet met te zeggen, dat Hij ons wil zalig maken, maar dat wij om onze zonden, die Hij ons laat zien, straf- en doemwaardig zijn, opdat wij Zijn recht zullen toevallen. Eerder toch zal er bij de mens geen plaats zijn voor het enige geneesmiddel. Daarom stelt God ons onze ellende ordelijk voor ogen.
Ook de verontschuldigingen en zijdelingse beschuldigingen aan het adres van God door Adam en Eva doen ons een diepe blik werpen in de arglistigheid van het menselijk hart.
Doch God weet tot zwijgen te brengen, en ... dan volgt het aangrijpende woord: Ik zal vijandschap zetten....
Het is een woord - gelijk uit het verband blijkt - , dat gesproken wordt tot de slang, doch over haar heen klinkt in het hart van de verbroken en verslagen mens. De slang was niet in verhoor genomen, omdat het dier geen besef van zonde had, en de duivel - wiens instrument zij was — geen genade geschonken werd.
Zo had God ook met de mens kunnen handelen, doch over hem had Hij van eeuwigheid andere gedachten naar Zijn eeuwig welbehagen.
Het heeft wat te zeggen, dat de eerste genadeboodschap na de zondeval gehuld is in een oordeelsverkondiging. In het doemvonnis over de boze, waarin hem de verbrijzeling van zijn kop wordt verkondigd, zit meteen opgesloten de boodschap van het voornemen der genade Gods ten opzichte van de mens in de aankondiging van het Vrouwenzaad, dat het slagenzaad zal overwinnen.
Zo werd voor Adam en Eva de weg van het heil ontsloten, al is het ook nog schemerachtig. Maar ze hebben er zo veel van begrepen als nodig was tot hun zaligheid. Het licht der zaligheid brak door in de duisternis van hun verlorenheid.
Dat de genadeverkondiging opgenomen is in de vloek-uitspraak, moet altijd onze aandacht hebben, willen we de gang der eeuwen in Schriftuurlijk licht zien. Die gang staat immers in het teken van de strijd tussen het Vrouwenzaad en het slangenzaad. We mogen het leven van mens en volken niet vanuit één hoek bezien, doch altijd vanuit de strijd van vloek en genade, in welke worsteling de genade uiteindelijk de volkomen zegen zal wegdragen naar het voornemen en de belofte Gods.
In dat licht verschijnt de smart-aankondiging van het vervolg van Gen. 3. Zij is niet zonder meer de verkondiging van de vloek en haar gevolgen, maar van de werking van de vloek die getemperd wordt door de genade. De moederbelofte is er aan vooraf gegaan.
De vrouw moet horen: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, n.l. uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren, en tot uw man zal uw begeerte zijn; en hij zal over u heerschappij hebben. De smarten nemen intrek in het leven der vrouw in haar aanstaande moederschap. Lasten en zorgen zijn vruchten van de vloek. De zonde heeft de harmonie der verhouding tussen man en vrouw geschonden.
De man heeft de vruchten van de vloek te plukken in moeitevolle arbeid. Het aardrijk is om hem vervloekt. Met smart zal hij zijn brood eten in het zweet zijns aanschijns. Met doornen en distelen zal hij hebben te worstelen.
De dood zal de metgezel van de mens zijn. Stof is hij en tot stof zal hij wederkeren.
Zo worden de werkingen van de vloek openbaar. Doch uit alles is duidelijk, dat hier niet de vloek zonder meer aan het woord is. God maakt het met de mens niet af in eeuwige vervloeking. Integendeel, er is door de inzet van de strijd van het Vrouwenzaad sprake van een tempering. De vloek verschijnt in het licht van de belofte des heils. Er is tempering, zodat het menselijk geslacht zich kan ontplooien en het genadig voornemen Gods volkomen zijn beslag kan krijgen in de herschepping. Zo kunnen we spreken van de algemene genade, die veel zegeningen brengt over de wereld en het menselijk geslacht, om ruimte te maken voor de bijzondere genade in oprichting van de nieuwe mensheid. En juist deze genade Gods, die zich openbaart in de strijd van het Vrouwenzaad tegen het slagenzaad, is zo goddelijk heerlijk, dat ze niet slechts de vloek ophoudt, haar zelfs niet alleen tempert, maar haar werkingen ook telkens weet aan te wenden tot heerlijkheid Gods en zaligheid van Gods verkorenen.
Hoe wonderlijk wijs zijn Gods werken en hoe zeer wordt de geloofsblik der Kerk hierdoor geboeid. Vandaar dat Paulus vanwege dit grondeloos mysterie uitbreekt in de jubel der aanbidding: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis van God!, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem weder vergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
Zo kan en zal het zijn door de tussenkomst van de Middelaar, die God Zelf schenkt en openbaart. Niemand brenge daarom de tempering van de vloek in mindering op de vloek en de zonde, die ze over de wereld gehaald heeft. Want dat is niet minder dan Christus als enige Zoenborg van het kruis halen en de Middelaar Gods en der mensen uit de hemel neertrekken in het slijk van menselijk eigengerechtigd overleg.
In alles wat we in ons menselijk leven hebben en genieten en waardoor het menselijk bestaan mogelijk is, is niets van ons. Ook de algemene zegeningen zijn vrucht van het kruis.
Onze val en verlorenheid zijn absoluut. Uit de hoogte stortten wij in Adam neer. Hij stortte zichzelf en al zijn nakomelingen in de dood. Wij zijn allen één in onze eerste ouders, en in hen is onze natuur alzo verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
Wij allen rijpen de dood tegemoet van nature. We zijn toch in Adam gesteld in het werkverbond. Naar het souvereine willen Gods is de mens in een eenheid met zijn nageslacht gesteld. Adam is niet maar ons aller vader, maar ook ons verbondshoofd. Zo erven we de schuld, en daardoor de verdorvenheid onzer ganse natuur. Het een hangt met het ander samen.
Zo zijn wij dan onderworpen aan de erfzonde, welke omvat niet alleen de erfschuld, maar ook de erfsmet. Wij worden in Adam voor God tot verbondsbrekers gerekend en zijn daarom van onze geboorte af gebonden tot de eeuwige vervloeking, die rust op alle overtreding van Gods heilige wet. Daaruit vloeit voort, dat ons gehele bestaan van onze geboorte af verontreinigd is in een erfelijke bezoedeling, waarvan niemand zichzelf kan bevrijden.
Dit te kennen en te beseffen voor het aangezicht Gods doet ons het doemvonnis toevallen, ja, er onder vallen. Doch daar is plaats voor Christus. Ja, daar is Hij, Die - heilig, onnozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaren - tot zonde gemaakt is. Waar ontdekking is aan onze verlorenheid, geschiedt openbaring van Christus tot rechtvaardiging en verlossing. De Geest van Vader en Zoon werkt niet het een zonder het ander.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's