De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJK LEVEN

NAAR DE BELIJDENIS

8 minuten leestijd

Referaat gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 29 april 1964 te Utrecht.

Men kan in het leven van de geest der mensen zeer uiteenlopende principes en structuren ontdekken. Alle leven, zoals zich dat in de geest, in de zielen der mensen, openbaart, is voor ons niet van gelijke, zelfs niet van vergelijkbare orde. Het geestelijk leven van Hindoe's, van Mohammedanen is voor ons geheel iets anders dan dat van Christenen. Daarover willen wij dan ook niet spreken. Het gaat ons om het geestelijk leven van Christenen. Voor ons is het geestelijk leven bepaald door God, Die de verwekker is van dat leven in Christus door de Heilige Geest, en door de kerk, die door een zonderlinge genade Gods met een moederlijke taak bedeeld is, om als middel in Gods hand leven voort te brengen en dat leven te begeleiden door voeding en opvoeding. Als men dan nog dat leven, voortgekomen uit en geleid door verschillende landskerken wil beschouwen, dan ziet men, dat het leven van christenen hier verscheiden is van het leven van christenen daar, naar de wijze, waarop men het Woord Gods verstaan heeft. Zo stuiten wij bij onze benadering van het geestelijk leven op de belijdenissen der verschillende kerken. Zoals anders is de Westminster belijdenis dan de Lutherse, dan de Calvinistische, dan de Zwingliaanse, zo is ook anders het leven des geloofs in Engeland, in de Noorse landen en in de landen, die door Calvijn beïnvloed zijn. Ons land is zonder twijfel onder Gereformeerd beslag gekomen en het heeft zonder meer een Gereformeerde Confessie.

Hoezeer ook allerlei invloeden, Lutherse, Zwingliaanse, Anglicaanse, Roomse zelfs, hun best gedaan hebben en doen, dit karakter van de kerk is niet te verzetten, niet te veranderen. De Hervormde Kerk en vrijwel alle gesepareerde kerken in ons land stoelen op deze Gereformeerde belijdenis, merkwaardig een belijdenis, die voor een derde uit Duitsland, voor een derde uit Frankrijk en slechts voor één derde uit Holland stamt. Deze belijdenis heeft onze kerk in ons land gemeen met de andere kerken van Nederland, die van Gereformeerde signatuur zijn. Zij hadden deze belijdenis en behielden haar. Zij ligt daar nu al eeuwen in de kerk en heeft niet nagelaten gedurende ± 400 jaar haar invloed te doen gelden. In onze kerk heeft ze in de nieuwe kerkorde vóór 14 jaren opnieuw een vrijwel unieke plaats gekregen. Geplaatst in het artikel van het belijden, heeft zij bindende kracht en dan wel in de eerste plaats voor de prediking. Zij vormt de spreekregel voor prediking, catechese en voor het pastoraat. Zelfs is het dogma der kerk wel genoemd het loflied der kerk. Dan wordt dus het dogma der kerk, de leer der kerk, de leer des Heeren het lied, waar in heel de kerk tenslotte mee zingt en waarin klinken alle klokken van deze hemelse leer.

Het geestelijk leven der kerk komt van God, Wiens Geest door de prediking van Gods Woord dit leven wekt. Het behaagt God, wederom door een zonderlinge genade, dit leven door de „prediking" van het woord te wekken.

Op de vraag vanwaar komt het geloof, antwoordt de Catechismus in vraag 65 „Van de Heilige Geest, Die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het Evangelie en het sterkt door het gebruik van de sacramenten".

En in hoofdstuk III en IV van de Dordtse Leerregels art. 17 wordt beleden: „Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereist, het gebruik der middelen, door welke God naar Zijn oneindige wijsheid en goedheid deze Zijn kracht heeft willen uitoefenen; alzo is het ook, dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit, noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel verordineerd heeft. Daarom dan, gelijk de Apostelen en de Leraars, die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk Godzaliglijk hebben onderricht. Hem ter ere, en tot nederdrukking van alle hoogmoed des mensen, en ondertussen nochtans niet hebben nagelaten hen door heilige vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der sacramenten en kerkelijke tucht; alzo moet het nu ook verre vandaar zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leren, of die geleerd worden, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen, die God naar Zijn welbehagen heeft gewild, dat samengevoegd zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld, en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, Die in ons werkt, en Zijn werk gaat dan allerbest voort. Welke God alleen toekomt, zo vanwege de middelen, als vanwege de zaligmakende vrucht en kracht daarvan, alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen".

Daar hebt gij de prediking, de zaligmakende vrucht, de kracht en de lof Gods, waarop dit uitloopt. Voor dit geestelijk leven stelt de belijdenis, zoals de bijbel dat doet, eisen aan de predikers. Ten eerste, dat zij prediken zullen. Ten tweede, dat zij dat Godzalig doen. Om met het laatste te beginnen, de leraars worden in één rij gezet met de Apostelen. Zij moeten Godzalig zijn. Is er één apostel in het werk gekomen uit zichzelf, zijn zij niet allen tot dit werk gekomen door duidelijke en persoonlijke roeping? En is er één hunner tot dit werk gekomen, die niet zelf tot God bekeerd was? Door veel misvatting, door veel teleurstelling op de punten van bekering en roeping bij predikanten, zijn deze dingen te veel op de achtergrond geraakt in ons kerkelijk denken en in de kerkelijke praktijk. Wij doen nu echter veel meer en veel grotere teleurstellingen op, nu daar niet zo intensief meer naar gevraagd wordt, bij hen, die zich voorbereiden tot het predikambt, dan men voorheen vond bij hen, die roeping en bekering voorgaven te hebben, zonder dat daar in het werk zelf de blijken van waren. Laat mij het maar houden bij de uitdrukking van Dordrecht, welks leiders goede psychologen en milde christenen blijken geweest te zijn. Een dominee, ook een aanstaande dominee, moet toch wel vol van God zijn. Calvijn behandelt in een stuk, dat ik straks hoop te behandelen, het dragen van het kruis, de zelfverloochening en de overdenking van het toekomende leven en hoe we het tegenwoordige leven moet gebruiken, een stuk ascese (= onthouding van zingenot), die ons weelderige en diesseitige dominee's moet doen huiveren. Het is toegegeven, dat een predikant mens is, in dit leven staande, tevens dat een aanstaand predikant doorgaans jong is, maar bij alle gewoon leven moeten zij toch van God, van Christus, van Zijn Geest vervuld zijn. Zij moeten toch God dragen in hun denken, in hun spreken, in hun doen. En de Godzaligheid vraagt, dat zij de hele leer dragen in hun denken, in htm hart. Hun is een boodschap gegeven in hun bijbel, maar ook in hun hoofd om daaraan te denken (en dan niet te vergeten in al haar delen), en ook in hun hart, om die te behartigen. Onze kerk gaat te gronde aan dominee's, die wereldheren geworden zijn, die zich hun ambt schamen, die geen zin hebben in hun werk. De schrale toevloed van aanstaande predikanten, aan het begin, de vlucht uit het ambt aan een wel vrij vroeg einde, bewijzen dat, dat er geen predikers genoeg geboren worden. Deze Godzaligheid mag ook gevraagd worden in de wandel van onze predikanten, niet alleen in roeping en bekering. Van ons wordt gevraagd, dat wij in dit leven openbaren midden in de wereld, zoals Paulus tijdens de storm op zee: „wiens wij zijn, welke wij ook dienen". De voorgangers van de zeven gemeenten in Klein-Azië worden in de Heilige Schrift engelen genoemd. Dit hebben zij ook te zijn in hun gang voor de gemeente en in hun gang door de gemeente: boden van God, dragers van de volheid Gods, mensen, die van God veel kunnen vertellen, die uit de volheid, die zij van God weten en die zij van God hebben, veel kunnen uitdelen. Apostelen en leraars hébben iets, dragen iets. Hoewel zij hem in aarden vaten dragen, is het toch de volle schat van het Evangelie, de volle schat van het verbond, de volle schat der genade, die zij dragen. En zij dragen hem niet alleen om hun eigen ambt of positie te tonen, ook niet om hem aan het volk te vertonen, maar om hem aan te bieden en zoveel mogelijk kwijt te raken. Dit al maar met het uitdelen van de schatten des heils bezig zijn en dit al maar met een toch onverminderde schat, eerder met een steeds toenemende schat bezig zijn, doet èn Apostelen èn leraars gestadig toenemen in Godzaligheid.

Christus gaat gestalte in hen nemen en een gestadige overtuiging, inleiding in de kennis der zonde maakt de leraren al meer ootmoedig en doet ze al meer Christus benodigen. De ernst en de blijdschap des heils, de vrede Gods gaat hun harten en zinnen bewaren tot op de dag van Jezus Christus.

No. 1

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEESTELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's