De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

Onlangs is prof. Van Niftrik moe en teleurgesteld van een oecumenische conferentie teruggekeerd. De conferentie werd gehouden in Zwitserland, onder auspiviën van Faith and Order; de éne helft van de ongeveer 25 professoren was Reformatiert, de andere helft was Luthers.

Het is geen „gelukte" conferentie geworden. Maar over de conferentie zelf wil prof. Van Niftrik het nu verder niet hebben. In het Hervormd Weekblad van 30 april legt hij vooral de nadruk op de moraal van dit verhaal. Op de thuisreis heeft de schrijver in de trein tussen Bazel en Amsterdam zitten denken aan de kroniek van de Waarheidsvriend en het Gereformeerd Weekblad (Bout), en nu zou de professor iets willen zeggen tot de schrijvers van de kroniek in de genoemde bladen. Tevens heeft hij dan nog iets te vertellen aan de Gereformeerde Kerken in Nederland. Nu ben ik wel niet de kroniekschrijver in de Waarheidsvriend, doch slechts de persschouwer, maar toch meen ik dat hij met de moraal van zijn verhaal ook het persoverzicht op het oog heeft. Natuurlijk willen we graag naar het woord van prof. Van Niftrik luisteren. In de Gereformeerde Kerken is zijn boodschap al aangekomen. Prof. Ridderbos heeft zijn ontboezeming al meteen in de rubriek Van Week Tot Week overgenomen met instemming doorgegeven aan zijn lezers. En wij willen niet achterblijven naar zijn vriendelijk gesteld en tegelijk bewogen relaas aan onze lezers doorgeven:

Tot de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk zou ik willen zeggen, nu ik aan de moraal van het verhaal toe ben: Zou het nu niet mogelijk en ook meer in overeenstemming met de feiten zijn, wanneer u er eens mee ophield in de kroniek van de Waarheidsvriend en nog meer in die van het Gereformeerd Weekblad (het blad van de Vroegindewey's) week aan week uw lezers te vertellen, dat het in de oecumenische beweging van tegenwoordig vooral om de eenheid gaat, terwijl men zich om de waarheid zo goed als niet bekommert? In de trein tussen Bazel en Amsterdam heb ik aan die kronieken zitten denken Ik lees ze namelijk zeer getrouw. Regelmatig keert hetzelfde refrein terug: wij mogen niet meedoen aan de oecumenische beweging, want daar verdoezelt men de waarheidsvraag terwille van de eenheid. Ze willen daar één zijn het koste wat het koste.

Willen de Bonders mij op mijn woord geloven, als ik hun verzeker: het is niet waar! Als zij mij nu geloven, zal ik waarlijk nog getroost zijn over een teleurstellende conferentie. Ik ben weer eens overtuigd geraakt van het juiste in een opmerking van Barth, dat het Reformierte veel gemakkelijkker valt het Anliegen der Lutheranen te verdisconteren dan het Lutheranen valt de gereformeerde gezichtspunten ruimte te geven in hun denken. Ik kan op het ogenblik de uitdrukking „das lutherische Erbe" (het lutherse erfdeel) niet meer horen! Luther heeft alles gezegd wat er theologisch te zeggen is, en bovendien heeft hij alles goed gezegd. Als ik goed zie, vormt op dit ogenblik het Duitse Lutherdom een confessionalistisch blok, waarmede nauwelijks een gesprek te voeren is. Maar ook een bekend Deens theoloog verzekerde, dat zijn Deense geloofsgenoten zich beter thuis gevoelden in een Roomse kerk dan in ene Calvinistische; daar is het namelijk minder kaal!

Hoofdzaak is, dat ik de kroniekschrijvers van de beide Bondsbladen, die in lees, langs deze weg verzeker, dat er in oecumenische kringen niet voortdurend geaaid wordt om toch maar een eenheid tot stand te brengen, maar dat er dikwijls met felheid en hartstocht wordt opgekomen voor hetgeen men als de waarheid heeft leren zien, en dat men het dan gaarne op de koop toe neemt, dat er van de verbroedering en de eenheid voorlopig niets terecht komt.

Voor mij betekent oecumenisch, dat wij op weg zijn naar een gestalte van de kerk van Christus, die minstens een paar stappen verder is gekomen dan de posities van Luther en Calvijn. Het behoort m.i. in het oecumenisch gesprek niet in de eerste plaats te gaan om propaganda voor eigen positie, maar om het leren van de ander, om de verrijking van de eigen positie door de waarheidselementen van de andere positie. In het getrouw bewaren van het overgeleverde erfdeel zit veel goeds, maar het kan ook gevaarlijk worden en een geestelijke verstaring teweeg brengen. Eerlijk gezegd had ik de indruk, dat de conferentie, die ik bezocht, aan het oecumenische nog niet toe was.

Er was geen openheid voor de waarheid van de ander. Maar ik ben ook weer méér dankbaar geowredn, dat ik een Calvinist ben en geen Lutheraan. Het Calvinisme heeft toch een grotere openheid.

Dit is het eerste deel van de moraal: de verzekering aan de kroniekschrijvers van de (Gereformeerde Bond om hen te verzekeren, dat oecumenisch nog lang niet betekent: verloochening van het erfdeel. O, neen!

Tot zover prof. Van Niftrik. We willen beginnen met op te merken, dat we geen ogenblik twijfelen aan de waarheid van dat wat prof. Van Niftrik hier allemaal verzekert. We wisten trouwens deze dingen al vóór we ze in dit artikel lazen. Immers enige tijd geleden hebben we reeds in ons persoverzicht nog al uitvoerig gesclireven over de vergadering van Montreal. Deze was ook onder auspiciën van Faith and Order, en ook van die conferentie heeft men toch eigenlijk gesproken als „mislukt"; want daar waren het de Ooster-Orthodoxen die hun eigen kerk zagen als de enige ware en juiste. Ook daar kon men geen stap nader tot elkander komen. Deze situaties in de oecumene zijn ons dus niet onbekend. We twijfelen er zodoende ook niet aan of men zal over en weer opkomen voor hetgeen men als waarheid heeft leren zien. En stellig zal de verbroedering en de eenheid, vooral juist op de punten van geloof en kerkorde nog vaak en langdurig zoek zijn.

Maar daar is, dachten we, niet alles mee gezegd. Het gaat hier ook om de diepere achtergronden. Allereerst is er de vraag: Is de Wereldraad nu alleen maar gespreksgemeenschap of ook geloofsgemeenschap? En dat laatste zit er toch ook in. Als men als lid tot de Wereldraad toetreedt, houdt dat in een zekere erkenning van de andere kerken, niet als kerken in de volle zin van het woord, maar als dienende de ene en zelfde Heer, aldus heeft de secretarisgeneraal, dr. Visser 't Hooft, gezegd in Rochester 1963. En wanneer men dan telkens leest van werkingen en leidingen van de Heilige Geest, los van het Woord, hebben we hier dan te denken aan dezelfde Geest die van een verscheidenheid van geestelijke gaven heeft, waardoor al die verschillen ontstaan en voortbestaan? De volgende stap is dan, dat we tot de conclusie komen, dat niet de één alles heeft, maar dat men samen de waarheid heeft en dus elkaar moet aanvullen. Zo groeit men toe naar een Superkerk, en dan is er principieel geen onoverkomelijk bezwaar meer om, als men moe gestreden is, dan maar b.v. het Anglicanisme te kiezen als een tussenstation tussen protestantisme en rooms- en grieks-katholicisme.

We willen daarmee niet ontkennen, dat we nooit eens wat zouden kunnen leren van andere kerken. Zoals iedereen, zullen ook wij zeker lijden aan allerlei eenzijdigheden. Maar als we de werking en de leiding van de Geest losmaken van het Woord, dan gebeuren er twee dingen tenslotte. Ten eerste wordt men het dan nooit eens; het éne ja blijft dan als laatste waarheid staan tegenover het andere neen. En vervolgens zal men ook weer om opportunistische redenen gemakkelijker tot een eenheid komen omdat er ten diepste geen principiële bezwaren zijn. Het is één en dezelfde Geest; we dienen toch de ene en zelfde Heer. Is dat nou zo? Gaat het om dezelfde God; en, zo ja, kan men dan zo maar zeggen dat we Hem allemaal dienen? Als men b.v. het kleed van een Maria-beeldje kust en om haar bescherming smeekt, dienen we dan toch de God van de Bijbel, of tergen we Hem en wekken we Zijn toorn op? We zouden onze vraag ook nog anders kunnen stellen: Bestaat er in de wereld nu nog een mogelijkheid voor een „valse" kerk? We willen daarmee niet zeggen dat we naar een valse kerk zitten te snakken, maar is het bestaan daarvan of de mogelijkheid dat die zou ontstaan uitgesloten? Moeten we zelfs dit begrip uit de bijbel, onze belijdenis en gedachten schrappen? Of moeten we dit begrip (en dan nog liefst maar in stilte) reserveren voor de Islam, de Hindoes enz. In dit verband zal men wellicht wijzen op de tegenwoordige, wat meer uitgebreide basis van de Wereldraad. Maar deze is geen geloofsbelijdenis en geen toetssteen voor de leer der deelnemers. En dit wordt toch door de praktijk maar al te duidelijk bevestigd.

We hebben alleen maar een paar losse opmerkingen neergeschreven; in een persoverzicht kunnen we ook niet verder gaan, maar we wilden toch niet het dringend verzoek van prof. Van Niftrik onvermeld terzijde leggen, of zonder een enkel woord maar doorgeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's