KERKVOOGDIJEN LET OP UW ZAAK!!
In de vergadering van mei van de classes zal behandeld worden een voorstel van het moderamen der generale synode tot opneming van een nieuwe overgangsbepaling bij ordinantie 16- 10-2.
Helaas blijken dikwijls voorstellen tot wijziging in een der ordinanties op de classicale vergadering hamerstukken te zijn. Weinigen gaan na wat de gevolgen kunnen zijn van een verandering in een of ander artikel. Consedereren echter is toch niet alleen nuttig, maar ook geboden.
Zo is het bedoelde voorstel bij eerste kennisneming onschuldig, zelfs lofwaardig. De vraag is maar of het dat bij nader overwegen nog is.
In de toelichting wordt gesteld, dat het van groot belang is, dat zoveel mogelijk gemeenten het nieuwe toezicht (bedoeld in ord. 18) aanvaarden, m.a.w. dat zoveel mogelijk kerkvoogdijen „zich aanpassen". Juist in Friesland doen zich op dit punt moeilijkheden voor, vanwege de vreemde figuur van samenvoeging van enige gemeenten met één kerkeraad en (in de regel) één predikantsplaats en samenwerking van zelfstandige kerkvoogdijen, voor wat de kerkelijke bezittingen, financiën etc. be treft. Bij zulk een combinatie heeft elke kerkvoogdij het beheer over de goederen verbonden aan haar kerkdorp en kerk.
Nu streeft men ernaar, deze verschillende kerkvoogdijen te verenigen tot één lichaam in de ene kerkeraad, opdat zo de gemeente zich kan conformeren aan de kerkorde.
Dit heeft echter ten gevolge, dat elk kerkdorp de interne beschikking over eigen bezit gaat verliezen. De beslissingen over de vanouds bij A. behorende eigendommen worden dan immers niet meer genomen door de kerkvoogdij van A., maar door de kerkvoogdij van de „verenigde" gemeente A., B. en C.
Dit teloor gaan van het beschikken over eigen goederen is de reden, om welke vele kerkvoogdijen in onderhavige situatie zeiden: neen, wij verenigen ons niet en stellen ons niet onder het toezicht bedoeld in Ord. 18.
Het bewuste voorstel nu wil aan deze moeilijkheid tegemoet komen, door de mogelijkheid te scheppen, dat in het plaatselijk reglement de bepaling opgenomen wordt, „dat het college van kerkvoogden dier gemeente niet bevoegd is tot het bezwaren of vervreemden van de kerkelijke bezittingen, die vóór de aanpassing in beheer waren bij de kerkvoogden van een der onderdelen en — anders dan voor de op de onderdelen gezamenlijk kerkordelijk rustende verplichtingen — niet bevoegd is tot het leggen van financiële lasten op de leden, die op het territoir van dat onderdeel woonachtig zijn, dan nadat zich de meerderheid van de uit dat onderdeel in de kerkeraad zitting hebbende ouderlingen-kerkvoogd, voorzoveel nodig met inachtneming van het bepaalde in ordinantie 16-3-8 (de bijstand van notabelen, L. J. G.), daarvoor heeft verklaard".
Het lijkt, dat door zulk een nieuwe overgangsbepaling een garantie wordt gegeven voor interne beschikking in gevallen van bezwaring, vervreemding en bijzondere belasting. Maar bij nader inzien is dat niet zo. Het blijkt een niet onbedenkelijk voorstel te zijn, om de eenvoudige reden, dat de kerkorde nergens voorschrijft, dat ieder onderdeel in de kerkvoogdij vertegenwoordigd is. Ord. 16-10-2 bepaalt slechts, dat „bij de verkiezing van kerkvoogden met deze geografische indeling zoveel mogelijk wordt rekening gehouden". Van Alphen vermeldt bijv. van Foudgum ca. 4 kerkvoogdijen (270 leden). Mede gelet op overgangsbepaling 315 zal in deze kleine gemeente samenvoeging tot één kerkvoogdij waarschijnlijk slechts een drietal ouderlingen-kerkvoogden brengen. Eén onderdeel komt dan in 't geheel niet aan bod. Maar hoe kan voor de andere onderdelen sprake zijn van een meerderheid, wanneer er per kerkdorp slechts één kerkvoogd is?
Bij samenvoeging van 3 en 2 kerkvoogdijen wordt deze situatie in het geheel niet gunstiger, omdat redelijkerwijze eerst van „meerderheid van de uit dat onderdeel in de kerkeraad zitting hebbende ouderlingen-kerkvoogd" gesproken kan worden bij een aantal van tenminste 3 kerkvoogden uit één onderdeel. Ook dan nog is een stemmenmeerderheid van 2 tegen 1 uiterst zwak bij belangrijke beslissingen.
Maar, merkt iemand op, ord. 16-3-8 spreekt toch van het oordeel van notabelen, dat gevraagd moet worden inzake het verkrijgen, vervreemden of bezwaren van onroerende goederen? Inderdaad, maar het handhaven van het college van notabelen is facultatief. En gesteld, dat dit college bij aanpassing gehandhaafd blijft en aan de kerkvoogdij bijstand verleent — het oordeel van de notabelen is voor de kerkvoogden niet bindend. Trouwens, aan welke nolabelen moeten wij denken in de voorgestelde overgangsbepaling : aan het college van notabelen in zijn geheel? Zó staat het in ord. 16-3-8. Maar dat is voor kerkdorp A. in de gemeente A., B. en C. niet interessant. Of moeten wij denken aan de in het onderdeel A. woon achtige notabelen? Dat zou eventueel zin kunnen hebben, maar dat staat noch te lezen in de voorgestelde overgangsbepaling noch in ord. 16-3-8.
Bij dit alles komt nog het volgende.
Naar ord. 1-1-4 dienen tenminste 3 ouderlingen en 3 ouderlingen-kerkvoogd in de kerkeraad zitting te hebben. Is het nu noodzakelijk en mogelijk in betrekkelijk kleine gemeenten, samengesteld uit enige kerkdorpen, het aantal ouderlingen-kerkvoogd zo drastisch boven dit getal uit te breiden, dat per onderdeel 3 of desnoods 2 kerkvoogden aanwezig zijn? Dit zou ten gevolge hebben, dat ook het aantal ouderlingen wordt uitgebreid, omdat evenwicht tussen beide gewenst, in ieder geval overvleugeld worden van de ouderlingen door de ouderlingen-kerkvoogd ongewenst en niet in de geest van de kerkorde is.
Het moge duidelijk zijn geworden, dat de voorgestelde regeling niet de minste garantie biedt voor een soort plaatselijk vetorecht.
Wil men dat iets van die aard funtioneert, laat men dan de kerkvoogdij in onderhavige gevallen binden aan het oordeel van de op het territoir van dat onderdeel woonachtige stembevoegde lidmaten. Dan alleen worden zekere garanties geschonken.
Ongewijzigde aanvaarding van de besproken overgangsbepaling 323a, zal de bezorgdheid van de kerkvoogdijen niet wegnemen.
Ik moge dan tenslotte de classicale vergaderingen adviseren aan de synode voor te stellen, dat
1. bedoelde beslissingen in handen van de lidmaten worden gelegd, zoals hierboven nader omschreven;
2. deze garantie wordt geschonken niet per overgangsbepaling, die bedoeld is t.z.t. af te lopen, maar bij ordinantie.
Naar het mij voorkomt worden alleen dan plaatselijke rechten gewaarborgd, indien althans naar het oordeel der kerkvoogdijen de voordelen van de aanpassing groter zijn dan die van vrij beheer!
L. J. Geluk.
P.S. Ondergetekende kan niet nalaten er op te wijzen, dat wij altijd gepleit hebben voor het behoud der zelfstandige rechten van de kerkvoogdijen, die zij vrijwillig prijsgeven als zij overgaan naar de kerkeraden.
Ook in bovenstaand geval doen de kerkvoogdijen goed, als ze zelfstandig blijven en als zodanig met de kerkeraden overleg plegen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's