GEESTELIJK LEVEN
Referaat gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond
NAAR DE BELIJDENIS
Predikanten moeten dus zelf gelovige mensen zijn en moeten toenemen ook zelf in geloof door de opscherping der liefde. Als men als jong predikant aankomt en alles geleerd heeft, moet men doorgaans alles nog leren en gelukkig hij, die van de universiteit op die andere leerschool van de practijk, waar al het wetenschappelijk verworvene aangepast moet worden aan de practijk, waar mensen zijn, die geoefend zijn in de practijk van het leven en vaak ook in de school van het lijden. Om voor zulke mensen Evangeliedienaar te zijn, dat vraagt geestelijk aanpassingsvermogen en het blijkt ook dat God jonge predikers genade wil geven om hun tot herders te zijn. Hier moet een geestelijk leven en ook de voortgang in het geestelijk leven onderricht worden aan de gemeenteleden.
Nu de prediking.
De belijdenis zet daar zeer veel op. Dit doen alle drie de belijdenisgeschriften. Over vormen van dienst en liturgieën spreken zij niet. Dit moet men trouwens in een dienstboek verwachten en wat dat betreft was de Gereformeerde kerk in ons land zeer sober. Maar de prediking, de noodzakelijkheid van de prediking, de zegen van de prediking is niet van de lucht in de belijdenisgeschriften, althans in de Catechismus en in de Dordtse Leerregels. In artikel 17 van Hoofdstuk III en IV wordt gesproken van onderrichting, heilige vermaning, oefening des Woords, oefening der sacramenten, oefening van kerkelijke tucht. En zij die leren en zij die geleerd worden, mogen zich niet vermeten om God te verzoeken door die dingen te scheiden, welke het God behaagd heeft ze samen te volgen. Door heilige vermaningen wordt de genade medegedeeld en hoe vaardiger wij ons ambt doen, te heerlijker vertoont zich de genade, die in ons werkt en gaat Zijn werk voort.
De preek moet een onderrichting zijn, een vermaning zijn, een oefening zijn. Vandaag schijnt de preek voor een goed deel afgedaan te hebben. De duur van de kerkdienst vertoont al zo een verkorting en een verschraling. Ik weet niet of men zich verplicht acht buitenlandse kerken te volgen of de overheersende groep in onze kerk, die diensten van ten hoogste een uur menen te moeten geven, 'k Vraag mij af of een onderrichting niet behoorlijk zijn tijd blijft vragen èn in de studeerkamer èn op de preekstoel. In Calvijn's dagen hield men dagelijks kerk en 's zondags drie maal. Laten wij tegen de geest van de tijd de preek weer centraal stellen en daaraan het volle pond geven. Dit is de opdracht, die de Heere Christus gegeven heeft: „Gaat heen, predikt het Evangelie aan alle creaturen". Als de kerk en haar dienaren de preek niet serieus nemen, dan neemt het volk die ook niet serieus. En het is van ouds geweten onder ons volk, van welke groepering het ook mag zijn, dat dit volk een preek vraagt en waar die gebracht wordt, daar vergadert de Heere het volk rondom Zijn woord. De onderrichting vraagt om een systematische behandeling van het Evangelie en dat brengt ons weer bij de leiddraad van de kerk, namelijk de belijdenis. Dat geeft ons niet alleen een doorpreken in de Evangeliestof, beide in Oud en in Nieuw Testament, maar dat brengt de gemeente ook op de grote lijnen van het geloof. Dat geeft goede dogmatische preken, waarin de leer der zaligheid ontvouwd wordt, zonder dat men in minutieuze dogmatische verbijzonderingen en in splinterige onderscheidingen vervalt. Dit leidt de gemeente ook in de bevinding des geloofs. Hier worden de geloofsstukken behandeld en men komt in een bevinding, die een verdieping hoger ligt dan allerlei persoonlijke geestelijke ervaringen, die ten slotte niet maatstaf voor anderen kunnen zijn. In de Godzalige onderrichting wordt de gemeente bij een voortgaande studie geleid van stuk tot stuk, van kracht tot kracht, van heerlijkheid tot heerlijkheid. Heel het heil van Christus, al het werken in de drieënige God gaat schitteren, gaat werken.
Dit moet gedaan worden met vermaningen en met oefeningen. Oefeningen vragen om herhaling van voorheen behandelde stoffen. Als iemand viool speelt, dan moet hij eindeloos aan vingeroefeningen doen en hoe hoger hij komt in de muziek, hoe meer hij aan die vingeroefeningen moet doen. Een goede prediker zal al zijn talenten moeten benutten bij de oefening. Hij zal de herhaling niet vrezen, maar als uit een geoefend oor de oneffenheden trachten weg te werken. Colossensen 1 : 28 spreekt van: „Denwelke wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus". Daar is dus veel arbeid, geestelijke arbeid aan een iegelijk mens, laat staan aan zo'n hele gemeente.
De verkondiging vraagt ook vermaning, vermaningen, en dat in een Evangelische zin. De preek, die alleen maar nodigt, troost of zalig spreekt is een zoetsappig ding. Daar moet ook vermaning bij zijn. Tot de outillage van een herder behoort niet aleen een staf om te leiden, maar ook een stok om te kastijden. Uit de aard der zaak betreft het hier zonden. Deelt u als predikant wel eens vermaningen uit over reeële zonden, met name genoemd? Vermaant u in het pastorale werk wel eens over persoonlijke zonden, op de man af? Niets bindt uw schapen zo aan u, als de tuchtiging en vermaning en niets vervreemdt uw schapen zo van u als verzwegen vermaningen en als goedkeuring van de zonden. Men moet voor zijn dominee ook nog eens kunnen beven. Maar de vermaning, die hier bedoeld wordt, die ik Evangelische vermaning noemde, wil de schapen brengen van weide tot weide, opdat zij niet te lang op hun oude legering blijven. Dat geeft magere schapen met een magere ziel. Daar moet zijn een wasdom in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus, een wasdom in het geloof. Wij moeten met kinderen rekenen — weten te spreken, maar ook met degenen, die een man geworden zijn — die te niet gedaan hebben hetgeen eens kinds was.
De prediking heeft dan niet meer en niet minder in de hand dan het woord Gods en dat is het zaad der wedergeboorte. Men zou ook kunnen zeggen: de prediking is het middel, waardoor God het geestelijk leven geeft en ook onderhoudt. Daarom preekt toch, preekt toch vele malen en houdt daarin aan tijdiglijk en ontijdiglijk.
Nu het geestelijk leven in de gemeente zelf en ook dat naar de belijdenis. Uit het voren betoogde zou men geredelijk een direct en strikt verband kunnen leggen tussen de prediking en het geloof in de gemeente. Waar prediking, daar geloof en waar geen prediking, geen geloof. Ik moet hier terstond tot voorzichtigheid manen. God maait, waar Hij niet gezaaid heeft, hoeveel temeer dan waar wij u gezaaid hebben. God doet het altijd met Zijn woord en naar Zijn belofte, ook met onze prediking, maar wij staan keer op keer beschaamd, als wij zien, wat onze prediking slechts uitwerkt en verrast, als wij zien, wat er zonder die toch ontstond. Wij staan bij het vruchteloze van ons werk voor de vrijmacht Gods, Die met het Zijne doet, wat Hij wil. Zelfs de allerhoogste Profeet kon aldaar geen wonderen doen vanwege hun ongeloof. En wij staan ook keer op keer bij het vinden van oprecht geloof op ongedachte plaatsen voor de vrijmacht Gods, Wiens wegen ook hier nog een keer hoger zijn dan onze wegen. Daar moeten wij wel heel goed mee rekenen in de gedifferentieerdheid van „ons" kerkelijk leven en in de gescheurdheid van het Gereformeerde leven in ons land. Wij hebben nu eenmaal niet meer een landskerk, ook niet een staatskerk en wij hebben zelfs geen gemeente meer, wier geestelijk leven wortelt in de belijdenis zonder meer. Al te lang werd de kerk onthouden de kennis van en het onderricht in deze geschriften, die dan toch uitdrukken, wat wij geloven en hoe wij geloven. Er is ook in onze gemeente, zelfs in de beste geen enkele oorzaak tot roem. Er is geen reden om onze gemeente te verheffen boven andersgezinde gemeenten, al moet toegegeven, dat zo hier en daar wel meer kennis van de Confessie leeft dan bij de anderen. Wat wij tot roem van Gods genade dankbaar kunnen constateren, dat is dit, dat over het geheel van de kerk de gemeenten direct positief reageren, zodra men de klanken van de belijdenis hoort, zelfs van die belijdenisgeschriften, die het minst bekend zijn. Daar leeft dan toch diep bij ons volk iets van dat Gereformeerde geloof, dat dan door de eeuwen heen in de ziel van dit volk bezonken ligt. Daarop is dat volk altijd nog aan te spreken. Dit geeft ons een kans en een roeping t.a.v. dit volk.
Over het ontstaan van dit geestelijk leven in de wedergeboorte wil ik thans niet handelen. Eerder deed ik dit op deze vergadering, als ik tot u sprak over wedergeboorte en rechtvaardigmaking.
No. 2
Wordt vervolgd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's