De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

In Woord en Dienst van 23 mei wijdt dr. C. A. de Ridder nog een beschouwing aan de „kwestie Irene", in de Kroniek : Rome Reformatie. Eerst schrijft hij over de doop van de prinses en de geheimzinnigheid daar omheen, maar vervolgens gaat hij uitvoerig in op de politieke aspecten van deze hele affaire. Uit dit laatste gedeelte van zijn artikel willen we het één en ander overnemen:

Er zijn aan de overgang van prinses Irene, i.v.m. haar huwelijk, ook politieke aspecten: de politieke aspiraties van haar echtgenoot, de antidemocratische mentaliteit van het Carlisme, de onverantwoordelijke wijze, waarop de familie de Bourbon—Parma optrad tegenover onze regering en onze koningin. Vooral die politieke aspecten hebben vele Nederlanders geprikkeld, die het godsdienstig aspect overigens koud liet.

Zelfs t.a.v. die politieke aspecten blijkt het r.k. volksdeel nog weinig te beseffen wat er buiten eigen kring leeft. Getuige een stuk, dat de K.V.P. stuurde aan het partijkader. Dit stuk wijdt — wij hebben het in de afgelopen maanden vaak gehoord — de standpuntbepaling van vele protestanten liberalen en socialisten t.a.v. de staatsrechtelijke aspecten van verloving en huwelijk aan „motieven en overwegingen, die zij nu niet behoefden te gebruiken", kortom aan „tendensen van antipapisme en van politiek opportunisme". Het toont zich vooral zeer geprikkeld door de voorlichting, die gegeven is van socialistische zijde over Spanje. De niet erg heldere beantwoording van de citaten, die gegeven worden uit het stuk en de toelichting erop van de partijvoorzitter zijn in ieder geval in één opzicht glashelder: de schrijver wil persé Spanje en zijn dictatuur niet verder afvallen dan strikt noodzakelijk is in een democratische staat, vooral niet verder en liefst nog iets minder ver. Zeker, de voorstelling, die prinses Irene gaf over Spanje in haar bekende interview, kan men — aldus het stuk — van eenzijdigheid niet „vrijpleiten", maar hoezeer verraadt de keuze van dit woord wat men maar al te graag zou willen doen! Zeker, ook bij de K.V.P. leven overwegende bezwaren tegen „bepaalde ondemocratische aspecten van de wijze waarop Spanje wordt geregeerd". Maar deze tamme woordkeus doet ons toch de vraag stellen: meent de K.V.P. dan, dat de dictatuur van Franco ook „bepaalde aspecten" heeft, die wel democratisch zijn?

Wie zou er bezwaren tegen kunnen hebben, wanneer het stuk van de K.V.P. aanspoort tot objectiviteit, ook tegenover Spanje? Maar wij hebben die melodie al vaker gehoord. Altijd weer wordt het jammerliedje over gebrek aan objectiviteit aangeheven door hen, die zelf niet helemaal objectief staan tegenover een dictatuur, omdat zij die niet durven verdedigen, maar evenmin helemaal willen verloochenen. Het protestantisme is helaas — dat wordt wel eens door ons vergeten — evenmin immuun voor de fascistische besmetting als het rooms-katholicisme. Zuid-Afrika is bezig tot net zo'n politiestaat te onwikkelen als Franco-Spanje van het begin af al was. Maar zij, die in naam van de „objectiviteit" willen vergoelijken wat in Zuid-Afrika gebeurt, krijgen in het Nederlandse protestantisme gelukkig weinig bijval.

In het K.V.P.-document komt een onderstroming in het r.k. politieke denken naar voren, waarvan wij hoopten, dat zij langzamerhand verzand was. Er blijkt een te grote toegefelijkheid uit tegenover een dictatuur van rooms model, die voor het minst het feit begrijpelijk maakt, dat nog steeds vele protestanten in Nederland er weinig op gesteld zouden zijn te worden geregeerd door een rooms-katholieke koning of koningin. Voor goed democratische rooms-katholieken is het pijnlijk dat te merken.

In het Hervormd Weekblad is ds. J. van Leeuwen, vroeger luthers predikant, bezig via een ingezonden schrijven een misverstand over een uitlating van Maarten Luther uit de weg te ruimen.

We willen ds. van Leeuwen graag helpen bij deze „opruiming" en nemen daarom uit zijn schrijven het één en ander over. Het gaat dan over het punt dat Luther de Jacobusbrief zonder meer een „strooien brief" genoemd zou hebben:

Dit is wel waar, maar het is niet de gehele waarheid. Voor mij ligt Luthers voorrede op het Nieuwe Testament van 1522. Daarin schrijft hij in de eerste plaats: Daarom is St. Jacobs brief een recht strooien brief vergeleken met die. Met „die" bedoelt Luther het Evangelie van Johannes, de brieven van Paulus en de eerste Petrusbrief. Luther stelt de zaak dus niet absoluut, maar relatief. Hij acht de Jacobusbrief dus niet zonder imeer van onwaarde, maar vergeleken met de andere genoemde van minder waarde. Maar stro is toch ook nog wat waard?

Dit blijkt ook uit Luthers voorrede op de Jacobusbrief. Daarin schrijft hij (kortheidshalve vertaal ik maar meteen): „Deze brief van St. Jacobus ... loof ik, en houd hem toch voor goed, daarom, omdat hij geen mensenleer voorstelt en Gods vyet uitdrukkelijk predikt"... En verderop , schrijft Luther: „Veel goede spreuken staan daarin".

Het is een hardnekkig hervormd-gereformeerd misverstand, dat Luther in absolute zin over de „strooien brief"' van Jacobus heeft geschreven.

In de rubriek Van Week Tot Week in het Geref. Weekblad (Kok) geeft prof. H. Ridderbos enige aantekeningen bij een drietal toespraken die gehouden werden op de Schooldag te Kampen.

Ds. Vellenga sprak over „De gouden standaard" en ging in zijn betoog na, fop welke wijze de kerk in deze tijd gevrijwaard kan worden voor geestelijke devaluatie.

In zijn commentaar daarop schrijft prof. Ridderbos, dat men niet steeds maar weer, relativerend, zich beroepen kan op „de tijd, waarin wij leven". Daar staat echter tegenover, dat men zich ook niet steeds als een struisvogel moet gaan verschuilen voor alles wat als iets nieuws op ons aankomt. Hij beëindigt dan dit gedeelte van zijn betoog aldus:

Het gereformeerde geloof is in die zin altijd „werelds" geweest, dat het geleefd heeft bij het woord, dat de aarde (en ook de toekomst en de tijd van de aarde) des Heeren is en dat God ons niet buiten de wereld zendt, maar erin. Maar het is ook altijd bereid geweest neen te zeggen als het ja verwerpelijk of twijfelachtig scheen. Het heeft geleefd, sterk geleefd bij het verschil tussen wat uit God en hetgeen uit de wereld is. Wij zijn voorheen misschien wel eens sterker geweest in het neen, dan in het ja. Het heeft op den duur geen bevrediging geschonken en tot sterke reacties geleid. Ik heb het gevoel, dat velen onder ons thans het gemakkelijke ja begint tegen te staan, niet alleen de „oude" neenzeggers, maar ook de meer tot het ja geneigden. Het pro is stellig meer dan het contra. Want Christus is pro. Maar het is alleen een kritisch pro, dat zich met de naam van Christus mag dekken. En het is in zijn Christelijke betekenis onder méér hieraan te kennen of het ook tot het anti, het neen in staat is. De toekomst van het gereformeerde leven hangt aan de bereidheid om het ja en het neen niet aan de mode of aan de anderen, maar aan het onbevangen luisteren naar Gods Woord te ontlenen.

Dat er in de Gereformeerde Kerken inderdaad nog neen-zeggers zijn, blijkt wel uit de publicaties in het blad Waarheid en Eenheid. Zo citeert ds. Schelhaas enkele uitspraken van ds. Vlaardingerbroek, die daarin stelt dat de Kerk in ontbinding is. Hij schrijft:

Onze kerken hebben hun bloeitijd achter de rug. Ze vertonen tekenen van ontbinding. De symptomen daarvan zijn duidelijk. Ontbinding van een kerk betekent, dat de band aan God en Zijn Woord verslapt en tenslotte losraakt. De kerk wordt dan een vreemde mengeling van kerk en wereld, geloof en ongeloof, waarheid en leugen.

Ds. Vlaardlngerbroek concludeert dit uit de volgende feiten: De recente uitspraken en onzekerheden aangaande Genesis 1 e.v. Het besef, dat de bijbel het over onze leer en wandel te zeggen heeft, verslapt. De concrete situatie lijkt naast de bijbel normatief te worden. Het etisch normbesef verwatert. De leer van de uitverkiezing is in het geding. En langzaam maar zeker koersen de kerken in de richting van de wereldraad. En tenslotte is de P.v.d.A.-uitspraak van de synode weer een symptoom van de veranderde koers.

Ds. Vlaardingerbroek eindigt zo: Er is voor een kerk altijd bekering mogelijk. En dat is wat wij nodig hebben. Alleen: het is mogelijk, dat deze nieuwe reformatie niet zal kunnen plaats vinden zonder de verschrikking van een scheuring. Die is niet onontkoombaar, maar de vrees ervoor mag geen reden zijn om de reformatie uit te stellen. Want scheuring is verschrikkelijk, maar lid of ambtsdrager zijn in een kerk in ontbinding is nog erger. Dat mogen wij op den duur niet verdragen. En tenslotte is er ook nog de mogelijkheid van via verdeeldheid naar eenheid te komen (1892). Een soort kerkelijke herindeling zou grotere eenheid kunnn brengen. Mocht het in onze kerken tot een breuk komen, dan zou het niet lang duren of de „linkervleugel" was opgegaan in de Hervormde Kerk. Voor de overigen zou eenheid met de vrijgemaakten en misschien zelfs met de christelijk gereformeerden dan niet meer tot de onmogelijkheden behoren. Beter en oprechter dan het op een breuk te laten aankomen, zou het echter zijn, als zij die de gereformeerde kerken veranderen wilden naar het voorbeeld van de Hervormde Kerk, maar naar die kerk overgingen. Maar het allerbeste en het allermooiste zou zijn, als we samen de goede weg weer vonden. Laten we daarom bidden. Het moet kunnen!

Als men een dergelijk betoog leest, komt men wel tot de overtuiging dat er ook in de gereformeerde kerken nog velen zijn die tot de smartelijke ontdekking komen dat afscheiding toch niet voor goed het heil gebracht heeft. Mocht die gedachte in het begin misschien geleefd hebben, nu is men voor een goed deel daar toch wel van genezen. Maar niettemin gaat men met een zekere vanzelfsprekendheid weer spelen met de gedachte aan nieuwe scheuringen. Als men op dit punt gekomen is, zou het dan ook eens geen overweging verdieneii om zich indringend en diepgaand te bezinnen op de vraag of we hier niet een andere weg hebben te gaan. Niet dat wij weggaan en het Woord meenemen, maar blijven en aan het Woord Gods vasthouden, opdat dit Woord ons en anderen mee zou nemen. Met andere woorden: Iets minder van onszelf en iets meer van het eeuwigblijvend Woord Gods verwachten. Misschien eens iets om over na te denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's