De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Hoofdstuk III.

8 minuten leestijd

of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald.

Het sterven zelf.

Als Jakob voleindigd had zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten tezamen op het bed en hij gaf de geest en hij werd tot zijn vaderen verzameld (Gen. 49 : 33). Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, zegt Christus als de ure van zijn dood naderde (Joh. 17 : 1) en nu komen wij ook met onze stervenden, die wij op hun einde voorbereiden, tot het sterven zelf, wat de Schrift noemt, de dood zien, de dood smaken. Het is één dood, maar er zijn verscheidene wegen, die daarheen voeren. Sommigen sterven nistig als de oude Jakob, die zijn voeten tezamen legde en de geest gaf. Sommigen sterven een natuurlijke dood, door ouderdom of door enige ziekte, naar aller mensen bezoeking, zoals de Schrift zegt: Indien deze zullen sterven gelijk alle mensen sterven en over hen een bezoeking zal gedaan worden naar aller mensen bezoeking (Num. 16 : 29). Elisa stierf aan zijn ziekte (2 Kon. 12 : 14). Anderen sterven op een bijzondere wijze. Zo klagen de Israëlieten: Waarom brengt ons de Here naar dat land, dat wij door het zwaard vallen en dat onze vrouwen en kinderen ten roof worden? De profeet, waarvan gesproken wordt in 1 Kon. 13 : 24 wordt onderweg door een leeuw gedood. Job's kinderen worden als het huis instort verpletterd (Job 1 : 19). Achttien sterven onder de toren van Siloa (Luc. 13 : 3). Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was; de ander daarentegen sterft met een bittere ziel, zegt Job (Job 21 : 23, 25). Om niet te spreken van de vreemde dood, in de geschiedenis bekend. Sommigen stierven door een plotselinge tijding van iets goeds, uit grote vreugde, zoals Diagoras van Rhodus, Chilon de filosoof, Dionysius, de tyran, Juventus Thalma, burgemeester van Rome. Door plotselinge droefheid stierf Diodorus Dialecticus, omdat hij een bepaalde vraag, die hem voorgelegd werd, niet onmiddellijk kon beantwoorden; men zegt, dat ook Homerus zo gestorven is. Toen Alexander Eleus, de filosoof, in het water sprong, werd hij door een scherpe bies in het lichaam getroffen, waardoor hij stierf. Fabius, een raadsheer te Rome, stikte door een haartje, dat hij met melk naar binnen kreeg. De oude Anacreon, die met rozijnen zijn laatste krachten in stand hield, stierf door 'n pitje. Drusius, het zoontje van Caesar, stierf door een peer, die hij al spelende omhoog wierp en met zijn mond opving. Terentius stierf van hartzeer, omdat zijn fabelen, die hij in een schip vooruitgezonden had en andere, die hij pas gemaakt had, verloren waren; Aeschylus, de dichter, doordat een arend een kreeft op zijn hoofd liet vallen. Keizer Tiberius, Demetris, de zoon van Philippus (waar Livius van schrijft, boek 40), paus Johannes X, Frederik II door zijn zoon Manfred, werden gestikt onder een kussen of een kleed, dat men over hun hoofd wierp. Bisschop Maruthas van Mesopotamië trapte in onvoorzichtigheid Cyrinus, bisschop van Chalcedon, op de voet, die als gevolg daarvan stierf. Paus IV stierf door een vlieg; Johannes XVI doordat een zoldering op zijn hoofd viel. Bzovius verhaalt hiervan een vreemd verhaal: In het jaar 1277 werd Johannes Scotus in zijn school door zijn leerlingen met schrijfstiften doodgestoken. In onze tijd stierf Hendrik II, koning van Frankrijk, in het tournooi-spel, toen een splinter, die van de lans van wie met hem tournooide, in het oog van de koning sprong, terwijl het oog van de helm, waarmede zijn hoofd goed bedekt was, niet geheel gesloten was. En zo stierven anderen op een andere wijze. Met Augustinus zeggen wij: Wat doet het er toe of koorts of het ijzer van het lichaam losmaakt? God let er bij zijn knechten op, niet bij welke gelegenheid, maar hoedanig zij bij Hem komen (ep. CXXII). Zo droevig als het is bij stervende mensen te zijn, die node of met wroeging zeker en onder veel gekerm onwillig als naar de dood getrokken worden, zo aangenaam en verheugend is het aan de andere zijde het zalige afscheid mee te maken van een christelijke ziel. Hierover ging de wens van Bileam: mijn ziel sterve de dood des oprechten en mijn uiterste zij gelijk het zijne (Num. 23 : 10). Daartegenover is het zeer verschrikkelijk het sterven te zien van wie slecht geleefd heeft en dan in de dood begint ongerust en verschrikt te worden, node (door nood gedwongen) voortreizende naar het oordeel, dat hij nu des te meer vreest in zijn sterven, naarmate hij het in zijn leven vergeten en veracht heeft, die nu al roept gelijk de Israëlieten eens in hun vertwijfeling zeiden tot Mozes: zie, wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan (Num. 17 : 12); zoals van Bruno, de stichter van de Kartuizer orde in het pausdom verhaald wordt, dat hij vlak voor zijn dood riep: Ik ben door Gods rechtvaardig oordeel veroordeeld. Dat is hard voor de stervende en bedroevend voor de omstanders. 

En wat is anders de dood van hen, die zeggen:

Drie dingen bedroeven mijn gemoed, 

Het eerste is, dat ik sterven moet,

Het andere bedroeft mij nog veel meer.

Omdat ik niet weet de tijd wanneer.

Het derde kwelt mij bovenal,

Dat ik niet weet, waar ik varen zal.

Zo sterven de Joden; want onder de zeven dingen, waarvan de Rabbijnen zeggen, dat zij de mens verborgen zijn, noemen zij ook dit, dat een mens niet weet, wat loon hij hierna verkrijgen zal. Daarom vertellen zij van een rabbi Johannes (ben) Zakkai, dat hij op zijn doodsbed door zijn discipelen bezocht, op hun vraag, waarom hij zo weende, antwoordde: Indien ik gaan moest naar een koning, die ik vertoornd had, ik mocht hopen hem met woorden of met geld te verzoenen. Maar ik ga nu tot Hem, die hoger is dan alle koningen, de gezegende God, die ik noch met woorden, noch met gaven kan verzoenen en ik weet niet of ik door Hem in de hel verstoten of in het paradijs opgenomen zal worden. Maakt dit enig verschil met het heidense woord van keizer Hadrianus: Zieltje, onrustig, vleister, gastheer en metgezel van het lichaam, naar welke plaatsen zult gij nu heengaan? — Als de goddeloze sterft, vergaat zijn verwachting, zegt Salomo (Spr. 11 : 7). En Job zegt: Wat is de verwachting van de huichelaar, als hij gierig geweest zal zijn, als God zijn ziel zal uittrekken (d.w.z. opeisen)? (Job 27 : 8). Paulus leert het: een verschrikkelijke verwachting des oordeels en hitte des toorn, dat de tegenstanders zal verslinden. Zodanig als de dood de mens vindt zulk een dood vindt de mens, zegt iemand. Caesare Borgia, hertog van Navarre, zoon van Paus Alexander VI, toen plotselinge ziekte hem overviel en daardoor de dood, zeide dat hij op alle zwarigheden bedacht was geweest en daarmede rekening had gehouden, behalve met de dood, want hij had niet gedacht, dat hij zó spoedig sterven zou; dit verhaalt van hem de goddeloze Macchiavelli, die hem als een patroon de prins voorstelt, tot alle boosheid. Wat is dat een ellendige dood, zo te sterven; wat is het droevig voor de omstanders zulk een schouwspel te zien; maar wat is het veel erger voor de lijder zelf, dat te ondervinden. Och, dat de mens de tijd zijner bezoeking waarnam en bekende intijds, wat tot zijn vrede dient, zeide Christus over Jerusalem met wenende ogen, toen hun verderf naderde. En zo is het met wie kwalijk sterft. Hoe schrikt hij voor de dood, eer hij er nog is, maar die hij toch ziet komen. Het vonnis des doods is hem dood genoeg. Het doet hem als Belsazar zijn gedachten verschrikken en het maakt de banden zijner lendenen los en doet zijn knieën tegen elkaar stoten. Hier ontwaakt en wroegt en raast het geweten en dat geweten, tevoren gestild en belemmerd door het een of het ander, door verandering, vermaak, bezigheid met wereldse dingen nu van dit alles beroofd, kan geen vrede geven, die het zelf niet heeft; maar het staat zich opdringend, voortdurend vlak voor de mens met een zwart en schrikaanjagend register van zonden en vervult het hart en het hoofd en het huis en alles met vervaarlijk geschreeuw en gekerm, met een geroep en taal van de hel en van duivelen: Och, dat ik dit, och, dat ik dat gedaan heb, ellendig, katijvig (ondeugend, schelmachtig) mens, verdoemd, terwijl ik leef en veroordeeld eer ik dood ben. Hij worstelt tegen de dood en daar hij weet, dat hij die niet ontgaan kan, zoekt hij tevergeefs of hij uitstel van de dood kan verkrijgen. — Nu ziet men eerst hoe kostbaar de tijd is en wat hij verwaarloost, die de tijd zijner bezoeking verwaarloost.

No. 11

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's