DE CATECHISMUS
18
RADICAAL.
Vraag en antwoord 8.
Vr.: Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij gans onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad ?
A. Ja, tenzij dan dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden.
Het woordje „gans" moet in de vraag de klemtoon ontvangen. Het gaat er immers om of wij mensen alles kwijt raken. Dat er aan en in ons nu helemaal niets goeds zou zijn is toch eigenlijk wel een vreselijke leer. Daaraan stoot zich altijd nog het menselijk fatsoen.
Maar het Woord van God waardeert ons niet anders en de belijdenis zegt dan ook terecht: dat de mens in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven is geworden, en dat al het licht dat in ons is, in duisternis is veranderd (art. 14).
Alleen de rechte kennis van deze verdorvenheid maakt ons vatbaar voor het uitzicht dat het evangelie biedt. Anders blijft een mens altijd op twee gedachten hinken, zelfs in een geestelijk leven en een prediking van gereformeerde allure.
Om een recht inzicht in dit stuk der belijdenis te verkrijgen moeten we ons eerst rekenschap geven van de vele goede dingen, die we in het gewone mensenleven ontmoeten. Men heeft wel gesproken over natuurlijk goed als eten en drinken, burgerlijk goed als het vervullen van het beroep, uitwendig zedelijk goed als eerbaar leven, en uitwendig godsdienstig goed als bijbellezen, kerkgaan enz.
Zo zijn er veel goede dingen in het leven, die tot dankbaarheid nopen. Maar wie ze op naam van de mens schrijft pleegt diefstal. Want ze zijn vrucht van de algemene genade Gods, waardoor de mens de teugel wordt aangelegd, het geweten spreekt, er bewustzijn van plicht en roeping is, enz. — Wat de mens in zichzelf is wordt zichtbaar als God Zijn algemene genade over hem intrekt. Daarom moeten deze gaven juist wekken tot een erkennen van Gods goedheid en van onze snode ondankbaarheid.
Verder hebben we te bedenken, dat het gaat om de vraag of we met datgene wat wij goed noemen in het gericht Gods kunnen bestaan. En juist daar blijft niets van ons onbevlekt. Als het licht van Gods heilige wet over ons leven valt, wordt ons eten en drinken verfoeilijk voor God, daar de eis der wet is: hetzij dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, doet het alles ter ere Gods.
God stelt de mens in het licht van Zijn heerlijkheid en heiligheid. Daar wordt ons zonde wat ons nog nooit zonde geweest is, omdat we de werkelijkheid van onze vijandschap ontdekken. Onze gedachten zijn verontreinigd, de begeerten goddeloos; onze tong kunnen we niet verroeren of we plegen zonde. Zó kan dit ontdekkend licht indringen, dat een ziel zou willen weigeren te eten, omdat hij het niet doet ter ere Gods; maar daarmee zit hij volledig in het conflict, want zo zou hij tekort doen aan zijn leven, en zou hij geoordeeld worden als een moordenaar.
Ach, waar dan heen, als de zonde ons omringt als een keten? — Zo werkt de Geest uit Christus en dringt op de ziel aan, opdat de wanhopende aan zichzelf oog voor Christus ontvange en alle goeds uit Hem lere halen.
Op de totale verdorvenheid van de mens en de verkeerdheid van zijn wil moet zo alle nadruk gelegd worden, omdat het pelagiaans-remonstrantse gif veel dieper doordringt dan men zich meestal bewust is. Ook daar, waar men toch rechtzinnig wil genoemd worden. Het menselijk hart ligt er voor open. Hoewel Pelagius door de voordeur uitgedreven wordt, haalt men hem langs een achterdeur weer binnen. Men zet uiteen dat het de eigen aard van het geloof is om niets op naam van de mens te zetten en alles aan God toe te schrijven, aan Zijn genade. Maar de wijze, waarop men de mens tot het geloof zoekt te brengen is zo gekarakteriseerd door allerlei bestdoeningen, en zó gestroomlijnd, als zou de mens nog enige kracht en wil hebben tot het geloof, dat Pelagius en de remonstrant al op een afstand geroken wordt. Het is nu eenmaal een andere zaak om iets te beweren en te beschrijven en een andere zaak om datzelfde te beleven. En bij dat laatste valt het niet mee als er niets dan een vijand overblijft.
Onze vaderen hebben geleerd naar de Schriften dat Adam volkomen wilsvrijheid bezat. Maar na tegen God voor het kwade gekozen te hebben, heeft hij de rechte weg verlaten en doolt hij nu met zijn ganse nageslacht in het moeras der zonde. Hij mag nu nog kiesvrijheid hebben, maar dan toch altijd zó, dat deze opkomt uit een verdorven fontein. Luther gaf aan zijn geschrift tegen Erasmus de titel „Van de knechtelijke wil". De wil van de mens is geknecht door de satan en de zonde. Als de wet gaat leven voor ons, gaat het knellen totdat we in deze banden dood gekneld worden. Voor zulken krijgt Christus waarde. Het wordt wonderlijk, wonderlijk. Daarom is het antwoord een uitschietende juichtoon: tenzij dan dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden. Dat er voor zulke geknechten nog een weg van vrijmaking en dienst is!
Nu is de mens altijd in de contramine. Ontkent hij zijn verdorvenheid, dan bouwt hij aan zijn luchtkasteel; maar bekent hij de totale verdorvenheid, dan tracht hij weer zich door verontschuldiging eruit te redden.
God stelt hem echter verantwoordelijk en schuldig, omdat Hij hem goed geschapen heeft. Daarom is de zonde nooit te verontschuldigen, ook niet te verkleinen. De rechtspleging ontzinkt helaas steeds meer aan dit besef. Voor het besef van velen heeft de gevangenis niet te maken met zonde en straf, maar moet deze gezien worden als een hospitaal. De gevolgen blijven niet uit. Er komen geslachten, die steeds meer ontzinken aan het bijbelse zonde- en schuldbesef en de op bijbelse gronden gefundeerde rechtspleging.
We hebben er in onze dagen wel op te letten, dat allerlei woorden van bekende klank worden gevuld raet een totaal nieuwe inhoud. Men kan b. v. heel zware woorden gebruiken ten opzichte van de absoluutheid van de vervloeking, waaronder de mensheid zucht. Doch op een gegeven ogenblik blijkt, dat men tegelijk de ernst ervan geheel heeft opgeheven door een algemeen geldingsoordeel, waarbij men aanneemt, dat het onweer juist over is, en voor goed, en voor allen en iedereen. Daarom: Hallelujah. Zoals laatst op een kansel werd beweerd voor de goegemeente : Kijk, als in de oude wagen een nieuwe motor gezet wordt, dan is eigenlijk alles nieuw; zo met Kerst. Of nog beter: In Bethlehem heeft de wereld een nieuw hart gekregen! alles is goed.
Eigenlijk is 't ook weer niets nieuws, want de oude remonstranten wisten van datzelfde af. Zij gebruikten het bekende woordje „genade", maar vulden het met een nieuwe inhoud. Zij bedoelden er niet mee die genade, die niet alleen vergeving, maar ook de almachtige en onmiddellijke kracht tot het willen en volbrengen in zich besluit, maar alleen een voorwerpelijke genade, die werkt door aanrading, waarbij de zondaar kan komen tot inwilliging, maar ook tot afwijzing. — Zo ligt de zaligheid in 's mensen hand. Hoevelen houden echter ook in onze dag met orthodoxe klanken de zaligheid dapper in eigen hand ? !
Onze catechismus snijdt echter alles aan 's mensen zij radicaal af om de genade radicaal de eer te geven.
Geen verbetering, opvoeding, beschaving en wat er dies meer mag zijn, kunnen redden. Tevergeefs zijn we bezig aan de gevel of de kap van ons levenshuis (en het huis der kerk), als het fundament niet deugt. Er moet een nieuw fundament worden gelegd. Daarom getuigt het geloof naar de Schriften: Ja, wij zijn geheel verdorven, geheel onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij wij door de Geest Gods worden wedergeboren.
We hebben nodig een nieuwe geboorte, een totale vernieuwing. We lazen eens het volgende beeld. Als een geldstuk lange tijd op straat in de modder vertrapt is, kleeft er niet alleen vuil aan, maar ook is de koninklijke beeltenis ervan afgesleten. Poetsen alleen kan dat beeld niet herstellen. De munt moet in de smeltkroes opnieuw worden opgesmolten en opnieuw worden geslagen. Zo bewerkt nu God de zondaar. Hij werpt hem in de smeltkroes der ontdekking om hem door het geloof in Christus het verloren beeld in te drukken in ware kennis gerechtigheid en heiligheid.
Dat beeld komt hier nog niet af, maar de gelovigen krijgen troostrijke zekerheid in hun hart, dat het eens af zal zijn, zo vaak ze op hun Immanuël mogen staren. Ja, het is zelfs zó, dat ze geen enkele trek van hun wedergeboorte kunnen ontdekken dan alleen door het zien op Christus. Maar als we Hem aanschouwen, ja, dan zeggen we: Wedergeboren! En we zullen Hem gelijk zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's