De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJK LEVEN

NAAR DE BELIJDENIS

6 minuten leestijd

Referaat gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond

Bovendien handelen wij hier meer over het geestelijk leven zelf, dan over het ontstaan daarvan. Overbekend is Artikel XII van de hoofdstukken III en IV van de Dordtse Leerregels, waarin over deze hemelse werking gehandeld wordt. Ik wil u over de aard en over de zekerheid van dit geloof enkele punten uit het 5e boek van de Leerregels lichten, onder ons nogal aangelegen punten. Laat mij u noemen Artikel X.

„En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard; uit het getuigenis des Heiligen Geestes, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken. En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedriegelijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn".

De zekerheid des geloofs is een onder ons veel gezocht goed, de leiding, die aan dit zoeken gegeven wordt loopt nogal uitéén. Soms zelfs wordt aan deze zekerheid al of niet de zaligheid gehangen. Vooreerst dan dit, dat deze zekerheid niet voortspruit uit enige bijzondere openbaring. Noch de waarheid achter de waarheid, noch het vergeestelijken van de Heilige Schrift, noch ook persoonlijke geestelijke ervaringen zullen ons zeker stellen in ons geloof. Wij werpen ook verre van ons het verwijt, als zou de Gereformeerde leer de mensen alle zekerheid benemen, zoals wij ook zeer bedanken voor het compliment dat de Geref. Bond de moderne mens het best vatten kan, omdat de Bond het best met de moderne mens weet wat twijfel en onzekerheid is. Wij willen iets anders stellen, n.l. dit, dat het geloof haar zekerheid in zichzelf heeft. Het geloof brengt altijd zekerheid mee. „Het geloof", zegt Hebr. 11 : 1, „is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet". Als het geloof haar zekerheid in zichzelf heeft, dan heeft kleingeloof, toevluchtnemend geloof zijn zekerheid, zo goed als het bevestigd geloof, het heeft die echter in mindere mate. Het zich rechtvaardig voor God weten, uit Zondag 23 van de Catechismus, wordt dan ook niet afhankelijk gesteld van het geloof zonder meer, maar hiervan, in hoeverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem. Soortgelijk nu spreekt ook het juist geciteerde Artikel 10.

De zekerheid spruit uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard. De beloften van het Woord zijn er om gelezen te worden in hun rijke verscheidenheid. De beloften van het Woord zijn er ook om gepredikt te worden in die verscheidenheid. Wij beloven zo weinig eens wat aan de gemeente in de prediking en wij beloven zo weinig eens wat aan de mensen in het pastorale gesprek. Onze bediening is te weinig een bediening der hoop, een bediening van de troost. Wij kennen goed de prediking van de „enige troost" in leven en in sterven, maar wij prediken die troost te enkelvoudig. Wij laten die beloften Gods vanuit de enige troost Christus niet genoeg uitwaaieren in de zovele beloften, die in Christus Jezus ja en amen zijn. Wij voelen ons wat zekerder, als wij de gang der bekering prediken, de zekerheid in Christus, de vastheid in Hem, dan wanneer wij ons bewegen in de kanalen tot die zekerheid, in de menigvuldige vertroostingen van Christus.

Het tweede wat Art. X over deze zekerheid zegt is dit, dat zij spruit uit het getuigenis van de Heilige Geest, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn. Hier is dat subtiele getuigenis van de Geest in de harten. Het is niet zozeer het spreken van de beloften Gods (daarover ging het juist), het is het medegetuigen met onze geest. Het leert naar Romeinen 8 : 15, waar wij lezen: „Want gij hebt niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze, maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: „Abba, Vader". Het leert de menselijke geest twee dingen getuigen: „Abba" en „kind". Naarmate het Abba in onze geest gaat klinken, naar die mate gaat ook het woord „kind" in onze geest klinken. Dat zeggen wij dan zelf op het vóórgetuigenis van de Heilige Geest. Dat zegt onze geest na. Naarmate God, de Vader in Christus, groter wordt, naar die mate wordt de mens weer kind, wordt hij kleiner, afhankelijker.

Maar naar die mate wordt hij ook meer erfgenaam, want de erfenis ligt in Gods vaderschap vast voor al de kinderen.

Dit is toch iets anders dan de cultus van de vrome mens. Ik denk aan het bekende vers uit de Psalmberijming van Datheen: „Geen groter goed Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij maakt nederig en kleine". |

Het derde, wat Art. X noemt tot zekerheid, is de ernstige en heilige oefening van een goed geweten en van goede werken, opdat zij de overwinning behouden zullen. Twee dingen worden hier samen genomen, de oefening tot goede werken en de oefening van een goed geweten. Er is oefening nodig, om het leven te laten functioneren in daden en er is een voortdurend bijstellen nodig van de zuiverheidsmeter, n.l. het geweten. Het geestelijk leven wil gezien worden in daden en in daden, die altijd weer opnieuw gemeten moeten worden door dat fijne instrument van het geweten in ons, afgericht, afgestemd aan het woord Gods en aan de Wet Gods. Dit geeft de laatste zekerheid, die voor onze gemeenten nodig is en die ook onze gemeente zo vast doet staan in een verward kerkelijk leven van vandaag en die ook onze christenen, die ook onze religie meer vertrouwen geeft, meer gezag geeft in het kerkelijk leven. Zoveel heilszekerheid onder ons volk, ook onder onze predikanten blijft achterwege vanwege een wereldse wandel, vanwege een slordige wandel. En zoveel gezag moeten wij in de kerk en in de wereld ontberen, omdat wij veel meer zetten op de naam wetenschappelijk, veel meer op de naam aangepast, bruikbaar te zijn, dan op de naam christen te zijn. Gereformeerd christen te zijn, metterdaad.

No. 3

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEESTELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's