De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS

19

7 minuten leestijd

 

IN ADAM WAS IK.

Vraag en antwoord 9.

Vr. Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?

A. Neen, want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.

Een mens heeft veel uitvluchten. Dat weet de onderwijzer, en daarom wil hij, voor hij wijst op de rechtvaardige straf op de zonde, nog een tegenwerping van het arglistig menselijk hart onder de ogen zien.

Reeds is onderwezen dat de totale verdorenheid van de mens niet uit de schepping kan voortkomen. Want God heeft de mens met de heerlijkste gaven versierd. Zo werden we gebracht naar het paradijs, opdat we beseffen zouden de ontzettende diepte van onze val. De oorzaak ligt geheel bij de mens.

Maar toch komt — zo weet de onderwijzer — bij de mens de wrevelige vraag op of het eigenlijk niet onbillijk is, dat God nu nog van de gevallen mens eist, wat hij toch nooit kan volbrengen ?

De vraag is dus, of het recht is, dat God aan de gevallen mens dezelfde eis blijft stellen als aan de mens in de staat der rechtheid ?

Zou het bij wijze van spreken niet onrechtvaardig zijn van de mens te eisen dat hij alwetend als God zou zijn.

Ja, dat ware onrecht. Maar de vraag is of het hier ook zo gesteld is ? Immers, de mens is nooit alwetend geweest, doch heeft daarentegen wel zijn levenswet kunnen vervullen.

Daarom blijft er geen uitvlucht over en kan onze onmacht nooit door ons ter verontschuldiging worden aangevoerd.

Toch hanteert de mens altijd weer het leerstuk der onmacht. Nu gebruikt hij het als een staf om er op steunend te blijven in zijn onbekeerde staat, dan als een schild om Gods pijlen er mee af te weren. Er is in dat opzicht misschien wel geen moeilijker mens dan de gereformeerde letterbelijder. Hij lastert echter God als hij de Waarheid gebruikt om zijn goddeloze onbekeerlijkheid uit te leven. Hij balt zijn vuist haar de hemel, juist in het schijn-nederig belijden zijner onmacht en beschuldigt God eigenlijk: God doet onrecht, als Hij van mij eist, wat ik niet doen kan.

Het is wel erg om de waarheid in de mond te hebben en de leugen in het hart.

Gods Woord laat ander licht opgaan over dit moeten en niet kunnen. Daarom spreekt het geloof een geheel andere taal. En niets anders heeft recht van spreken. Indien we leerden buigen voor Gods majesteit en Woord, scha­men we ons over onze vroegere gedachten over God. We kunnen dan Gods wegen met ons niet meer bezien vanuit ons eigengerechtigd vlees, maar verstaan ze en beoordelen ze vanuit het standpunt van het geloof.

Het waarachtig geloof komt de pelagiaan en de remonstrant niet één millimeter tegemoet. Het handhaaft de volkomen verdorvenheid van de mens en zijn onmacht ten goede, omdat de ziel met zwijgende mond zijn diepe val in Adam heeft gezien. Tegelijk handhaaft het echter toch ook, dat God volkomen in Zijn recht is, als Hij in Zijn wet van ons eist wat we thans niet kunnen doen.

Beide zaken zijn een levende werkelijkheid voor het geloofsbewustzijn van de Kerk. Hoezeer wordt de eis van Gods wet voor de ontdekte zondaar een direkte, gestrenge en rechtvaardige eis! Hoezeer ligt hij daar schuldig-onmachtig en verloren tegenover!

Was het niet zo, dan zou de vrije genade Gods geen vrije genade zijn, dan zou Jezus geen volkómen Zaligmaker zijn. Hij kan toch alleen maar een volkomen Verlosser zijn van geheel schuldig-onmachtigen en verlorenen. Als we niet naar recht onder de wet veroordeeld lagen, zou Christus Zijn leven gegeven hebben voor een onrechtvaardige zaak.

Dat strijdt met Gods Woord en met de bevinding van al Gods kinderen. Het is godslasterlijk om het te denken. Daarom komt op de vraag: „Doet dan God de mens geen onrecht? " het krachtig „Neen". Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is, want al Zijn wegen zijn gericht. God is waarheid, en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is Hij.

Het zou genoeg zijn om het hierbij te laten. God behoeft geen verdediging. Doch het is nuttig om nader te bezien hoe het geloof dit verstaat en doorleeft.

We kunnen de vraag stellen, hoe in het licht der Heilige Schrift de toerekening van Adams zonde aan zijn nakomelingen gezien moet worden.

Reeds eerder wezen we erop, dat de mens, als hij door Woord en Geest naar het paradijs wordt teruggeleid, zijn lotsverbondenheid met Adam en het gehele menselijke geslacht leert kennen.

We zijn maar niet als millioenen korrels zand naast elkaar gelegd, maar leven in verband tot elkaar als de bladeren èn takken van eenzelfde boom, die alle opkomen uit eenzelfde stam en wortel. Wij vormen samen het ene menselijke geslacht.

Die lotsverbondenheid is niet te ontkennen. Ze dringt zich ook in het dagelijks leven steeds weer aan ons op. Wij kunnen immers in elkaars toestand enigszins inkomen en delen in elkaars vreugden en smart, In Adams zonde vinden we onszelf terug. Dat zou niet kunnen, zo we geheel vreemd van elkaar waren.

Deze eenheid en lotsverbondenheid is naar Gods souvereine scheppingsordening. Adam stond daar als ons Verbondshoofd en onze vader. Hij vertegenwoordigt het hele geslacht der mensen, zoals een graankorrel de hele akker graan vertegenwoordigt, die uit haar voortkomt. Met Adam staat of valt de hele mensheid. God stelde Adam met zijn gehele nageslacht in een verbond. Zijn leven was ons leven. Zijn overtreding is de overtreding van zijn nakomelingen, zijn val hun val, zijn verdorvenheid hun verdorvenheid, zijn schuld hun schuld.

Alzo heeft God het gesteld naar Zijn souverein welbehagen. Wie durft te beweren, dat Hij daartoe geen vrijheid had? Zal het leem tegen de pottenbakker zeggen: Waarom hebt Gij mij zo gemaakt? — Wie zal hier zijn zonde kunnen goedpraten en.zijn schuld verbloemen? Beter is het om God in Zijn souvereiniteit te erkennen en te belijden: Wij, wij hebben gezondigd!

Heeft God de mens iets te kort gedaan? Heeft Hij hem niet zo geschapen, dat hij met zijn gehele nageslacht in eeuwige gelukzaligheid leven kon? Wie heeft dan de euvele moed om zijn Schepper tegen te spreken, als wij allen van God moedwilig zijn afgevallen?

Het „door eigen schuld" wordt een verpletterende waarheid voor ieder, die zich één kent met Adam, zoals het ook is.

Ja, dat bewust zijn van de eenheid van het gehele menselijke geslacht moet ons weer worden bijgebracht. Want ook dit besef is door de zonde afgestompt.

Verzwakt vinden we het nog wel terug in de naaste bloedverwantschap. Het schaamrood stijgt immers bij de kinderen naar de wangen, als b.v. vader door eigen schuld failliet gaat. Een schande, de gehele familie aangedaan, wordt als een persoonlijke doorvoeld. De spanning, waarin een zus of broer verkeert, deelt zich mee aan het gehele gezin.

Maar dat de zonde en schande van onze eerste vader ons niet doet blozen, en zijn zonde niet als onze zonde, zijn schuld niet als onze schuld gevoeld wordt, komt daarvan, dat ons geweten zo bot is geworden en ons gemeenschapsgevoel zo afgestompt.

Gaat de Heilige Geest wederbarend het verstand verlichten en het geweten scherpen, dan komt dan ook dat gemeenschapsbewustzijn naar boven. Dan krimpt de ziel ineen: In Adam was ik; ik ging door eigen schuld verloren.

Als we het mogen zien, geborgen in Christus, dan verteert het ons niet meer. Maar als de ziel aan deze waarheid ontdekt wordt zonder Christus te kennen, komt het hele gewicht van deze erfschuld op haar af: Moedwillig afgevallen!

Lotsverbonden zijn we met elkaar, met ons voorgeslacht, met onze eerste ouders, Adam en Eva.

In dat besef getuigt het geloof. We denken aan de regels: Wij hebben God op 't hoogst misdaan. Wij zijn van 't heilspoor afgegaan, ja wij, en onze vaderen tevens enz.

Zo wordt het werkelijkheid, dat de zonde en schuld der ganse wereld onze schuld en zonde is. Dat is geen dweperij, geen ziekelijk schuldgevoel, maar een werkelijkheid, waarin God ons zet. En zo wordt het getuigenis van Paulus ons eigen woord: Mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied.

Wat een werk heeft Christus verricht, en wat een werk heeft de Heilige Geest aan ons! !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's