DE RECHTSPRAAK
Wanneer wij enigszins thuis zijn in de H. Schrift, dan zal het ons opgevallen zijn, dat daarin de rechtspraak én een eerlijke manier van rechtspreken voortdurend naar voren komen. In een van de gelijkenissen neemt de Heiland als voorbeeld een rechter, die God niet vreesde en geen mens ontzag. Een weduwe komt tot hem en vraagt hem haar recht te doen. Hij wil een lange tijd niet, maar omdat de weduwe aanhoudt, vervult hij tenslotte haar wens. Deze rechter wordt dan door de Here Jezus een onrechtvaardige rechter genoemd.
Ook het Oude Testament spreekt in dezelfde geest. Deut. 27 : 19 zegt: Vervloekt hij, die het recht van de vreemdeling, van de wees en van de weduwe buigt.
De psalmdichter zegt in Ps. 82: Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen en het aangezicht der goddelozen aannemen? Doet recht de arme en de wees, rechtvaardigt de verdrukte en de arme.
De profeet Jesaja zegt in Jes. 5 : 23: Wee hun, die voor een geschenk de schuldige vrijspreken en de rechtvaardige zijn gerechtigheid ontnemen.
Ook de geschiedenis van Kaïn bewijst, dat de Here geen onwillekeurige wraak toelaat. De Here behoudt zichzelven het oordeel over Kaïn voor. Als Kaïn meent, dat al wie hem vindt, hem zal doden, dan staat de Here op en zegt: „Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden". En Hij stelt een teken aan Kaïn, „opdat hem niet versloeg, al wie hem vond". In deze omschrijving wordt het ons voorgehouden, dat er een door God gestelde rechtsorde is, die Kaïn bewaart en behoedt voor de willekeurige wraak van anderen. Kaïn's geweten boezemde hem de vrees daarvoor in, maar de Here neemt door de instelling dezer rechtsorde de vrees daarvoor weg, al zal Kaïn aan het rechtvaardig oordeel Gods niet ontkomen.
Zo zien wij allerwegen, dat de H. Schrift het recht gehandhaafd wenst te zien en dan moet er natuurlijk ook een insteUing zijn, die dit recht handhaaft. Ook daarover laat de H. Schrift ons niet in het duister. Dit behoort tot de taak der overheid. Dit blijkt duidelijk uit Rom. 13: Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersoon, maar wèl als hij verkeert handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. Wie het goede doet, behoeft niet bevreesd te zijn voor de overheid, wèl wie kwaad doet. De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs. Het zwaard is steeds een instrument geweest om iemand het leven te benemen. De misdadiger moet er dus mede rekenen, dat hem zelfs het leven benomen kan worden. Een andere vertaling zegt: zij is een wreekster om toorn te brengen over hem, die het kwade doet. In Gods dienst is de overheid een wreekster om „toorn", strafoefening te brengen over de kwaaddoener. Onder „toorn" hebben wij hier te verstaan de toom Gods, die in en door middel van de straf der overheid openbaar wordt over het gekrenkte en geschonden recht Gods. De overheid is dus „uitvoerder van Gods toorn".
Het recht en het wezen der straf is hierin zeer klaar uitgedrukt. We hebben hier belangrijke uitspraken over de grond van het gezag der overheid, maar ook over de grond van het strafrecht en het recht van beschikking, dat de overheid heeft over het leven der onderdanen. De overheid, die het recht bedeelt, doet dit van Godswege, ontleent haar orsprong en macht aan Hem en niet aan een besluit van de gemeenschap; in de straf, die zij oefent, ook de doodstraf, is een element van vergelding voor het geschonden recht, dat in Gods wil gegrond is. De doodstraf, die zij het recht heeft toe te passen, is niet een doodslag, niet een verweer van de maatschappij tegen degenen, die voor de goede orde gevaarlijk of schadelijk zijn, nog minder een zich vergrijpen van de ene mens aan het leven van de ander; maar een handhaven en uitoefenen van de majesteit van het goddelijk recht. Grond en maatstaf voor de straf is dus niet het belang of de veiligheid der maatschappij, maar de positie en roeping der overheid als „dienares Gods".
Dat met een juiste handhaving van het recht, bij een recht verstaan van de roeping der overheid de orde en veiligheid en het belang der maatschappij het best gediend zijn, ligt in het wezen der zaak. Doch dit wettigt nog niet, dit belang der maatschappij tot de rechtsgrond voor de straf, het strafrecht en de strafwetten te maken. Kort en kernachtig zegt Calvijn: „Dit is een belangrijke plaats om het zwaardrecht te bewijzen; want, indien de Here door de overheid met het zwaard te wapenen haar ook het gebruik daarvan heeft bevolen, gehoorzaamt zij aan Zijn geboden door de wraak des Heren uit te voeren, zo vaak zij schuldigen met de dood straft. Derhalve strijden zij tegen God, die menen, dat het niet geoorloofd is het bloed van misdadige mensen te vergieten".
Rom. 13 : 5 vervolgt dan ook: Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil.
Men moet dus de overheid niet alleen gehoorzamen uit vrees voor straf, maar omdat men zich tot gehoorzaamheid en onderwerping aan de overheid gedrongen weet; in erkentenis van oorsprong en recht der overheid.
De wetgeving zal een algemene erkenning kunnen vinden, omdat er een algemene openbaring Gods is volgens Rom. 1 : 19, 20. Er is algemeen een zeker besef van goed en kwaad, enig begrip, dat het goede geoorloofd en het kwade verboden is. Dit is reeds zo in de heidenwereld; hoeveel te meer in landen, waar de christelijke kerk meer of minder invloed heeft. Zelfs in kringen, die niets met de kerk willen te maken hebben, zullen nog bij wijze van traditie zekere christelijke normen hun invloed blijven uitoefenen. Bij deze beseffen van recht en onrecht zal de wetgever zich kunnen aansluiten. De rechtspraak zal zo juist mogelijk moeten worden uitgeoefend. Om dit te bereiken is het gewenst, dat deze rechtspraak onafhankelijk is, zodat geen belanghebbende op enigerlei onjuiste wijze de rechtspraak zou kunnen beïnvloeden. In alle beschaafde landen heeft men dan ook deze onafhankelijkheid zoveel mogelijk bevorderd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's