De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie zijt Gij, Heere?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie zijt Gij, Heere?

Meditatie

7 minuten leestijd

En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heer e zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Handelingen 9 vers 5.

Saulus ligt ter aarde, geveld door de bliksem waarin Christus hem verschijnt. Hij weet niet, dat het Christus is, maar hij vermoedt het. Hij werd bij zijn naam geroepen, zo indringend en zo ontdekkend: Saul, Saul. Saul die David vervolgde, terwijl God David verkoren had. Hoe spant het in zijn ziel, de hoogspanning van de waarheid. Onder die hoogspanning wordt deze vraag gesteld: Wie zijt gij, Heere? Een onnozele vraag, een onnodige vraag? Toch niet. De vraag wordt niet voor de vorm gesteld, hij schreeuwt om een antwoord. Wie spreekt er eigenlijk met hem? Is het dan toch waar, wat Stefanus gezien en gezegd heeft? Leeft Jezus? Alles hangt van het antwoord af, Saulus moet zekerheid hebben. En hij krijgt zekerheid. Wat het woord Heere voor hem inhield kunnen wij niet weten. Was er reeds een aanvankelijk kennen van Christus, een erkennen? Het doet ook niet ter zake. Want dat Woord wordt in de tekst nadrukkelijk overgenomen: En de Heere zeide. Dat kan er maar één zijn: de Heere Jezus Christus. Hij spreekt met macht. Daarom is het antwoord zo kort: Ik ben Jezus. Nu weet Saulus waar hij aan toe is. Jezus! Dus toch. Jezus die gekruisigd was, gestorven en begraven, Jezus leeft! Wist Saulus dat dan niet. Hij wist het inderdaad niet. Hij had het kunnen weten, maar hij hield de waarheid in ongelovigheid ten onder. Hij wilde het niet waar hebben, in geen geval. De onwetendheid is niet zo onschuldig als het lijkt. Er schuilt zoveel onwil in. Zich niet gewonnen willen geven, omdat dan alles onderste boven gaat. Nu weet hij het, het wordt hem geopenbaard; hij gaat de naam bij dat hemelse licht spellen; Jezus.

Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Dat klopt. Het dreunt door zijn hart heen. Ik ben. Het is de mokerslag, waardoor zijn hart gebroken wordt. Als Jezus leeft,  als Hij hier bij Damaskus handelend optreedt, en zich openbaart onder tekenen van hemelse gloed en hemels geluid, dan is heel Saulus leven een vergissing, een vreselijke vergissing. Gij, tegen de grond geslagen, vervolgt Mij, de ten hemel gevarene? Dan is die vervolging een vergissing. Gij ligt daar voor dood en Ik ben de levende tot in eeuwigheid. Wat vervolgt gij Mij? Dwaasheid nietwaar. Overmoed. Opstandigheid die Ik kan dempen in de diepten van de dood. Saul, Saul. Ik ben Jezus. Dat is verhelderend in hoge mate. Zo maken die twee kennis met elkaar. Aangename kennismaking? Dat zal het vervolg ons leren.

Deze openbaring haalt een streep door Saulus leven. Zijn leven werd gekenmerkt door een grote ijver voor de wet. Door een vroomheid, die aan Jezus geen plaats liet, of het moest de plaats aan het kruis zijn. Saulus dacht zich zonder Jezus te kunnen redden, de naam alleen al maakte hem korzelig. Nu kan hij er niet meer omheen: Ik ben Jezus. Dan is hij aan het eind. Dan is alles wat hij bij elkaar gespaard had van nul en van gener waarde. Schade en drek, zegt hij later. Wat een ontnuchtering. Saulus bots tegen Jezus op. Wie zijt gij Heere? Hij prevelt geen verontschuldigingen, want hij is schuldig. Zijn eigen gerechtigheid stelt hem schuldig. Vindt u Paulus geen gewonderenswaardig apostel. Wat had hij een inzicht in de waarheid Gods. Hoe vaak slaken wij de verzuchting, wanneer wij zijn brieven lezen: Dat was Paulus. Hij steekt ver boven het gemiddelde uit, en menigeen moet op zijn tenen gaan staan, om nog wat te lijken. Toch blijven we graag dicht bij hem. Zoals Paulus, dat is wel begeerlijk! Maar bij de bekering van Saulus, blijven we liever wat uit de buurt. Wij weten er niet goed raad mee. Sommigen verklaren de bekering voor overbodig; zij zijn volgelingen van Jezus, zij vervolgen Hem niet. Meerderen geven de voorkeur aan een andere bekering, zij schrikken wat van deze geschiedenis. Dat is toch niet nodig, dat plotselinge, en die openbaring. Nu, wij behoeven deze bekeringsgeschiedenis niet als norm te nemen. Hoe het er naar toeging hangt immers zeer nauw samen met de roeping van Saulus tot apostel. Het hoe is trouwens niet zo belangrijk, wij moeten het niet krampachtig net zo willen beleven.

Toch vraag ik u; waarom schuwt u deze Saulus? Omdat u geen Saul wilt heten? Omdat u meent vóór Jezus te zijn? Tegen Hem, in de grond tegen Hem, dat verdraagt ons godsdienstig gevoel niet. De godsdienstigheid in al haar vormen misleidt ons aangaande onze vijandigheid. Dat is een hard woord, ik geef het toe: vijandigheid. De zaak is echter nog harder, nog erger.

Komt eens wat naderbij: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Kan dat van u en mij niet gezegd worden? Wat doen wij dan met Jezus? Wie kan met Hem wat beginnen, wanneer hij niet met het zijne aan het einde komt? Werd dat bij u het geval, dan hebt u ontdekt, hoe lang u het zonder Hem zocht te redden. Hoe u niets van Hem moest hebben, als u dit maar had en dat maar deed. Niets van Hem moeten hebben, dat is Hem vervolgen om Hem uit de weg te ruimen. Zijn het onze zonden? Het zijn veel meer onze deugden, die Hem dat aandoen. Het is dat taaie streven om onze eigen gerechtigheid op te richten. Dat is de paal waaraaan Christus gekruisigd wordt.

Waar Jezus zich aan Saulus openbaart, daar behaagt het God tegelijkertijd Zijn Zoon in Hem te openbaren. Anders was Saulus tegen deze Jezus te pletter gelopen, de wanhoop van Saul had hem bij de keel gegrepen. Nu wordt hem de naam Jezus uitgelegd, ingeprent: Zaligmaker. Ik ben niet gekomen. Ik ben u hier niet tegen gekomen, om u te verderven, maar om u te bevrijden en te behouden. De kennis van die naam is nog maar heel gering; toch verstaat Saulus er door de Heilige Geest iets van, dat er voor de voornaamste der zondaren — en dat is hij — zaligheid is in deze Naam. Eeuwig wonder van genade. Wie zo tegen Jezus aanloopt, die werpt Hij niet weg. Integendeel, Hij vangt hem, als een dodelijk verwonde op. Ik ben Jezus, hoort ge dat goed Saulus.

Dodelijk verwond, dat wel. Zo verder leven, dat kan niet meer. Dat kon eigenlijk al lang niet meer. Want Saulus verwondde zich reeds eerder aan deze Jezus: Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Wilde de os, die voor de ploeg gespannen was, niet vooruit, sloeg hij achteruit, dan hield de boer zijn scherp gepunte stok achter het dier. Dan was het hard de verzenen tegen de prikkels te slaan, het deed pijn, een en andermaal. Het is u hard, zegt Jezus. De vervolger werd reeds lang gevolgd. Hij wilde niet in de weg des Heeren gaan, de weg des geloofs. Hij was weerbarstig, hij schopte tegen de prikkel. Was de dood van de eerste bloedgetuige geen aansporing in Saulus' leven. En de woorden die Stefanus toen sprak? Hij verzette er zich tegen, het ging van kwaad tot erger, hij ging de gemeente vervolgen. Mag ik eens even met u praten? U werd menigmaal vermaand, soms bijna bewogen. Er waren voorbeelden, die indruk maakten. Er waren voorvallen, die het u duidelijk wilden maken: Alleen in Jezus is zaligheid. U hebt daartegen verzet gepleegd, lijdelijk verzet, dadelijk verzet. U wilde niet, dat Hij Koning werd in uw leven. Het was niet nodig, zo tenminste niet. U hebt dit verzet zo goed en zo vroom mogelijk bemanteld. Ondertussen is het u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Wat is er een gewetensnood, een gewetensangst, die als een open wond schrijnt, omdat wij voortgaan deze Jezus te verwerpen, als de enige en volkomen zaligmaker. Zou het daar niet van komen, dat u geen vrede vindt? Och, wat berokkenen wij onszelf een schade en een smart. Wat liggen we overhoop met God, omdat wij zijn zaligheid in Christus niet erkennen.

Het is u hard. Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet. Gaat er niet mee voort. Het helpt u niet, tegenover deze Jezus moet ge het onderspit delven, vroeg of laat. Waarom te laat! Hoort u het mededogen niet trillen in die hemelse stem: Saul, Saul. Gewent u toch aan Hem, geeft u aan Hem gewonnen, de eeuwige vrede zal uw deel zijn. Wie zijt Gij, Heere? Ik ben Jezus! Bij Mij is genezing, bij Mij is vergeving, bij Mij is zaligheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Wie zijt Gij, Heere?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's