De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

8 minuten leestijd

of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald. 

Ziel verloren is al verloren. De wereld verlaat hem, de hemel verstoot hem, de dood grijpt hem; arme ziel, waarheen? Daar is geen ontkomen aan; plotseling stort hij hem in een grondeloze put van eeuwige duisternis en brandend vuur, dat de duivelen en zijn engelen bereid is (Matth. 25 : 41). Niets volgt hem dan zijn zonden. Dit is een grote ellende, zegt wel terecht Augustinus: „datgene, waarvoor de mensen zondigen, laten zij hier, zoals goederen, wellusten enz. en de zonden zelf nemen zij mee". Zo eindigt de dood van een mens, die niet wel geleefd noch zich intijds op de dood heeft voorbereid. Ik zeg met de leek in zijn opmerkingen: „Goedertierenste Heere Jezus Christus wat zal de ellendige zondaar, met vele en verscheidene onreinheden der zonden besmet in zijn dood beginnen die niet gezorgd heeft, toen hij leefde met tranen van verbrijzeling en droefheid de genade der rechtvaardigmaking te verkrijgen, maar in zijn onreinheid liggende al meer vervuilde? Heilige Heere Jezus Christus, de dood zal komen en niet vertragen en zal het lichaam zo scherp aangrijpen en zulk een smart en angst aandoen als niemand ooit in deze wereld of in dit leven groter straf zou kunnen dragen. Onvergelijkelijk zal de smart zijn, als de ziel van het lichaam scheiden gaat, zodat de zondaar dan niet anders zal kunnen denken dan hetgeen hij in het lichaam gevoelen zal, te weten grote en zware smarten. Geen nog zo klein lid noch enig deeltje van het gehele lichaam van de zondaar zal vrij zijn van die onuitsprekelijke smart. Daarom, Heere, staat geschreven, in de dood gedenkt men Uwer niet. Ook zal des zondaars ziel, heilige Heere Jezus dan vele smarten en angsten hebben, want als zij zal uitgaan komen de werken, die zij gedaan heeft, goede of kwade haar voor de geest en zij moet die zien of zij wil of niet en ze oordelen en met grote benauwdheid bedenken de pijniging haar be­reid en haar boven het hoofd hangende. Ook zal dan de ziel tot vermeerdering van haar smart zien, hoe de duivelen bereid en gewillig zijn om haar weg te rukken en gescheiden van het lichaam te brengen tot de eeuwige pijnen. O, barmhartigste Heere Jezus Christus, doe mij voor die verschrikkelijke en afgrijselijke ure vlieden tot uw grote genade en barmhartigheid, opdat ik van mijn zodanige zonden bedroefd zij in verbreking mijns harten, dat ik die met een grote vernedering belijd met een vast voornemen die niet weer te begaan en dat ik handel naar Uw heilige wil, opdat ik van Uwe barmhartigheid vergeving moge ontvangen en gerekend worden onder wie U loven ten eeuwige leven. Amen".

Daarentegen, hij kan niet kwalijk sterven, die wel geleefd heeft, zegt Augustinus. Zijn leven is hem, geweest een voorbereiding op de dood, opdat de dood zou worden een ware ingang ten leven. Doordat hij zo dikwijls aan de dood gedacht heeft is hem die gemeenzaam geworden, zodat hij niet meer vreest noch de naam noch de tegenwoordigheid van de dood. Hij heeft geleefd, los van de wereld en daarom zo hemels.

Noch ook vreest hij het oordeel na de dood, wetende, dat hij een genadig God heeft, tegelijk Rechter en Vader, ja ook Broeder en die zich niet schaamt ons zijn broeders te noemen. In zijn sterven ziet hij dan uit naar een leven, omdat hij in zijn leven zo dikwijls op dit sterven gezien heeft, omdat de dood zelf een dood is en daarom zingt hij vrolijk de dood in het aangezicht: O, dood, waar is uw prikkel? Niets kan haar vasthouden, daar zij nu begeren en verlangen om ontbonden te zijn en geen leven is hun zoet als de dood; Vele moeiten, die zij hier gedurig hebben verdragen, leggen zij nu tezelfder tijd af en zij beginnen rust te gevoelen gelijk als in de haven. Zij verfoeien alles en zichzelf in vergelijking met wat daar boven is; daarnaar zien zij, daarheen rekken en strekken zij de handen omhoog om het te grijpen. Zij wenen over de ijdelheden der wereld, uit droefheid, over de heerlijkheid van de hemel uit vreugde en zien zich op een grote reis van de aarde naar de hemel, maar waarheen God hun zal brengen door zijn engelen tot bij en voor Hem. Evenals Chrysostomus verhaalt van de dood der asceten, mensen, die in de Oude Kerk een bijzonder heilig leven leidden en zich gedurig beijverden om de wereld af te sterven en zich met God te verenigen, steeds bezig in de overdenking van hun nietigheid en de gemene vergankelijkheid dezer wereld, waarom zij gewoonlijk in de geschriften der ouden filosofen genoemd worden en hun beschouwing een filosofie. Chrysostomus beschrijft op deze wijze hun afsterven: Stervende weten zij van geen dood. De afgestorvenen vereren zij met gezangen, wat zij een eer noemen liever dan een begravenis. En als de tijding ontvangen wordt, dat deze of die gestorven is komt er vreugde: ook durft niemand zeggen: hij is gestorven, maar hij heeft het volbracht en men bidt, dat elk zulk een einde mag hebben en op deze wijze de strijd volbrengen en van zijn strijd en arbeid tot rust komen en Christus zien. Als iemand ziek wordt, dan is er geen geween en geklaag, maar gebed; niet het medicijn, maar het gebed heeft de zieken menigmaal geholpen — en als medicijnen nodig zijn, dan wordt hier met alle ingetogenheid en verdraagzaamheid gehandeld. Daar is geen vrouw, die zich het haar uittrekt noch ook kinderen, die over hun verlies klagen voordat het er is, noch ook knechten, die om een gunst vragen, maar vrij van deze allen verlangt de ziel alleen haar laatste vertrek, opdat zij verlost tot God zouden verhuizen. — Geen andere dood heeft hij te verwachten, die zo leeft. De dood is hem niet bitter, want hij heeft die al tevoren geproefd en in een voorbereiding heeft hij zijn ziel al aan God gegeven, die hem nun komt halen. Wat hem van alle moeiten in dit leven het zwaarst viel wat hem menigmaal deed uitroepen: ik, ellendig mens, wie zal mij verlosen van het lichaam deze doods, die gedurige strijd en kwelling over de zonden is nu bijna ten einde en hij ziet als door storm en vuur een zachte stilte, waar God in is.

Hoe gevoelig nu zijn hoop op God is en hoe groot zijn vrede en vreugde is, kan niemand, ook hijzelf niet anders uitdrukken dan dat zij alle verstand te boven gaan. Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn, zegt David (Ps. 4 : 8, 9) en daar op volgt: Ik zal in vrede tezamen nederligggen en slapen, want gij Heere, alleen zult mij doen zeker wonen.

Zo spreekt de mond uit de volheid des harten, tot een verkwikking, alle anderen tot verwondering. Christus leeft in hen en zij in het geloof van Christus Jezus, daarom volgt: Ik heb geloofd, daarom spreek ik (2 Cor. 4 : 13). Hierna gaat de ziel scheiden en vaart op naar de hemel, dankende en zingende: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop beëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der heerlijkheid, die mij de Heere de rechtvaardige Rechter in die dag geven zal en niet alleen mij, maar allen, die zijn verschijning hebben liefgehad (2 Tim. 4 : 7, 8). Zoals Cyprianus zeide, toen hij gedood zou worden: Deo gratias. God zij dank. Zo beschrijft Hieronymus de dood van zijn (vriend) Nepotianus: Als zo zijn begin was, hoe was zijn einde? O, ellendige staat des mensen en buiten Christus alles ijdel, wat wij leven! Zijn gezicht straalde van blijdschap en terwijl allen, die rondom hem stonden weenden, lachte hij alleen. Hij wierp zijn rok van zich, breidde zijn handen uit, zag het geen anderen niet zagen en zich oprichtende als voor iemand die hem tegemoet kwam groette hij die. Men zou niet gedacht hebben dat hij stierf, maar verhuisde en dat hij van vrienden verwisselde, niet hen verliet. Van Fabiola getuigde hij hetzelfde: zij haastte zich als vond zij het uitstel erg, zodat men niet anders meende of zij verreisde. En daarom, omdat zij zich altijd voorbereidde kon de dood haar niet onvoorbereid overvallen. En van Helena, de moeder van de grote Constantijn zegt Eusebius, dat zij stierf in tegenwoordigheid van haar zoon de keizer, die haar steeds diende en haar handen vasthield, dat zij niet zozeer scheen te sterven als wel dit aardse en broze leven met het hemelse en eeuwige te verwisselen. Justinus de Martelaar verklaart, dat dit onbevreesd en gewillig sterven bij de christenen hem het meest bewogen heeft toen hij nog heiden was en in de Platonische filosofie vast verstrikt was om het christelijke geloof aan te nemen en de heidense dwalingen en bij gelovigheden te verlaten; terecht oordeelde hij, dat die leer en die religie, die de mensen zo goed leert te sterven en zo onbevreesd maakt tegen wat anders het meest gevreesd wordt beslist goddelijk moet zijn.

No. 12

Wordt vervolgd.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's