De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

7 minuten leestijd

In het Hervormd Weekblad schrijft prof. Van Itterzon over enkele kerkordelijke aangelegenheden, die op de komende synodevergadering aan de orde zullen komen.

Allereerst de zaak van de Noodvoorziening. Deze loopt op 1 januari 1965 af en de kerk zal zich er dus op moeten bezinnen hoe zij of terug, óf verder wil gaan. Ter synode zal men komen met een voorstel tot het stichten van mentale wijkgemeenten, zodat men (aldus prof. Van Itterzon) van het noodrecht gewoon kerkrecht zal gaan maken. Prof. Van Itterzon heeft grote bezwaren daartegen; hij noemt er enkele:

Allereerst: Als ik mijn attestatie naar de kerkeraad van gemeente X zend, en daar, behalve de „plaatselijke" gemeente, ook „mentale" oftewel richtingsgemeenten zijn, loop ik de kans een vragenformulier terug te ontvangen. Ik moet dan opgeven, wat mijn speciale kerkelijke richtingskleur is. Laat ik dan hervormd lidmaat zijn, ik kan dan bijv. terechtkomen bij de officiële kerkeraad (laat die in X dan bijv. van de Geref. Bond zijn), maar kan ook onderdak krijgen bij een van de diverse modaliteltsgemeenten, bijv. specialiteit A (midden-orthodox), of B (confessioneel), of O (vrijzinnig), of D (liturgisch-katholiek). Och, arme, als ik nu een eenvoudig gemeentelid ben, en dit allemaal niet zo precies weet, wat dan?

Een tweede bezwaar: Als we met volle zeilen de hotelkerk willen binnen halen, die prof. Kraemer zo scherp en krachtig bestreed, dan moeten we deze koers varen.

Voorts: Het ideaal van wijlen prof. Hugo Visscher is dan bereikt. We zijn dan verworden tot een administratieve kerk met diverse afdelingen. Het stemrecht heb ik dan bij de officiële gemeente, of bij A, B, C, of D. Kan ik me nu, als ik met de dominee van specialiteit nimmier zoveel onenigheid krijg, me naar believen naar elke andere hervormde specialiteitsgemeente laten overschrijven? Dat kan een warwinkel worden. De Gereformeerde Kerken in Nederland zijn dankbaar, dat ze nu wel van de gevolgen van A en B af zijn, maar de Herv. Kerk gaat er dan pas goed mee beginnen.

Ik veronderstel, dat elke specialiteitsgemeente dan eenst recht tucht zal moeten gaan oefenen, om de kleur zuiver te houden. Krijgen we daar regels voor, of wordt dat aan de beleefdheid van elke kleur overgelaten?

Elke volkskerkgedachte is dan zoek. De specialiteit krijgt onder de vlag van „mentale parochie" een ongekend sterk accent. Als we in richtingskerken uiteenvallen, vinden we de weg terug zeker nooit meer. En dat in een periode van oecumene, waarin we juist muren willen slechten! We krijgen nu mentaliteitsmuren van soliede makelij.

Prof. Van Itterzon wil op dit punt een andere oplossing aan de hand doen:

Mag ik, in bescheidenheid, een andere oplossing zoeken? Ik zou de nood eerlijk „nood" willen laten en niet verbloemen achter een mooie wettelijke gevel. Als we de kerkelijke nood erkennen willen, zullen we nieuwe overgangsbepalingen moeten bedenken, die de hoop op „overgang" levend houden. De hoop op een betere kerkelijke toekomst. 

Ik zou namelijk die noodvoorzieningen nog „onrustig" in stand willen houden, als het hier en daar niet anders kan. Uitgangspunt is dan het feit, dat een lidmaat uit X, die zich ter plaatse X geestelijk niet „thuis" voelt (dat geldt van rechts en links allebei, over en weer), in een andere gemeente kan laten dopen, aannemen; trouwen enz. Natuurlijk met inachtneming van de kerkordelijke bepalingen, maar het gebeurt toch. Op het ogenblik is het zo, dat we elkaars doop en attestatie en lidmaatschap inschrijven. Als een kerkeraad dit weigert, volgen er kerkelijke tuchtmaatregelen. Maar het wordt niet geweigerd. Men vindt het wel onaangenaam soms, maar algemeen gehoorzaEimd men de wet.

Mijn vraag is nu: als een lidmaat in X, die zich niet kan voegen onder de geestelijke bearbeiding van de wettige kerkeraad van X, in IJ wordt aangenomen en bevestigd, schriift de kerkeraad van X deze nieuwe lidmaat gewoon in. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat de kerkeraad van X, als broeder A niet in IJ wordt bevestigd, maar in de noodvoorziening in X, verplicht zou zijn, zulk een lidmaatschap (en doop en attestatie) ook in te schrijven?

Waarom zouden we dan opeens principiële redenen hebben om te weigeren? Als de kerk hier overheen kan stappen, behoeven we de rompslomp van modaliteiten-gemeenten in X niet te hebben. We hebben dan de ontbinding der plaatselijke gemeente (die anders aanwezig is) nog niet bewerkt. We blijven één gemeente, maar geven faciliteiten aan bepaalde minderheden. Dezelfde faciliteiten, die ze al hebben, als ze voor hun kerkelijke „plichten" naar IJ of Z uitwijken. Ik zeg niet, dat dit fraai is. Ik zeg wel, dat zo de noodsituatie geaccentueerd blijft en om een oplossing (een echte, broederlijke) blijft roepen. Maar dat heb ik liever dan gesanctioneerde, kerkordelijk gewettigde ontbinding de gemeente, in gekleurde sekten.

Ook de voorstellen betreffende het beroepingswerk en de mutatie, die inmiddels al op de classicale vergaderingen geweest zijn, vinden geen genade in zijn hooggeleerde ogen.

Als er niet genoeg doorstroming in de kerk is, moet men de bepaling, waardoor predikanten verplicht zijn minstens vier jaar in een gemeente te blijven, maar weer opheffen. Verder acht hij de voorstellen een te zware financiële last en te tijdrovend voor de gemeenten, en tenslotte vindt hij dat aan de geheimhouding van de kerkeraad geweld wordt aangedaan.

In het volgend nummer van het Hervormd Weekblad wijdt prof Van Itterzon een lang artikel aan de voorstellen betreffende de predikantenruil. Met een enkel rekensommetje toont hij aan dat deze voorstellen praktisch onuitvoerbaar zijn, ook al is er een vrijgestelde die al zijn tijd aan deze materie besteden kan. Overigens geloven we dat dit nog wel mee zal vallen, aangezien we de overtuiging hebben dat het op die lijsten waar predikanten en kerkeraden zich kunnen laten inschrijven om voor een verplichte en opgelegde ruiling in aanmerking te komen, niet zo erg druk zal zijn. In dit artikel wordt ons namelijk wel duidelijk gemaakt welke moeilijkheden er aan vast zitten en welke onbarmhartigheden en wreedheden het met zich meebrengt. Voor de praktijk zal het, dachten we, niet levensvatbaar blijken te zijn.

Het slot van het artikel willen we in ons overzicht overnemen:

Ik wil de eerste zijn om toe te stemmen, dat het werk van de beroepingscommissie zwaar is en hoogst verantwoordelijk. Het is me evenzeer duidelijk, dat het voor de commissie niet meevalt, predikanten èn kerkeraden tot verantwoorde ruilingen te brengen. Maar ik vrees, dat deze hardhandige manier om de zaak door te zetten, mislukken moet. Zouden wij werkelijk met een zekere dwang het gewenste doel kunnen bereiken? Zou een „voordrachtenschema" (om een woord uit het wetsvoorstel te gebruiken), van hogerhand bindend opgelegd, hier de verlangde uitkomst brengen? Zou men, hoeveel zorgen dat ook voor de commissie meebrengt, toch niet veiliger kunnen blijven bij het systeem van sollicitatie bij de commissie? Dan steekt men nieit van meet af aan zijn hoofd in de strop. Dan kan men nog in volle vrijheid met de cpmmissie praten, of men zijn gemeente wel voor X of Y zou willen verwisselen. Men zit dan ook niet aan een vijfjarenplan vast. Men krijgt geen tientallen verwisselingen in een en dezelfde novemberkrant. Er zijn ook moeilijke predikanten. Als wij hen niet pastoraal via wijze kerkvisitatoren begeleiden, verhuizen ze dus automatisch om de 5 jaren en doen zich telkens in een andere gemeente dezelfde moeilijkheden voor.

Ik hoop zeer, dat de vele ernstige, hardwerkende predikanten zich dit niet zullen aantrekken. Maar een feit is, dat de weinigen, die overal spanningen oproepen (zie het mutatierapport) om de 5 jaar zich op de lijst laten plaatsen. De kerkeraad, die in november zijn aangetekende brief opent en zulk een naam aantreft, kan ik onmogelijk benijden. De kerkeraad A moet zijn dominee wel vurig willen zien vertrekken, als hij blindelings de kans loopt om de 5 jaar een predikant te  moeten accepteren, wiens gerucht hem al vooruit snelt. Zo'n kerkeraad wil dan blijkbaar een verwisseling „tot elke prijs".

Misschien leeft hij dan nog in de gedachte, „dat de vrijheid van predikanten en gemeenten onbeperkt gerespecteerd wordt".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's