De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJK LEVEN

NAAR DE BELIJDENIS

7 minuten leestijd

Referaat gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond

Het zijn maar enkele hoofdzaken uit de belijdenis, die wij opdiepten en konden behandelen. Laat mij tenslotte het geestelijk leven nog mogen bezien met dat eschatologisch perspectief, met dat - perspectief op de toekomst, gelijk Calvijn dat in zijn Institutie ons leert in boek III, hoofdstuk IX. Calvijn handelt daar over de overdenking van het toekomende leven. Dit stuk kon, dacht ik, wat correctieve wenken bevatten voor het leven der christenen in deze tijd, niet het minst ook voor christenen uit onze kringen en het kon tevens een grote bemoediging in houden voor het kerkelijk en maatschappelijk leven, waarin de christenen onder ons zich thans bevinden. Calvijn dan betoogt eerst hoe aards de mens uit de aarde is, hoe ijdel dit aardse leven is. Alles, wat deze aarde biedt, bekoort ons en God moet al met oorlogen, roverijen en onrechtvaardige bejegeningen komen, om ons niet geheel en al in de begeerte naar wat van de aarde is te doen opgaan. Hij zegt zelfs, dat, willen wij niet al te genoeglijk het vermaak hebben van het huwelijk. God ons moet doen kwellen door de boosheid van onze vrouwen, ons moet vernederen door slechte kinderen, of ons moet treffen door het verlies van verwanten. Ja God moet ons tonen, dat heel ons leven niet dan rook of schaduw is. Hoewel dit alles ons niet mag voeren tot een haat tegen dit leven, dat op op zichzelf ook tot de zegeningen Gods behoort, en ons wil voorbereiden tot het toekomende, zo hebben wij toch veel meer de toekomende dag van Christus en de daaraan volgende heerlijkheid te overdenken. Ook wij moeten met de onbezielde natuur reikhalzend uitzien naar de open­baring der kinderen Gods. Want ons betreft dit in de eerste plaats! Wij moeten ons bewust zijn, dat 't gehele volk der gelovigen, zolang zij op aarde wonen, als schapen ter slachting bestemd zijn, opdat zij Christus, hun Hoofd gelijkvormig zijn mogen. Dit kunnen wij verdragen, als onze ogen gericht blijven op de dag der opstanding". Tot zover de gedachtengang van Calvijn.

Dit belijdenisstuk, want zo mag ik de Institutie wel noemen, zet de toekomstverwachting en de geloofswerkwerkzaamheden ten aanzien van de toekomst des Heeren, niet aan het eind, midden in de practijk der Godzaligheid. Wij hebben het aan de secten gelaten om de toekomst van Christus te verwachten. Leeft dit stuk weinig in de prediking, zeker leeft het weinig in het geestelijk leven. En bijzonder wordt er weinig nut uit gepuurd. Ik bedoel namelijk niet, dat men beschouwingen op gaat zetten over die toekomst, hoe die zal zijn, wanneer die zal zijn, zelfs niet dat men zijn gedachten alleen zal richten naar het eind der eeuwen, maar vooral ook naar de zeer nabije toekomst, wanneer voor ons de dag der eeuwigheid komt. Was in de romantiek van de vorige eeuw er een overspannen weemoedig denken aan de dood, vandaag is het leven der christenen zo „diesseitig", zo gericht op dit leven. De hoge vlucht van de cultuur, de welvaartsroes gaat aan Sions tenten niet voorbij. Ik dacht dat het stervend leven ons geheel vreemd begint te worden, dat het „de wereld verlaten" uit het doopsformulier ons niet meer als een eis des verbonds is. Dit leven is ons niet meer een gestadige dood. Wij kunnen zo weinig offers meer brengen voor God, voor de kerk. Wij weten zo weinig meer, wat het is een zelfverloochenend leven te leiden. Wij hebben wel wat erg gemakkelijk de wereldmijding als een stuk quietisme terzijde gesteld.

Hierbij moet dan komen de overdenking van de toekomstige heerlijkheid. Daarvan heeft elke christen de voorsmaak in de verborgen omgang met God, in zijn huiselijke gods-dienstoefening van bidden, lezen, overdenken en zingen en in de omgang met de Godvruchtigen, in de kerkgangen onder de bedieningen van het Woord en van de beide sacramenten. Wie, die God liefheeft in Christus Jezus de Heere, weet niet van een ziel, die bezwijkt van sterk verlangen zelfs nog maar naar deze aardse tabernakel Gods. Daar zal zijn, wat in geen mensenhart is opgeklommen. Maar daar zal ook zijn alles, waarvan wij de schaduw der dingen gezien hebben, want het is alles gemaakt naar hemels voorbeeld. En Christus, op wie al de ceremoniën zagen, heeft onder ons gewoond vol van genade en waarheid. Er kan een verlangen zijn naar wat de toekomst biedt. Er kan zelfs wetenschap van zijn. Er kan een overdenken zijn daarvan, waardoor wij de dingen als het ware naar ons toe halen. Laat mij het anders zeggen. Het Avondmaalsformulier heeft een stuk „het Sursxmi Corda". Heft dan uw harten omhoog. De Schrift zegt zelfs, dat men zijn wandel in de hemelen kan hebben. Ik meen zelfs te kunnen zeggen, dat men door zijn gebeden, door een nauw uit de Schrift leven, zijn wandelingen kan hebben voor Gods troon, voor God, de Vader, de Zoon, daar waar de zeven Geesten Gods zijn. Ik meen zelfs te kunnen zeggen, dat men gemeenschap kan oefenen hier met He triumferende kerk. Voeg daarbij dan het verlangen naar de uiteindelijke triumf van Christus bij Zijn wederkomst en u vindt ruime stof, tot veelvuldige overdenking van wat die dag u brengen zal. Zonder u te vermeien in gewaagde speculaties, door u te houden aan wat de Schrift u daarvan nu reeds openbaart, zal dat het geloofsleven vervrolijken en het geestelijk leven die spankracht en die toekomstglans geven, die anderen tot jaloersheid verwekt en God meer eer geeft. De Heere Christus zegt: „Heft dan uw hoofden op, want uw verlossing is nabij": En wie zou treurig zijn of bevreesd zijn over de dag van zijn verlossing? „Dit is onnatuurlijk", zegt Calvijn, „dat velen, die zich uitgeven voor Christenen, bevangen zijn met zulk een vrees voor de dood, dat zij bij iedere melding, die er van de dood gemaakt wordt, sidderen". Als dit leeft, dan zal er voorwaar weer de glans der hoop rusten op het gelovige volk.

Calvijn spreekt van het volk, dat al zijn tijd op aarde moet zijn als schapen ter slachting. Hij in zijn tijd kende dat, toen zij wreed vervolgd werden van oord tot oord. Wij staan zó niet in die schoenen, wij zijn geen reformatoren, geen martelaars. Laat ons ons dat niet inbeelden, dat te zijn, laat ons ons niet verhovaardigen, dat te zijn. Wel kunnen wij constateren, dat het kerkelijk en Godsdienstig leven ons voor zware opgaven stelt, wat onze persoon betreft. Het is in deze tijd iets moeilijker een christen te zijn, dan in de vooroorlogse jaren. In Oost-Europa alzo, onvergelijkelijk zwaarder nog dan hier, in Zuid-Europa al evenzeer, maar toch ook hier is het niet eenvoudig een christen te zijn. Nu een Gereformeerd christen te zijn in de politiek van vandaag onder vloedgolven van socialisme en pacifisme, dat is niet eenvoudig, om een Gereformeerd christen te zijn, metterdaad, in het kerkelijk leven van alle protestantse kerken en niet het minst van onze Hervormde Kerk, dat is geen zaak van lichtvaardige keuze. Men kan alles met rust zijn, als men het alleen in de verborgen mens des harten wil zijn, maar als dit geestelijk leven naar deze belijdenis naar buiten dringt, in getuigenissen, in een zeer bepaalde Schriftgehoorzame levenswandel, in een uitgesproken geloof, dat tevens een veroordeling inhoudt van wat buiten dit geloof ligt, dan komt het „slachtschaap van Christus zijn" binnen het gezichtsvlak en niet alleen binnen het gezichtsvlak, maar ook binnen het raakvlak. Ik zou willen zeggen: Laat ons leven wat minder politiek geaard zijn, maar wat meer geestelijk, gelovig, en het zal nut doen, ook aan anderen, 'k Word meer en meer hiervan overtuigd, dat wij in de kerk politiek slag op slag verliezen, maar dat wij geestelijk niet verliezen. En dit is tenslotte wat de wereld overwint, namelijk ons geloof.

Dit geloof, naar déze belijdenis.

- No. 4 (Slot).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEESTELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's