De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoog bevel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoog bevel

8 minuten leestijd

Gaat heer in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen. (Markus 16 : 15 en 16).

Het Evangelie aan alle creaturen te prediken, ziedaar het hoog bevel van de Koning der koningen. Dat is de opdracht van de Heere Jezus Christus aan Zijn Kerk.

Prediken van het Evangelie is de voornaamste opdracht en dat onder voortdurend toezicht, medewerking en zegen van de Koning der Kerk. (Matth. 28 : 19 en 20).

Dat betekent, dat de prediker niet zijn eigen woord, zijn eigen opvatting, zijn eigen boodschap heeft te prediken, maar het Evangelie. Daarom zal de prediker voortdurend bezig zijn in het Woord om het te leren verstaan. Dat is het voorrecht en de zegen van de dienstknecht. „Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.

Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet".

Johannes voegt hieraan nog iets toe, dat heel ernstig is: „Het Woord, dat gijlieden hoort is het Mijne niet, maar des Vaders, die Mij gezonden heeft". (Joh. 14:23 v.).

Dit woord van de Christus heeft diepe indruk op Johannes gemaakt: die het Woord van de Christus verwerpt, verwerpt het Woord des Vaders, die Hem gezonden heeft. Telkens weer heeft hij het gehoord uit de mond des Heeren en telkens weer getuigt hij ervan: Joh. 7 : 16; 8 : 28; 12 : 49; 14 : 10.

En wat de Christus van zichzelf getuigt, dat zegt Hij ook van de Geest der waarheid: Hij zal u in al de waarheid leiden; „want Hij zal van zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal ge­ hoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen". (Joh. 16 : 13).

Deze getuigenissen van de Heere Jezus Christus bevestigen tegelijk de goddelijke Drieëenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest en de goddelijke waarheid van het Evangelie, zoals Hij ook elders getuigt: „Mijn leer is de Mijne niet, maar Desgenen, die Mij gezonden heeft.

Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan, of Ik van Mij zelven spreek. (Joh. 7 : 16—17).

„De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen, want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hij doet, en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert. Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; opdat zij allen de Zoon eren gelijk zij de Vader eren. Die de Zoon niet eert, eert de Vader niet, die Hem gezonden heeft". (Joh. 5 : 19—23).

Men ziet hoe innig de betrekking tusten de Vader en de Zoon is. Wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon. Er is niets, wat de Vader doet, wat de Zoon niet weet. De Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles, wat Hij doet. Zo nauw en eensgezind zijn Vader en Zoon verbonden, dat de Vader de Zoon ook het oordeel heeft gegeven, opdat zij allen de Zoon zullen eren, zoals ze de Vader eren.

In Johannes 14 spreekt de Christus nog nader over het innerlijk wezensverband tussen de Zoon en de Vader in antwoord op een vraag van Filippus: Heere, toon ons de Vader.

Toen zeide de Heere Jezus tot hem: Ben Ik zo lange tijd met ulieden en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien, en hoe zegt gij: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, die in Mij blijft. Dezelve doet de werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve. (Joh. 14 : 9 v.v.).

De discipelen hadden het klaarblijkelijk nog niet begrepen en de Heere Jezus Christus wist het en gaf de belofte van de Heilige Geest: „Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid, n.l. de Geest der Waarheid, welke de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. (Joh. 14 : 16—17).

Die Geest zal hen onderrichten omtrent de goddelijke geheimenissen, want die Geest zal hun leren, wat ze nu nog niet verstaan. Door de inwoning van die Geest: (Wij zullen woning bij hen maken) zullen ze de woorden van de Christus leren verstaan: In die dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij en Ik in u. (Joh. 14 : 20). Dan zullen ze ook die andere woorden beter verstaan.

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven. (Joh. 5 : 24).

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in der eeuwigheid. (Joh. 8 : 51).

Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.

En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.

Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één. (Joh. 10 : 27—30, (Vergelijk ook Joh. 6 : 39; 17 : 12; 18 : 9).

Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en word van de Mijnen gekend. (Joh. 10 : 14).

Zo juist hebben we gelezen, dat de schapen de Christus van de Vader gegeven zijn. Bij de Heere God is het dus een bekende en welbesloten zaak. Wij weten trouwens, dat de Heere God de Zijnen in Christus uitverkoren heeft voor de grondlegging der wereld. (Efeze 1 : 4). Het is heel erg duidelijk en het staat er heel erg duidelijk, en toch zijn de mensen, ja de kerken op aarde altijd weer bezig om met deze zaak te knoeien en zo mogelijk een algemene verzoening te leren.

In het gesprek met Nicodemus komt het zo duidelijk uit: De Heere Jezus zegt tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees, en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest.

Verwonder u niet, dat Ik gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. (Joh. 3 : 5 v.v.).

Mijn spijs is, dat Ik doe de wil Desgenen, die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbrenge, spreekt de Heere. (Joh. 4 : 34).

Zo moest het met ons, met de mens, óok zijn: doen de wil van onze Schepper. Maar dat doen wij niet, dat is juist onze zonde en ons oordeel voor God. Wij hebben er geen lust in de wil des Heeren te doen en verstaan klaarblijkelijk niet, dat dit nu juist onze verloren toestand is, en dat wij in de hemel bij God niet zouden kunnen verkeren: „Ga weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid". (Luk. 13 : 27).

Immers een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde. En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in huis, de Zoon blijft er eeuwiglijk. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. (Joh. 8 : 36).

Vrij maken betekent dus vrij maken van ons oordeel, vrij maken van onze verloren staat. Dat is niet alleen vergeving. Vrij maken is meer radicaal. Vrij maken is er uit verlossen, er uit opheffen en in een geheel nieuwe staat brengen, zoals de Zoon dat doet met degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Vrij maken, dat is de zonde van dat volk, dat Hem van de Vader gegeven is, op Zich nemen, het oordeel des doods voor hen dragen en een nieuwe mens voortbrengen. (Efeze 2 : 1—10). En nu is het vanzelfsprekend, dat de Heere Jezus Christus ze allen tot het nieuwe leven roepen zal, die Hem van de Vader gegeven zijn. Hij heeft ons ook héél niet nodig om dat werk te volbrengen, maar Hij wil door Zijn Kerk gediend worden ook bij de toevergadering uit de geslachten. Daartoe heeft Hij Zijn Woord en hoog bevel gegeven. Maar daarom moeten wij niet naar menselijke inzichten en begeerten Gods Woord veranderen en naar onze aardse voorstellingen en vrijzinnigheden verkondigen, maar Zijn Woord bewaren en getrouw preken, opdat we niet ons gehoor verleiden en zelf verloren gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hoog bevel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's