UIT DE PERS
Schrijvend over Midden-orthodox Kerkbeleid wijst prof. Van Itterzon er op in het Hervormd Weekblad dat dit beleid menigmaal te geeft, dat de midden-orthodoxie in de kerkpolitiek de zijde van de vrijzinnigen kiest. Hij memoreert dat deze mensen zich in een bepaald concreet geval sieren met de naam H-mensen. Elders wordt het weer aangeduid met „nieuwe koers" of „nieuwe stijl". De benaming H-mensen wil dan te kennen geven, dat deze mensen pas bij uitstek Hervormd zijn. Zij zijn dé enig-echte, de enig-ware, de enigwetenschappelijke, de enig-culturele enz. De anderen zijn dan vanzelf niet-echt, niet-wetenschappelijk, conservatief, ouderwets, bekrompen, niet-bij-detijd.
Prof. Van Itterzon gaat dan pleiten voor wat meer bescherming voor de minderheden in de plaatselijke gemeente, waar toch de synode bezig is de minderheden (noodvoorzieningen) landelijk een wettelijk geregelde bescherming te bieden:
Waar wij voor willen pleiten, is dit. Laat de plaatselijke gemeente en laten de kerkelijke vergaderingen en instanties de ogen niet sluiten voor veel kerkelijke nood, die nog steeds niet is opgelost. Die kerkelijke nood raakt niet uit de wereld, als men een orthodoxe ouderling, door de gemeente wettig benoemd, plaatselijk strubbelt door hem niet in de gelegenheid te stellen bevestigd te worden door de plaatselijke, gewone, orthodoxe predikant, met wie hij toch, als het goed is, straks op huisbezoek moet. Die kerkelijke nood verdwijnt evenmin, als wij elkander pressen tot de erkentenis, dat wij de preken van rechts en die van links evenzeer erkennen als rechte bediening des Woords. Ik vraag van vrijzinnigen niet, dat zij volle instemming betuigen met datgenen, wat ik van de kansel meen te moeten verkondigen. Ik zou wel gaarne willen, dat wij elkander volledig verstonden, maar ik overvraag niet. Het zaad moet wassen en daarvoor is tijd nodig. Maar dan vraag ik ook van vrijzinnige en midden-orthodoxe zijde de nodige soepelheid van handelen, als het confessionelen en geref. bonders betreft. Al dat eisen, dat men elkaars prediking moet bijwonen, met elkander avondmaal moet vieren, is wettisch en zonder waarachtig vreugdevol resultaat.
Daarom pleit ik er voor, dat men van midden-orthodoxe zijde niet al te snel naar oplossingen zoekt, waaruit het element nood is verdwenen en zou ik, in de overgangstijd, waarin onze kerk toch waarlijk nog verkeert, willen aandringen op nieuwe verhoudingen, waarin men, met volledig respect voor elkanders overtuiging, in volle vrijheid en in open wijkgemeenten kan werken, zonder elke dag over elkaar te moeten struikelen. Ook zonder zijn geweten geweld aan te doen. Een waarschuwing, die voor rechts en links geldt. En dat in alle schakeringen.
In hetzelfde nummer van het Hervormd Weekblad geeft ds. Groenewoud een beschouwing naar aanleiding van een tweetal reacties op de befaamde rede van prof. Rogier voor de Nijmeegse imiversiteit. Hij citeert eerst wat prof. Van Holk er over zegt en dan laat hij prof. Bakhuizen v. d. Brink aan het woord komen. Ds. Groenewoud schrijft dan:
Wanneer wij, na de mening van deze bekende personen zelf nog een enkele opmerking maken, past ons, in dit gezelschap bescheidenheid. Toen ik in een radioverslag deze volzinnen in de prachtig gebouwde rede van prof. Rogier hoorde, was mijn eerste reactie een gevoel van bevrijding. Met zijn oer-roomse bewering heeft prof. Rogier de knuppel geworpen in dat oecumenische hoenderhok, waar het wel eens wat al te vriendelijk en rustig toegaat. Sinds het artikel dat prof. Van Niftrik onlangs voor ons blad schreef mag ik niet meer zeggen (ik heb dat trouwens nooit beweerd) dat men in de oecumenische contacten de waarheidsvraag op de achtergrond (of helemaal niet) stelt. Maar er zijn bij degenen die zeer sterk voor kerkelijke eenheid — zowel tussen de kerken, als binnen de Hervormde Kerk- geporteerd zijn, niet weinigen, die toch wel degelijk de principiële vragen laten rusten, en er om heen lopen. Men gaat dan al te gemakkelijk er van uit, dat we in Christus toch allemaal één zijn.
Welnu tegenover deze fatale stroming is het woord van prof. Rogier van heilzame kracht. Hier kan men nu niet meer omheen. Zo acht ik het een bevrijding uit het slop van een oecumenisme, dat wezenlijk tot niets kan leiden. Een dergelijke, met overtuiging gesproken bewering kan natuurlijk kwaad doen aan rooms-protestantse verhoudingen. Men kan nu immers zeggen: Zie je wel, dat Rome zichzelf gelijk blijft? Hier komt de aap van het papisme uit de mouw. En dan kan men dit alles antipapist aanvoeren tegen allen die met Rome op goede voet staan, of die vinden dat het met Rome er nog al gunstig uitziet voor een gesprek. Sommigen zien er teleurgesteld een teken in, dat je met Rome toch niet kunt praten, anderen juichen het toe dat het gesprek zo wordt afgebroken.
Ik voor mij acht deze reactie niet juist. In de eerste plaats hebben we altijd kunnen weten, dat dit de echte officiële houding der Roomse kerk is. Hieraan is, ook bij-allerlei gunstige tekenen, nimrner iets veranderd. Van verschillende kant is dit dan ook steeds gezegd. Dat het thans van roomse zijde zo pertinent door een gezag hebbende figuur als prof. Rogier wordt gezegd, heeft tot gevolg — o zeker, dat protestanten er hun ogen niet meer voor kunnen sluiten, maar ook, en dat is meer, dat men in roomse kringen hierover tot een beslissing moet komen.
Dit acht ik de winst van deze uiting — dat nu officieel in roomse kring moet uitgemaakt: hoe denkt de kerk hierover. Voor ons staat vast, dat geen enkel gesprek met roomse broeders tot enig definitief resultaat kan leiden, zolang de kerk niet beslissend zegt, wat zij er van denkt. Bij alle goede trouw en gespreksemst bij deze, veelzins zeer sympathieke gesprekspartners, blijkt voor ons het moeilijke, dat hun, niet zelden nog al „reformatorische" uitspraken, wel persoonlijk eerlijk gemeend, maar niet kerkelijk waar zijn. En tenslotte beslist de kerk. Daarom zou het van groot belang zijn, dat het moderamen der Hervormde Synode deze uitingen van prof. Rogier ook eens aan Monseigneur Alfrink wilde voorleggen. Eerlijk gezegd zou ik een antwoord hierop van meer belang achten dan dat op de vraag of Prinses Irene overgedoopt is.
Ik denk dat de kardinaal dan weer een antwoord zal geven zoals we dat van hem zo gewend zijn; heel veel mooie woorden waar niets mee gezegd wordt. Zie een „Terzijde" van dr. Buskes enige weken geleden in „In de Waagschaal". De kardinaal zal veel gezelliger kunnen praten met ds. P. de Ruiter, die in Woord en Dienst onder meer het volgende schrijft:
Welnu, als de R.K.Kerk in het Westen vanouds de kerk van Jezus Christus is, en als wij deze kerk bovendien nog altijd erkennen als de kerk van Jezus Christus (ondanks haar ontrouw), en als de Reformatorische beweging niets anders beoogt, dan hervorming van deze kerk, — waarom zullen wij dan ook niet openlijk uitspreken, dat zij voor ons nog altijd dè kerk is (samen met de kerk van het Oosten)? Dat zij in elk geval op een nog andere wijze kerk is dan wij? Op een oorspronkelijker wijze? Omdat God nu eenmaal historisch-verbondmatig handelt? De Reformatorische Kerk heeft slechts recht van bestaan zolang haar de toegang geweigerd wordt. Als noodkerk. Zodra wij ons kerk-zijn echter gaan verzelfstandigen en niet meer tenvolle betrekken op de R.K Kerk, zijn wij op een ongeoorloofde wijze bezig het ene Lichaam van Christus verder te verscheuren, sectarisch te worden.
Gelukkig staat in hetzelfde nummer van Woord en Dienst meteen al een antwoord op deze ontboezemingen van ds. De Ruiter; het is van prof. Bronkhorst en we ontlenen er het volgende aan:
Hoewel ik de innerlijke logica van deze laatste gedachten moeilijk volgen kan (immers kunnen uit het historisch-verbondmatig handelen Gods met evenveel recht volkomen tegengestelde conclusies getrokken worden) zou ik hierop in de eerste plaats de vraag willen stellen: heeft de Reformatie zichzelf ook zo verstaan? Als oudcatechisant van prof. de Vrijer heb ik als jongen velemalen onder het koorhek van de Oude Kerk te Amsterdam gezeten, waar we het tweeregelige versje konden lezen:
't Misbruyk in Godes Kerk,
allengskens ingebracht,
Is hier weer afgedaan,
In 't jaar zeventig en acht.
Met kleine cijfers wordt dan duidelijk gemaakt, dat hier het jaar 1578 bedoeld is. Het jaar van de zogenaamde „Alteratie". Deze naam en beide versregels laten ons zien, dat onze voorouders in de 16e eeuw een ietwat andere visie op het grote gebeuren van him dagen hebben gehad. Zij hebben de Reformatie gezien als een wegnemen van misbruiken. Zeker, het was een breuk met Rome, met het gezag van paus en bisschoppen, maar het was zeker niet het stichten van een nieuwe kerk. Het was de oude middeleeuwse kerk nieuw. Nieuw en gezuiverd en teruggebracht tot het evangelie van Jezus Christus. Het was een terugkeer uit een verbasterde tot de oorspronkelijke kerk. Ik denk niet, dat één van de mannen van 1578 te Amsterdam enig begrip zou hebben voor de visie van ds. De Ruiter op het meer oorspronkelijke karakter van de R.K. Kerk. Integendeel, juist omdat zij wisten in het historisch-verbondmatig handelen Gods te staan hebben zij met het kerkelijk bestuur vanuit Rome gebroken en de kerk teruggebracht tot haar evangelische wortel. Ik meen dan ook oprecht, dat in de Reformatie andere dingen aan de orde waren. Dingen, die zich niet op de wijze van ds. De Ruiter laten beschrijven zonder hun wezenlijke betekenis te miskennen. En ook de rooms-katholieken in Nederland zijn er alleen maar mee gediend wanneer zij niet in de mist gelaten worden t.a.v. onze reformatorische overtuigingen dienaangaande. Een mist, die in de laatste weken in zeer sterke mate aanwezig bleek te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's