De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil

2

6 minuten leestijd

Inleiding (II).

In ons eerste artikel hebben we de historische achtergrond van het Réveil in den brede geschetst. We vonden, dat de gedachte aan de noodzaak van Réveil de eeuwen door in de Nederlandse Kerk leefde.

We komen nu wat dichter bij huis en vragen: Waartegen ageerde deze beweging, die begin 1800 openbaar wordt, allermeest ?

Da Costa heeft geantwoord met dat boekje waaraan wij al enkele malen herinnerden: Bezwaren tegen de geest der eeuw. Welke eeuw (tijd en tijdgeest) bedoelde hij ? Wij dachten te moeten antwoorden: hij dacht (met Bilderdijk) zeer sterk aan de tijd van de z.g. Verlichting, dus aan de 18e eeuw en haar levensopvatting.

Het is niet zó gemakkelijk, die eeuw in enkele woorden en naar één enkel patroon te typeren. We vullen het gebruikte woord meestal aan tot „verstandsverlichting"; we zouden de deugd er ook niet moeten buiten laten.

Die „Verlichting" (zo vertaalt men het Duitse woord „Aufklärung") is inderdaad een typisch 18e eeuwse levenshouding. De wijsgeer Kant gaf eens in een sindsdien gevleugeld woord antwoord op de vraag: Wat is Verlichting? Hij zei: dat is het verlaten van een toestand van onmondigheid, waarin men door eigen schuld geraakt was.

De Verlichtingsmens is dus een mondig mens, wil dat althans zijn. De wortels van deze Verlichting, van het „moderne denken" liggen in sterke mate bij de wijsgeer Descartes, met zijn nadruk op de zekerheid, die de mens in zijn denken heeft; ze is tegen het eind van de 17e eeuw uitgelopen op wat men (P. Hazard) een „crisis in het Europese geweten" is gaan noemen en die van andere zijde (van Groethuysen) ook wel als de burgerlijke levenshouding is getypeerd.

Het gaat daarbij, tegenover Middeleeuwen en Hervorming, om een diepe ommekeer in heel de levenshouding. De doorsnee middeleeuwer en hervormde weet God in de Hemel en zichzelf op de aarde; erkent die God als zijn Koning en zichzelf als onderdaan; hij vindt in ootmoed en zelfverloochening zijn kracht; hij heeft wel zeker verstandelijke vermogens, maar zoekt toch in het geloof zijn sterkte.

De moderne mens, wiens „geboorte" we boven aanduidden, gaat in snel tempo met dit genoemde afrekenen. Hij vindt, dat hij zachtjes aan een mondig mens is geworden; hij kan dat gewone „Woord van God" zo maar niet meer aanvaarden; zijn critiek ontwaakt tegen alles en allen (behalve tegen zichzelf); hij wordt zelfbewust, zelfvoldaan, critiser, deugdzaam, hard. Willen Kerk en Schrift voor hem nog wat beteke­nen, dan moet het een Kerk en een Evangelie „naar de mens" zijn, anders wordt het niet geaccepteerd.

Naar verstand en deugd en wereldkennis gaat deze moderne mens van kracht tot kracht. Het moeten harde slagen zijn, die hem tot bezinning, tot bekering zullen brengen. Het heeft aan die slagen niet ontbroken. De ontzettende aardbeving in Lissabon, waarbij duizenden optimisten en woningen in een oogwenk werden verbrijzeld, heeft die „mondige wereld", die ongeveer alles redelijk-zedelijk meende te kunnen begrijpen, veel dieper geschokt dan ze heeft willen erkennen. De Franse Revolutie, met z'n bloed en tranen, was voor velen nodig, om te doen verstaan, waar die „moderne cultuur" op uit kan (moet) lopen. Bij ons heeft Groen van Prinsterer daarop sterke klemtoon gelegd en tenslotte kan nog wel gezegd worden, dat het opkomen, blinken en verzinken van Napoleon, „de kolossus der eeuw", een enorme indruk heeft nagelaten.

Het is in alle geval sprekend, dat de duidelijke openbaring van wat wij ons Nederlandse Réveil noemen, in de jaren om 1800 heen valt. En het gaat daarbij dus, zoals met name Bilderdijk zo laat uitkomen, om een breuk met de Verlichtingstijd met die redelijke-zedelijke zelfvoldaanheid, die de mens op de troon zette en God hoogstens zoiets als toeziend voogd maakte, die in bijzondere noodgevallen wel graag moest ingrijpen, maar de mondige mens verder op aarde maar vrij moest laten. Tegen die houding heeft Bilderdijk gedonderd op een wijze, die ons met veel onsympathieks en slaps in hem zou kunnen verzoenen. En Groen van Prinsterer heeft de Liberalen, die „Verlichtingsmensen" - nieuwe stijl - willen inprenten, dat zij toch wel degelijk erfgenamen en voortzetters waren van die 18e eeuwse Verlichtingscultuur.

Dat verzet tegen die rede-aanbidding, die zo stijle mensen kweekt, dat o.i. van het ontwaakte christelijke geweten uitgaat, dat van deze afgoden terug moet naar de levende God, de God van alle genade, de God en Vader van onze Here Jezus Christus, komt dus in het Réveil tot uitdrukking. We kunnen daaruit meteen afleiden dat dit Réveil zomin bijzonder kerkelijk als cultureel gezind was. Want het ging in het Réveil om ontwaakte enkelingen, heel vaak kinderen uit liberale gezinnen, die bij hun ontwaken hun familie en kring hun dominee (als ze die hadden) en Kerk tegenover zich vonden. En het is evenmin een wonder, dat deze ontwaakten, die opgegroeid waren in een sfeer van (meest fatsoenlijk) eten, drinken, trouwen, geld verdienen, naar de comedie, enz., tegen die sfeer een groot bezwaar inbrachten. Ze hebben meest gebruik en misbruik wel weten te scheiden, maar begrijpelijk is, dat dit al te vaak niet goed gelukte.

We stelden, dat het Réveil uitgaat van het door Woord en Geest van God geraakte christelijke geweten. Daarbij moeten we voegen een factor van andere oorsprong: tegenover de sterke nadruk op rede, begrijpen, deugdbeoefening en dgl. in de loop van de 18e eeuw treedt er een ractie op in de vorm van een stroming, die we de Romantiek plegen te noemen. Dit woord behoeft weinig verklaring: romantiek en gevoel zijn aan elkaar verwant; zo komt de Romantiek op voor de rechten van het hart, het gevoel, de verbeelding. Tal van Réveilmensen (alle? ) zijn door die Romantiek sterk beïnvloed. Bilderdijk heel sterk. Da Costa en W. de Clercq evenzo; Groen, Koenen veel minder.

We begrijpen, dat deze romantische denkwijze zich beter paarde aan de christelijke deemoed en afhankelijkheid, dan aan de hautaine verlichtingsideologie, al heeft deze vermenging naar ons besef niet enkel lichtzijden.

Zo kwam het dan tot dat Réveil, dat we meestal met Bilderdijk laten beginnen (was hij er vader of grootvader van of enkel maar ijsbreker ? ) Tal van liberale vaders zagen met huivering, hoe hun keurige zonen tot „dwepers" en „fijnen", tot Bilderdijkianen werden. Het is ontstellend op te merken, dat in „christelijk" Nederland van ca. 1800 maar zó weinigen dat Réveil verwacht en begroet hebben. Bij v. Hogendorp of V. d. Palm ontbreekt daarbij elk spoor; de tijdgeest was heel anders: veel bewieroking van eigen natie en roem. Dat het Réveil bij ons na ruim 50 jaar strandde (of verzandde) zal voor een deel moeten worden verklaard uit eigen eenzijdigheden, maar voor ook geen gering deel uit de tegenstand, die in zeer brede kring opkwam en bleef.

De aanval van het Réveil was o.i. principieel en krachtig, maar we kunnen helaas niet zeggen, dat de door het Réveil gehoopte bekering van ons volk tot „Neêrlands God" is gekomen. Wat dan nog wel de vraag oproept, of men de aanval (en verdediging) niet te negatief heeft ondernomen, teveel als protest en te weinig als positieve eigen nieuwbouw (op oude grondslagen).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's