Het Réveil
3
Inleiding. (III)
We zinspeelden aan het eind van het vorige artikel al op het feit, dat het Réveil bij ons niet de gehoopte „herkerstening" van Nederland heeft bewerkt, maar na een goede halve eeuw uitgebrand was.
Men pleegt daarvoor drie redenen te geven en die lijken ons een schot in de roos. De sterkte, van het Réveil is het appèl op de persoonlijke vroomheid, het weinig dogmatisch getinte getuigenis, laat ons zeggen: het gebrek aan theologisch-dogmatisch doordenken van het christelijk geloofsleven.
Daarvan niet los staat het tweede bezwaar: men probeerde de Kerk „in het midden" te laten. Dat moest wel, omdat men uit zo verschillende kerken kwam, maar de Kerk is tenslotte een vitaal punt, waaraan we niet kunnen voorbijgaan. Wie het toch doet, komt op de weg van de secte, waarvan we met verbazing vaststellen dat de secte na verloop van tijd toch weer „kerkelijke" allure verkrijgt. De Kerk is blijkbaar een bijbelse levensvorm, die wat anders is dan het leven in een enkel persoonlijke vroomheid. De spanning tussen een leven in de Kerk, uit het Verbond (door het Réveil eveneens zéér vergeten) en een (christelijk) individualisme, komt hier klaar aan de dag en wie het Réveil gadeslaat in opgaan, blinken en weer zinken, ziet voor de zoveelste maal bevestigd, dat een zo hoog gestemde groep van christelijke enkelingen toch weer uiteen valt, terwijl zo'n „domme, logge" Kerk toch maar blijft leven. Het probleem der Kerk, vooral: de zegen van een Kerk tegenover ons op onszelf staan, heeft het Réveil niet onderkend, dus zeker niet opgelost. En mede daardoor is het niet gebleven.
Ten derde: elk Réveil lijkt ons te waarderen als een gave, verrassing van de Heilige Geest. In elk Réveil speelt de belijdenis van de Heilige Geest en Zijn werk (vooral in de enkelingen!) een grote rol.
Maar daarmee loopt elk Réveil het gevaar, tot overgeestelijkheid te vervallen. Deze schepping en aarde, die onze God ons gaf om te bewaren en uit te bouwen, komen in deze sfeer gemakkelijk te staan tegenover het „leven in de Geest". En daarmee valt dan de belangstelling weg voor wat wij de cultuur noemen: het naar Gods opdracht bebouwen van Zijn aarde, die Hij ons toevertrouwde.
Dan komt het tot zekere kloosterlijkheid. Dat is 'n licht onbillijk woord, dat enige toelichting vraagt. In het begin van de kloosterstichting hebben de monniken op een o.i. gelukkige wijze hemel en aarde weten te verenigen. Ze hadden hun diensten en gebeden, maar daarnaast bebouwden ze de omliggende grond. Allerlei ontginning, cultuur is van die vroege kloosters uitgegaan. Later vervallen de kloosterlingen tot eenzijdig nietsdoen, dan valt alle actie naar buiten wèg en dan wordt de actie naar binnen (gesteld dat ze er was en bleef) eenzijdig, overgeestelijk en dus niet rijk.
Het Réveil is aan „kloosterlijkheid" in die laatste zin schuldig. Het stond zonder begrip tegen de beoefening van wetenschappelijk onderzoek van zichzelfs (d.i. om Gods wille); tegenover politiek), ver van de ethiek (vooral de sociale), de economie enz. Als Groen van Prinsterer politiek gaat beoefenen (christelijke politiek), heeft men heel wat bedenking gehad. Bilderdijk was de meest wetenschappelijk ingestelden binnen het Réveil, maar hij bleef daarom een eenling. Heldring ontdekte, en dat kwam vrij laat, dat het óok behoort tot het protesteren tegen de geest der eeuw, dat men tegen armoede, alcohol, prostitutie, tegen allerlei armoedige economie optrekt. We zouden kunnen zeggen: In alle stukken heeft het Réveil te vaag, te idealistisch (en dus te vrijblijvend) gestaan; pas laat zou het zich bekeren van die dwaling.
Dat is een heel requisitoir: te weinig theologie en dogmatiek, te weinig Kerk, te weinig cultuur. We vergeten niet, dat daar veel kostelijks tegenover stond, dat ons met zekere jaloersheid vervult; maar blijkbaar heeft al dat kostelijke niet kunnen opwegen tegen hetgeen ontbrak.
Haast heel de theologie van de 19e eeuw heeft groot respect voor het Réveil en komt er feitelijk uit voort (de vrijzinnigheid uitgezonderd). De Ethische theologie, de Confessionelen, de Afscheiding en Kuyper zijn zonder het Réveil niet te verstaan. Toch hebben juist al die genoemden ook het Réveil zwak gevonden in de genoemde punten en zo wordt dan die negentiende eeuw de eeuw van de Kerk, de dogmatiek, de politiek, de (sociale) ethiek, de cultuur. We stellen (zonder leedver maak !) vast, dat ook deze „aanvallers" een heel eind bleven onder het ideaal, dat zij wilden bereiken, maar geven daarom toch wel toe: hun bedoeling was wettig en uitgelokt door de onbetaalde rekeningen die het Réveil achterliet. Wat ons intussen een zeer delicate en belangrijke zaak lijkt is het Réveil in theologie, in kerkelijk en cultureel opzicht, op hoger plan te brengen, maar intussen het warm persoonlijk geloofsleven ervan niet te verliezen. Zien we goed, dan is dat een zaak, die zij, die het Réveil willen te boven komen, bepaald niet volmaakt hebben verkregen. Het wacht mogelijk op mensen, die dat zelfde critisch doen, maar intussen het Réveil niet kwijtraken. Wacht die taak misschien op ons, Geref. Bonders, laat gekomenen, en die vanuit hun gereformeerd verleden (Calvijn en de Nadere Reformatie) daarop lijken aangewezen te zijn? Zullen hier laatsten eersten worden?
Het is toch wel overbodig hier op te merken dat ook de Gereformeerde Bond in sterke mate een Réveilkarakter draagt. Zie het maar daaraan, dat ook onze groep theologisch, kerkelijk en cultureel moeilijk haar houding vindt, althans wanneer het erom gaat, van het protest tot het positieve te komen. Ook wij lopen gevaar (dubbel, omdat we het ook nog uit de natijd van de Nadere Reformatie gepresenteerd krijgen) om overgeestelijk te zijn, met zeer sterke nadruk op de gelovige enkeling, maar met weinig geestdrift voor „de ware christelijke actie". Wanneer wij dit alles wel niet zonder meer van ons af zullen kunnen schuiven, lijkt de vermaning terzake: Spiegel u aan het verloop van het Réveil en de geschiedenis der vorige eeuw! De eindoverwinning is niet voor hen die enkel néén zeiden, maar aan hen, in wier krachtig neen een energiek, positief ja lag verborgen. Anders blijft het bij breken en komt het niet tot bouwen. We stellen met leedwezen vast, dat blijkbaar het breken door het Réveil het bouwen heeft overtroffen en het daardoor werd uitgeschakeld, hoewel het zoveel goeds en edels in zich had.
Een laatste artikeltje wil er ons op wijzen, dat het intussen bij dit „bouwen" nauw steekt zodat het ons de lust tot „vlotte oplossingen" ontneemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's