De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

11 minuten leestijd

1 Corinthe 11:17—34.

Indertijd schreven wij in de Waarheidsvriend enige artikelen over het begin van dit hoofdstuk.

In dit gedeelte prijst de apostel de gemeente van Corinthe. Zij was een belangrijke gemeente geworden, het Evangelie was er niet zonder veel zegen gebleven. Er is veel goeds in haar midden. Over het algemeen hebben zij het Woord, door de apostel gebracht, aanvaard en waren allerlei voorschriften, die hij gegeven had, bij hen in ere. Echter kon Paulus hen die lof niet in absolute zin toezwaaien.

Op bepaalde punten schiet de gemeente tekort; er dreigen gevaren en er zijn zelfs misstanden. Vooral een valse emancipatiezucht, waarbij men de van God zelf gestelde ordeningen wil doorbreken, maakt zich in haar midden breed. Deze openbaart zich vooral in het optreden van de vrouwen in de samenkomsten. Daarover berispt Paulus de gemeente in het eerste gedeelte van 1 Corinthe 11. Zijn toon is afkeurend.

In het tweede gedeelte van dit hoofdstuk vat hij een andere misstand in het oog. Die erger is, en daarom wordt de toon van zijn schrijven nog scherper. Het betreft een misstand, in verband met de viering van het Avondmaal.

Deze viering betekende ook voor de oud-christelijke gemeente een hoogtepunt in het godsdienstig, kerkelijk leven. Daar zocht en ontving men bij het gebruik van de zichtbare tekenen, door de werking van de Heilige Geest, de versterking van de band des geloofs met Christus. Daar beleefde men iets van een voorsmaak van de heerlijkheid van hét Avondmaal en dé Bruiloft des Lams.

Daarom moest alle ontwijding van deze viering voorkomen worden. Elke wanklank stoorde hier bijzonder de zuivere aanbidding. Helaas heerste ook hier in de Corinthische gemeente een nare misstand, en werd de viering van het Avondmaal ontwijd. Meestal staat die ontwijding niet op zichzelf. En is ze geen geïsoleerd verschijnsel, doch gevolg van een verkeerde geestesgesteldheid, die de gemeente is binnengedrongen.

De apostel neemt dan ook geen onjuiste aanloop en begeeft zich niet op een zijspoor, wanneer hij zijn bespreking van het kwaad bij de Avondmaalsviering, inluidt met het te berde brengen van een andere misstand in de gemeente, waarvan wij bij het eerste horen vragen, wat die er nu mee te maken heeft!

Paulus dringt door tot de diepere achtergrond, wanneer hij eerst deze berisping uit zijn pen laat vloeien. „Dit nu, hetgeen ik u aanzeg, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt. Want, eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen onder u zijn".

Natuurlijk maakt de apostel hier een toespeling op wat hij in de aanvang van dit hoofdstuk heeft geschreven. Daar wilde hij eerst de gemeente prijzen om het goede, dat ook in haar midden gevonden werd. Hier gaat hij iets aanwijzen, waarom hij haar helaas niet prijzen kan.

En dan heeft hij het hier dus ook weer over de samenkomsten, waarin men bijeenkwam tot de bediening van het Woord, de viering van het Avondmaal, het gemeenschappelijk gebed en de bijzondere beoefening van de gemeenschap der heiligen. Wij bedenken hierbij, dat men in de dagen van de apostel natuurlijk nog geen kerkgebouwen kende. Die verrezen pas later, toen de gemeenten veel groter geworden waren, de inrichting van de samenkomsten een andere was geworden en ook de tijden van de vervolging voorbij waren en de christelijke godsdienst tot een erkende godsdienst verheven was. Moest de kerkvader Tertullianus in zijn Apologie nog schrijven: „Wij schuilen altijd", later kwam er de mogelijkheid tot het bouwen van grotere kerken. In dat bouwen kwam tot uiting de drang om ook in het zichtbare te getuigen van de aanbidding des Heeren en van de majesteit van Zijn werken!

In de dagen van de apostel kwam men echter nog samen in particuliere woningen. Zo was het ook in Corinthe. Vanuit de huisgemeenten werden de eerste gemeenten gebouwd door de bediening van het Woord en het Sacrament, waarover de Heere bijzonder Zijn zegen gebood. Ditzelfde hebben eeuwen later b.v. ook onze vaderen ervaren, toen zij in de tijd na de Reformatie, in dagen van vervolging samen kwamen op het open veld — de hagepreek —, of in schuren en kelders. De zegenende Christus is ook daar, als men er maar echt samenkomt in Zijn Naam!

In de gemeente van Corinthe kwam men ook nog wel samen in die Naam. Door Gods genade was dit het geval. Echter door menselijke zonden ontbrak er nog wel wat aan! Paulus bestraft haar niet voor niets, dat zij niet tot beter, maar tot erger samenkomt. Wij verstaan, wat hij met deze woorden bedoelt?

De samenkomsten der gemeente, waar het Woord verkondigd en het Sacrament bediend wordt, zijn onder Gods zegen bestemd tot „beter". Daar leren wij door Gods genade de rechte zelfkennis en Godskennis; daar worden wij persoonlijk en met anderen samen gebouwd in het geloof. Daar nemen wij toe in de kennis en genade van onze Heere Jezus Christus, en wordt ons valse zelfvertrouwen gebroken, doch onze begeerte om naar de wil Gods te leven gesterkt. Zo komen wij uit die samenkomsten te voorschijn „beter", in de diepe zin van het woord. Niet beter in deze zin, dat het onze eigen heerlijkheid is, die van ons afstraalt, maar in die andere zin, dat Christus meer gestalte in ons krijgt. Wij worden er beter van, in deze zin, dat de band met onze Heere inniger wordt, en zo ook als het goed is, de band met de broeders en zusters.

In de Corinthische gemeente was er blijkbaar ook dit euvel, dat hieraan nog wel wat mankeerde. De apostel zag, wat er helaas in de samenkomsten gebeurde. Men kwam daar samen niet tot beter, doch soms tot slechter. In plaats dat men er „beter" vandaan kwam, werd men er „slechter" door. Er waren er, die juist onheiliger van zin, killer van hart, zelfzuchtiger, liefdelozer tegenover de broeders werden. Hun innerlijke gesteldheid was zó, dat de prediking van het Evangelie, noch de bediening van het Sacrament, de vermaningen, noch het gebed en gezang invloed ten goede hadden. Inplaats van zegen, die verrijkt, droegen zij een vloek, die verdort, weg.

't Is begrijpelijk, dat Paulus, die de gemeente zulk een goed hart toedraagt en apostolisch bewogen is over haar welzijn, haar over dit feit bestraft. En in die bestraffing legt hij nog nader het bestaande euvel bloot. Hij heeft daar blijkbaar op de één of andere manier van vernomen. En zo schrijft hij haar nader: „zo hoor ik, dat er scheuringen onder u zijn".

Wie geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem, weet, dat eensgezindheid daar weleens ver te zoeken is. Zo lag het blijkbaar ook in Corinthe. Daar waren dus ook al scheuringen. In het oorspronkelijke gebruikt de apostel hier een woord, dat onder ons bekend is geworden als „schisma". Zo heeft dit woord in onze taal burgerrecht gekregen. Wie hoorde nooit van schismatici? Scheurmakers, mensen, die tegen wat hen in de gemeenschap niet aanstaat en waartegen zij bezwaren menen te moeten inbrengen, soms terecht, vaak ten onrechte, uit domheid, kortzichtigheid en fanatisme, protesteren. Eerst mondeling, — doch die het dan niet bij woorden laten, maar tot daden overgaan. En die zo zich losmaken van de gemeenschap en een scheur trekken in wat naar Gods wil één moet zijn én blijven. Hierdoor zijn er soms hele groepen ontstaan, van mensen, die zich losscheurden van de kerkelijke gemeenschap, waartoe zij wetmatig behoorden en die, zodoende, kwamen tot het vormen van een aparte kerkformatie met eigen ambten en bedieningen.

Dit scheuren geschiedt dan echter niét op grond van verschil op de punten van de fundamentele waarheden van het Woord Gods en van de belijdenis en het belijden der Kerk, doch op grond van onenigheid op ondergeschikte punten inzake de leer, de eredienst of de tucht. En, waar het zulke punten betreft, heeft men elkaar bij verschil van inzicht te verdragen. Daarom is dit scheuren altijd af te keuren omdat wij, zolang de fundamentele waarheden niet in het geding zijn, de éénheid der Kerk hebben te bewaren. Wij moeten wel bedenken, dat in 1 Corinthe 11 dit woord schisma, scheuring, nog niet die scherpe klank en inhoud heeft! Die heeft het later in de geschiedenis gekregen. Hier heeft het nog een gematigder zin. In de Corinthische gemeente was het nog niet zover, dat daar openlijk scheuringen zich voordeden. Toch waren er wel dingen gaande, die, als ze voortwoekerden, tot die laakbare scheurmakerij zouden kunnen leiden.

Wij kunnen wel nagaan, welke die dingen waren.

Uit ander plaatsen in de Corinthebrief is immers duidelijk, dat er in deze gemeente partijvorming bestond. Bepaalde voorgangers werden om hun gaven of om andere redenen, bijzonder vereerd. En vormden zich groepen om hen heen, die zich zó aan hen bonden, dat zij alleen nog goed konden doen, anderen echter niet. In de samenkomsten der gemeente kwam dit alles duidelijk tot uiting, 't Is óók wel duidelijk, dat bij dit alles nog niet dé inhoud van de prediking, dé fundamentele waarheden van het Evangelie in het geding waren. Maar juist daarom was het zo verkeerd en kon het zo licht tot zondige scheurmakerij leiden. Doch een feit was het. En de één riep: „ik ben van Paulus", de ander „ik van Apollos" en weer een ander: „ik van Cephas". Zelfs riepen er: „ik ben van Christus", zodat zelfs Christus betrokken werd in deze partijstrijd, als ware Hij ook zo'n partijleider!

Hierbij kwam, dat stellig de sociale onderscheidingen in de gemeente tot tegenstellingen werden. Rijken en armen, vrijen en slaven groepeerden zich afzonderlijk.

Wij begrijpen, dat de apostel op een andere plaats in deze brief de gemeente nog zo „vleselijk" noemt. „Gij zijt nog vleselijk; want omdat onder u nijd en twist en tweedracht is, zijt gij niet vleselijk en wandelt gij niet naar de mens? (1 Cor. 3:3).

Déze partijvorming toch is nooit gerechtvaardigd en nooit uit de Geest. Zijn de fundamentele waarheden in het geding, dan zijn soms scheuringen, altijd reden tot droefheid, bittere noodzaak en beter dan een valse eenheid. Maar zo lag het dus blijkbaar in Corinthe niet. Daarom was die partijvorming niet uit de Geest, maar uit het vlees. Vleselijke, zondige, eigenwijze en hoogmoedige overleggingen speelden hier een rol. Wat iemand het beste beviel of het meeste aansprak, dat bracht hem enerzijds bijna tot een afgodische verering, anderzijds echter tot scepticisme, zelfs onverschilligheid en vijandschap tegenover wat hem niet zó beviel of aansprak. Ja, dit was uit het vlees!

De Geest maakt ootmoedig, het vlees opgeblazen. De Geest leert de ander uitnemender achten dan zichzelf, bindt samen; het vlees verdeelt en verscheurt.

Signaleert Paulus hier niet een kwaad in de gemeente van Corinthe, dat helaas zo vaak in de kerkgeschiedenis en in de gemeente valt te signaleren?

Voortdurend moet daar een strijd gestreden, die uit de Geest is, om de fundamentele waarheden van de Schrift en van de belijdenis en het belijden der Kerk. Die strijd is waard gevoerd te worden! Maar zo vaak laait er ook een strijd op, waarbij die waarheden niet in het geding zijn, dikwijls op de achtergrond geraken, — het gaat dan om bijzaken en futiliteiten, om eigen smaak en om eigen eer en naam, zelfs in de Kerk. Deze strijd is nog altijd uit het vlees. En maar al te vaak brengt ze verwijdering, scheuring, die nooit goed te praten vallen. Die de éénheid der gemeente verbreken en het geestelijk leven schade doen. En bovenal Christus oneer aandoen, van Wien in deze geldt: „Is Christus gedeeld? "

Komt dit kwaad ook niet onder óns voor? Hebben ook wij in ons kerkelijk leven niet steeds tegen dit kwaad te waken, omdat wij zo gemakkelijk ertoe aangezet kunnen worden en de vorst der duisternis ook hier zijn pogingen in het werk stelt om dat kerkelijk leven schade te berokkenen? En waar dit kwaad de kop opsteekt, zullen wij het daar niet als iets diep schuldigs belijden en als zodanig ertegen strijden?

De apostel spreekt dus in dit gedeelte van 1 Corinthe 11 over dit kwaad in de Corinthische gemeente, omdat hij ervan vernomen heeft. Niet zonder reden voegt hij eraan toe, dat hij het gelooft. Hij kent de gemeente en weet, wat er in haar midden leeft. En als een goed zielszorger weet hij, waartoe het menselijk hart nog komen kan.

Echter, opmerkelijk is, dat hij verder schrijft, dat hij het ten dele gelooft. Wellicht acht hij de berichten, die hij ontving, wat overdreven, 't Is ook mogelijk, dat hij wil zeggen, dat hij vindt, dat de gemeente niet alleen als zodanig mag worden getypeerd. Daar is immers door Gods genade ook nog een andere kant aan het leven der gemeente. En 't is wel heel wijs van hem, dat hij zich zo over haar misstanden uitlaat. Hij laat haar voelen, dat bij hem de deur tot herstel nog open staat. Zo doet hij tevens een appèl op haar geweten!

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's