Gaat in door de enge poort
Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uwe Naam geprofeteerd, en in Uwe Naam duivelen uitgeworpen, en in Uwe Naam vele krachten gedaan?
En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die ongerechtigheid werkt. (Matth. 7:22 en 23).
Dat zal velen verwonderen en mogelijk ook sommigen tot ernstig zelfonderzoek leiden. Het staat immers in direct verband met wat de Heere Jezus Christus gezegd heeft van de enge poort.
Dit moet velen in onze dagen wel heel bijzonder treffen, nu de prediking over de enge poort wel heel ongewoon dreigt te worden en er eigenlijk zo heel weinig tijd overschiet om over zulke ouderwetse onderwerpen te praten: „Eng is de poort, die tot het leven leidt".
Ouderwetse onderwerpen? Is dit wel zo? Zonder twijfel staan er wel ouderwetse onderwerpen in de Schrift: Neem heel het Oude Testament maar. Dat begint bij Adam, de eerste mens. Eigenlijk is dat niet juist. Het begint bij de schepping, een werk Gods, de schepping der wereld en dan de schepping van Adam, de eerste mens. Daarna de schepping van de vrouw, genaamd Eva. Dan lezen wij van het paradijs. Alles zo schoon en goed. En dan komt de slang, de mensenmoordenaar en bedrieger van ouds, de Satan in zijn vermomming ... de val van de mens: Hij wil als God zijn.
Ja het is heel oud ... de mens wil als God zijn. Dit is zijn zonde nog altijd. Hij wil als God zijn. De mens van vandaag ook. Het is dus niet zo oud, dat wij het rustig vergeten kunnen, omdat het eigenlijk niet meer werkt en overleefd zou zijn.
Het is veeleer zo, dat de moderne mens zich verbeeldt, dat hij bij de dag nader komt tot het gewenste ideaal. En, indien hij zich over deze aangelegenheid niet bijzonder druk maakt, is het hem toch een rustig gevoel, dat anderen er zo mee bezig zijn.
Bekruipt hem soms een onheilspellend gevoel van ongerustheid bij overigens „doodgewone" omstandigheden, dan zoekt hij verstrooiing, waar hij die meent te kunnen vinden. Het doodgewone is, als het er op aankomt, niet zo doodgewoon. Heel dit woord doodgewoon is eigenlijk een bedriegelijk woord. Het is wel heel gewoon, dat wij allen zullen sterven, maar velen begrijpen niet, dat zij al dood zijn, ofschoon zij menen te leven.
Velen begrijpen niet, dat al hun inspanning, hun wetenschap, hun moeite en verwachting, werken des doods zijn. Ze weten niet, wat de Schrift daarvan zegt en als ze er bij vader en moeder thuis van gehoord hebben, hebben ze het niet verstaan, de kerkgang verleerd, omdat ze het voorbij en ouderwets vonden, goed voor oude mensen, maar niet voor de mensen van onze tijd.
Dood in zonden en misdaden! (Vgl. Efeze 2 : 1 en 2). Dat is de situatie, waarin de mensenwereld verkeert sedert de overtreding van Adam. Zijn ongehoorzaainheid had de intrede van deze dood onmiddellijk ten gevolge. De dood is de bezoldiging der zonde.
Een mens heeft het leven niet in zichzelf. Hij kan zich dat verbeelden, maar kan zich niet redden van de dood. Als de mens zich vergrijpt tegen de wil van zijn Schepper, heeft hij het leven verbeurd; heeft hij het geschenk des levens, dat de Heere God hem heeft gegeven, als zodanig verloren. Hij leeft de tijd zijner inwoning op aarde het mensenleven, alsof het zijn persoonlijk eigendom is. Hij tracht er van te maken, wat hem het beste, het gelukkigste voorkomt, en hij weet niet, dat hij in het schoonste geval dient in een werk Gods, dat hij niet begrijpt en waarvan hem de vrucht en de zegen voorbijgaan.
Welk een ontwaken wacht zulk een mens in de dag des oordeels, waarin een klaar licht op zal gaan over de werken Gods en over de ongerechtigheid van de mens.
Wie iets van deze dingen verstaat, zal ook inzien, dat het oordeel, dat over de mens in de dag des Heeren zal komen; bij uitstek persoonlijk zal zijn. Niemand behoeft op zijn buurman te kijken. De mens is een persoonlijkheid, met een persoonlijke levensroeping, een persoonlijke plaats in de mensheid, een persoonlijke taak en een persoonlijk oordeel. Een iegelijk zal geoordeeld worden naar zijn werken. (Vgl. Openb. 20 : 11-15). Daarom zegt de Heere Jezus bij de uitzending der zeventig, dat het Sodom verdraaglijker zal zijn in de dag des oordeels dan de stad, die de boodschap van het Koninkrijk Gods niet ter harte neemt. (Lukas 10 : 1—16).
De boodschap niet ter harte genomen. Dat schijnt duidelijk en verklaarbaar, maar velen zullen in dien dag zeggen: „Heere, Heere, hebben wij niet in Uwe Naam geprofeteerd? In Uw Naam krachten gedaan?
Dat maakt toch de indruk van een krachtig geestelijk leven; Maar let dan op het ontstellend antwoord van de Heere Christus in de dag des oordeels: „Dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: „Ik heb u nooit gekend: gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt". (Matth. 7:23).
Het komt dus voor, dat mensen, die zich verbeelden in de Naam van Christus zelfs buitengewone krachten te hebben gedaan, door Hem, die het oordeel heeft, worden verworpen als onbekenden en werkers der ongerechtigheid. De profeet Jeremia heeft ook reeds op de valse profeten gewezen, die in des Heeren Naam profeteren. (Jeremia 14 : 14 v.v.; 27 : 15). Hier vernemen wij het oordeel over de valse profeten uit de mond van de Christus zelf.
Dit is een ernstige waarschuwing uit de mond van Hem, die het oordeel heeft over de levenden en de doden en met Wien wij allen zullen te maken hebben.
In deze tijd van een vaak benauwende zucht van vernieuwing, omdat onvergankelijke waarden worden genegeerd en veracht, met name op het gebied der goddelijke openbaring, kan het zijn nut hebben te wijzen op het onderricht van de Christus aangaande de enge poort, die tot het leven leidt, welke door weinigen wordt gevonden. (Zie Mattheus 7 : 13—23).
In brede kringen van de kerken heersen in onze dagen opvattingen van het Evangelie en in zonderheid van het werk van de Middelaar, die in feite en althans voor vele predikers en aanhangers er op neer komen, dat door Christus het oordeel en de straf der zonde is gedragen en weggedragen en dat alle mensen zullen delen in de beloften en voorrechten des Evangelies. Sommigen beseffen dit, zo redeneert men, anderen hebben er nog geen kennis aan, maar het is voor allen weggelegd, of zij het weten of nog niet weten.
Met nadruk wijzen we daarom op de zo duidelijke onderwijzing van de Christus zelf, die tegen dergelijke valse profetie waarschuwt en zegt: „Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij", en dat ondanks hun vroom gepraat. Tegenover al degenen, die het Evangelie misverstaan in verband met de uitverkiezende genade Gods en algemeen maken, wat volgens het nadrukkelijk getuigenis van de Heere Jezus Christus niet algemeen is, wijzen we op Zijn Woord: „Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt en weinigen zijn er, die dezelven vinden.
Maar wacht u van de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. (Matth. 7 : 13—15).
Behalve de genadegaven in en door de Christus bereid tot openbaring en vernieuwing van een uitverkoren geslacht, naar het voornemen Gods van voor de grondlegging der wereld (Efeze 1:4) en zelfs ter wille daarvan kan gesproken worden van menigerlei genade (zie Genesis 8 en 9) welke God aan het mensdom geeft om Zijn Raad te vervullen.
Dat is geen zaligmakende genade, maar zij schenkt een rijkdom van gaven aan dit aardse leven.
Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's