De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

6 minuten leestijd

of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en  hun laatste doodspreuken worden verhaald.

Hoofdstuk IV.

Emortualia of doodspreuken, door velen gebruikt, ontleend aan de H. Schrift en verscheidene oude en nieuwe geschiedenissen.

Er is niets, dat het hart van een mens meer ontroert dan te zien sterven, niets dat een dieper indruk maakt op zijn gemoed dan de laatste woorden, die de stervende spreekt. Wat een mens in zijn uiterste doet, wordt als met godsdienstigheid opgemerkt en verhaald. Vooral als het iets is, dat met de omstandigheden van het sterven te maken heeft en de vroomheid des mensen helpt. Op zulk een tijd is de mens het meest ingetogen en, door hetgeen hij ziet geschieden bij een ander, wordt hij gebracht tot overdenking van zijn eigen staat en daardoor tot zijn plicht. Hierom is het niet zonder goede reden, dat, daar men in de geschiedenissen alle andere dingen aantekent, die een mens doet en spreekt, vooral ook gelet wordt op ieders sterven, hoe hij het daar maakt en welke gesprekken hij in het laatste voert, daar gelijk het laatste zo ook het beste werk van hem verwacht wordt; want nooit is een mens tot spreken of tot horen ernstiger bereid dan in die ure, zoals men gewoonlijk zegt: eind goed, al goed. De oude leraar Augustinus had zo enige spreuken in zijn hoofd, die bij sterven waren uitgesproken, die hij dikwijls aan anderen, zieken en stervenden bij gelegenheid verhaalde. En wij hebben altijd gemeend, dat zulke spreuken, daar zij de heerlijkste en krachtigste zijn, ook het meest waardig zijn om opgeschreven en verzameld te worden. Ik zal hier enige beschrijven aan verscheidene zowel oude als nieuwe geschiedenissen ontleend en ieder kan daarbij voegen, de woorden, waarvan hij weet, dat zij eveneens gedenkwaardig zijn. En ik beveel in het bijzonder aan en prijs het, dat wat nu ook dagelijks bij de een en de ander, van welke staat de mensen ook zijn, — als het maar vrome lieden zijn, — wordt opgemerkt als lofwaardig ter bevordering van godsdienst en godzaligheid en om te leren wel te sterven, hier aan toegevoegd wordt. Wij moeten noch met zulk een eerbied tegenover de ouden, noch met zulk een verachting van onze tijden (voor-)ingenomen zijn, dat wij menen zouden, dat ook in deze tijd niet zulke treffende opmerkingen gemaakt kunnen worden over het sterven van velen onder ons evenals over wie in vroeger tijden geleefd hebben. Onze eeuw is zeker niet zo schaars en onvruchtbaar, dat hij geen deugdzame en vrome mensen kent, wier leven en sterven beide zeer stichtelijk en gedenkwaardig zijn.

Wij zullen met ons verhaal van christelijke en heilige doodspreuken emortualia, door verscheidenen gebruikt, deze orde volgen, dat wij beginnen bij de H. Schrift; daarna zullen wij in den brede de geschiedenissen doorlopen tot onze tijd toe; een groot deel hiervan vormen de martelaren, wier dood in het bijzonder kostbaar is voor God en wij zullen dan zien, welke voorbeelden daaruit te halen zijn, te prijzen en ons voor ogen gesteld moeten worden.

Wij beginnen met de H. Schrift en wel met het Oude Testament. De eerste van wiens dood iets bijzonders verhaald wordt, wiens dood ook bijzonder was en eveneens wat hij gezegd heeft, is Henoch, de zevende van Adam. Van hem staat geschreven: Henoch wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg (Gen. 5 : 24). Hij, die hier met God wandelde, let wel met God, als een kind met zijn vader, als hand aan hand, achter God aan als zijn Heer, met Hena als zijn vader en die zo die God altijd bij zich had, werd van God tot Hem opgenomen, om daar met God te zijn, waar Hij is. Hij was niet meer hier, die een betere plaats ontvangen had en waarin hij van Gods komst geprofeteerd heeft, die er zo dicht bij was om tot God te komen, geeft Judas in zijn brief (vs. 14, 15). Van deze heeft ook Henoch, de zevende van Adam geprofeteerd zeggende: zie, " de Here is gekomen met zijn vele duizenden heiligen om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddelozen onder hen vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen hen gesproken hebben.

Het laatste, dat van Noach verhaald wordt dat hij gezegd heeft — daar staat niet dat dit even voor zijn dood geschied is, maar om de voortreffelijkheid van de spreuk, die zijn zegen en oordeel bevat over zijn kinderen, de laatste woorden, die van hem zijn opgetekend — is: Gezegend zij de Here, de God van Sem en Kanaan zij hem een knecht. God breide Japhet uit en hij wone in Sems tenten en Kanaan zij hem een knecht. (Gen. 9 : 26, 27).

Vóór Abrahams dood lezen wij van zijn testament, hoe hij het maakte met de kinderen zijner bijvrouwen, maar Isaak was zijn erfgenaam; doch Abraham gaf aan Isaak al wat, hij had; maar de zonen der bij vrouwen, die Abra­ ham had, gaf Abraham geschenken en hij zond hen weg van zijn zoon Isaak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het oosten. Dit nu zijn de jaren des levens van Abraham, die hij geleefd heeft, honderd en vijfenzeventig jaar. En Abraham gaf de geest en hij stierf in goede ouderdom, oud en des levens zat en hij werd tot zijn volkeren verzameld. (Gen. 25 : 5, 6).

Toen Isaak oud was geworden en nabij de dood gekomen was, begeerde hij, dat zijn zoon Ezau hem een smakelijke spijze zou klaarmaken en brengen; opdat mijn ziel u zegene, zeide hij, eer ik sterf, welke zegen daarna hem bedriegelijk door Jakob ontnomen wordt. (Gen. 27).

Niemands sterven staat zo breedvoerig beschreven als het sterven van Jakob, die Israël was, de vader der Israëlieten, uit wie de twaalf stammen zijn voortgekomen en die hen in Egypte gebracht heeft, die God daarna door de hand van Mozes uit Egypte en door Jozua in Kanaan bracht. Daarna zeide Israël tot Jozef Zie, ik sterf, maar God zal met u zijn en Hij zal u wederbrengen naar het land uwer vaderen. Daarna riep Jakob zijn zonen en hij zeide: verzamelt u en ik zal u verkondigen, wat u in de navolgende dagen wedervaren zal. Komt tezamen en hoort naar Israël uw vader. Op uw zaligheid wacht ik, o Here. Daarna gebood hij hen en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk; begraaft mij bij mijn vaderen in de spelonk, die er is in de akker van Efron, de Hethiet, tot een erfbegrafenis. Aldaar hebben zij Abraham begraven en Sara zijn huisvrouw; daar hebben zij Isaak begraven en Rebecca zijn huisvrouw, en daar heb ik Lea begraven. Als Jakob voleindigd had zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten tezamen op het bed en hij gaf de geest en werd tot zijn volkeren verzameld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's