Mensjes, uit het stof opgerezen...!
Meditatie
„alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus . . ." 1 Corinthe 4 : 1a
De uitdrukking is van Calvijn: „mensjes, uit het stof opgerezen"; — zo noemt hij dan de ambtsdragers. Hij is daarmee helemaal op het voetspoor van de Heilige Schrift, — immers: ook op de ambtsdragers is van toepassing dat woord van Paulus aan het adres van de Lystriërs: „wij zijn óók mensen, van gelijke bewegingen als gij!" (Hand. 14 : 15) —
Een stukje bezinning op de plaats van de ambtsdragers kan dienstig zijn, want dat weet u óók wel: het ambt staat vandaag de dag beslist niet in aanzien, — dat zal samenhangen (o.a.) met het feit, dat op de personen, die het bekleden nog wel eens wat valt aan te merken. Onbetwist is echter dat andere feit n.l., dat de „waardigheid" van het ambt door God met alle mogelijke lof wordt aangeprezen, „opdat het bij ons als een zaak, die alle andere dingen te boven gaat in de hoogste eer en aanzien zou staan" (Calvijn). —
Natuurlijk niét om de mensen, die het dragen, maar om de Koning, die ze het te dragen gaf: „alzo houde ons een ieder mens voor dienaars van Christus .. "Ze zijn ambassadeurs van het hemels hof, de ambtsdragers! — Via hen wil de Koning Zijn Kerk troosten, tuchtigen, helpen! —
Hij zou het ook zónder hen kunnen doen, — toch doet Hij het blijkbaar liever zó. Dat vindt Hij kennelijk noodzakelijk, — niet in het minst om te zien hoe hoog wij „de schat van Zijn hemelse wijsheid", die Hij dan verbergt in „aarde vaten" waarderen! — Waarderen, juist nu die schat verpakt is in het ambt! — „Aarden vaten" zijn immers breekbare vaten? — Tóch: vaten, door Christus in gebruik genomen, — zelfs zó, dat Hij zegt: „Ik bid voor degenen..., die door hun woord in Mij geloven", — door het woord van deze „mensjes, uit het stof opgerezen"!
Maar nu dan die plaats van de ambtsdragers; — „alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus .. ."! — Een dienaar neemt (zélfs al is hij ambassadeur van de Koning der konin gen) een bescheiden plaats in. — Ook een ambassadeur is gebonden aan de instructies van zijn regering, — is tenslotte ook maar „knechtje"!
Ons tekstwoord is Paulus in de pen gegeven in verband met de modaliteitsverschillen, die er in Corinthe aan de dagen treden: de één zegt: „ik ben van Paulus" (Pauliaan!), de ander: „ik ben van Apollos" en de derde: „ik ben van Cefas", terwijl weer een ancier zich verstout te zeggen: „ik ben van Christus"! — „Maar m'n lieve mensen", zegt dan de apostel: „wie is Paulus en wie is Apollos, anders dan dienaars ... " ? — „En dat gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft"! — U vat z'n bedoeling: hij wil zéggen: natuurlijk is er onderscheid tussen het werk van de éne ambtsdrager en de andere, maar dat geeft de gemeente niet het recht daar een verschilpunt van te maken, b.v. door de leuze aan te heffen: „ik ben van Paulus", — „ik houd het op dominee zus" en „ik op dominee zó": „ik ben van Apollos"; dat gaat niet aan: er zijn „verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is"!
Wat een kwaad heeft het reeds gesticht, — dat zgn. „domineesgeloof", — net alsof de dominee wat betekent! — Mutatis mutandis geldt dat trouwens van élke ambtsdrager; hoewel: de ouderling, om over de diaken maar helemaal niet te spreken, staat voor veler besef zo'n beetje in de schemer. En dat, terwijl er tussen de dienaar des Woords en de ouderling geen enkel principieel verschil bestaat: zelfs een verschil in autoriteit is er niet: „de ouderlingen naast de predikant dienen veeleer om diens persoonlijke autoriteit wat in te perken" (Koopmans). — Het onderscheid tussen die twee ligt meer op het praktische dan op het principiële vlak: de ouderling is er meer voor de tucht, de predikant meer voor de troost.
De plaats van de ambtsdrager (óók die van de diaken, die er meer voor de hulp is) —, de plaats van de ambtsdrager is die van een „dienaar"; kijkend naar het woord, dat de grondtekst hier bezigt, moet 'k zeggen: hij is een dienaar, die elk soort werk moet aanpakken en dat dan ook doet!
Precies als dé Ambtsdrager: onze Heere Jezus Christus! — Die was — om zo te zeggen, immers helemaal niet bang vuile handen te maken? — Integendeel: „deze ontvangt tollenaars en zondaren en éét met hen"! — Dat werd door de goegemeente bepaald niét in dank aanvaard; — zo is het nóg wel: de nétte kerkganger ergert zich aan de bemoeienis, die het ambt met deze of gene heeft. — Hij heeft nooit de les der barmhartigheid geleerd. —
Behalve echter, dat de plaats van de ambtsdrager kan worden aangeduid met „knechtje-zijn", een knechtje, dat alle soorten werk moet doen, wijst het woord „dienaar" in het grieks óók op onderworpenheid. — Met dat woord geeft Paulus te kennen, dat het de ambtsdrager niet kan gaan om eigen zaak of eer, maar om die van de Héére;
— Hij heeft hen gehuurd! — Calvijn zegt: de apostel geeft er mee aan, „dat zij niet met heerschappij in de regering der gemeente zijn gesteld, maar aan de heerschappij van Christus onderworpen zijn"! — „kortom, dat zij dienaars zijn en geen héren"!
Om die onderworpenheid aan de Heere te onderstrepen, gebruikt Paulus in het aan ons teksthoofdstuk voorafgaand capittel het bééld, dat zo helemaal past bij de dienaar, — bij de knecht, n.l. het beeld van het lóón-ontvangen.
Paulus en Apollos, — ze verrichten eenvoudig tuinmanswerk: de één plant, de ander maakt nat, — begiet de aanplant. Maar: „noch hij die plant, noch hij die nat maakt" is iets, — „een iegelijk zal zijn lóón ontvangen, naar zijn arbeid. En nogmaals: lóón-ontvangen, dat doen de ondergeschikten: wie baas is, krijgt geen loon: het lóón is bestemd voor arbeiders. — Nu, dat is onze plaats, wil Paulus zeggen, — die van mij en die van Apollos, — hét is de plaats van élke ambtsdrager.
Néé, — het is geen kleinigheid te bemerken, dat een gemeente de plaats van het ambt niet meer kent, — die plaats overschat of onderschat; — het eerste komt minder voor dan het tweede.
Hier — in dit tekstwoord, wordt ons die plaats weer aangewezen, wordt ons geleerd hoe het ambt gezien moet worden, n.l. als een instelling Gods. — Het ambt te kleineren gaat daarom niet aan; dat is zelfs hóógst gevaarlijk! Wéét u, — het leidt maar al te spoedig tot het kleineren van het , Wóórd, — het Woord Gods, dat immers via het ambt tot ons komt! —
Even gevaarlijk is het echter 't ambt, — de ambtsdrager méér eer te geven dan betaamt, want de ambtsdrager (ook een mens! — „uit het stof opgerezen") is maar al te spoedig geneigd dat Woord Gods te misbruiken, „dartel" te zijn tegen de Heere, zoals Calvijn dat heel kernachtig noemt. — De onderworpenheid is dan wel heel ver zoek.
Tussen deze beide gevaarlijke klippen dóór te zeilen, dat vereist stuurmanskunst; — Paulus heeft in die kunst lés gehad van Christus"! — Daar zit dan enerzijds de éér van de dienst in, — 't is immers geen sinecure in dienst van Koning Jezus te staan, — Zijn ambassadeur te zijn, — anderzijds zit er in: „wie is dan Paulus en wie is Apollos, anders dan dienaars? " — knechtjes van de hemelse Landman! — Maar .. , knéchtjes, die de Heere dan toch maar in dienst heeft genomen en daarom als zodanig erkend moeten worden. Want nóg eens: „schatten van Zijn hemelse wijsheid" verbergt de Heere in deze , aarden vaten". — Dat is geen pretentie voor de ambtsdragers; — als het goed is, zal het ze telkens weer bij him God op het matje brengen, om te zéggen: „Heere, wie ben ik ... ? " — De zwaarte van het ambt doet ze staan naar ootmoed en kleinheid om echter zó te zijn knéchtjes van Hém, die gegeven is alle macht in hemel en op aarde: Christus Jezus, de Heere, de gróte Ambtsdrager!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's