DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL 5
Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven de Heilige Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn opnieuw verschijnt.
Wie zijn de Heiligen, die volharden? Eens bekeerd, altijd bekeerd. Dat schijnt de zin te wezen vem de belijdenis der volharding. Wat is dan het keerpunt des levens? De tijd waarop de Heilige Geest in ons ontstoken heeft een waar geloof waardoor wij Christus omhelzen. Om dat ware geloof draait alles. De goederen, die Christus verworven heeft, helpen ons niet, zolang Hij niet in ons woont. Al wat Christus tot zaligheid van het menselijk geslacht geleden en gedaan heeft is voor ons zonder nut en van geen gewicht zolang Christus buiten ons is en wij van Hem gescheiden zijn. Dus moet Hij, om ons te kunnen meedelen wat Hij van de Vader ontvangen heeft, de onze worden en in ons wonen. Wij, van onze kant, moeten in Hem worden ingeënt en Hem aandoen, opdat wij met Hem samengroeien. Dat is werkelijk wel iets anders dan wat menigeen onder geloven verstaat. Ik vrees, dat velen op een losse veenbodem het huis hunner hoop bouwen. Er is geen of weinig afbraak in hun leven, er is niet het uitgekleed worden.
Het gaat volgens de regel: geloof maar en neem maar aan. Maar goed, dat willen wij niet. Wij weten, dat er eerst een afbraak moet plaats hebben. In dit opzicht zijn we echte Kohlbruggianen, daar Kohlbrugge vaak spreekt van de hellevaart, die aan de hemelvaart vooraf moet gaan. Evenzeer zijn we Calvinisten, waar Calvijn de nadruk legt op de Beginbekering, die aan het geloof voorafgaat, en die bestaat in een inleven van de verschrikkelijke staat van ons natuurlijk bestaan, zodat we een mishagen aan onszelf krijgen en verlossing zoeken.
Daarom stellen wij ook hoge prijs op de schrijvers uit de tijd van de Nadere Reformatie, ook wel Oude Schrijvers genoemd. Zij leren ons, dat Gods Geest de uitverkorenen eerst hun verlorenheid leert kennen, zodat zij leren verstaan, dat zij noch de wet Gods kunnen houden noch geloven en nu voor eeuwig zullen moeten verzinken in de wateren van Gods toorn. Maar dan, zo vervolgt één der Ouden: „terwijl hij dus in verlegenheid is, ziende zichzelf waarschijnlijk weggevaagd te zullen worden met de vloed van Gods toorn en nochtans onmachtig om zoveel als zijn hand uit te steken, om een tak aan te grijpen van de Boom des levens, groeiende aan de zijde der rivier, wordt hij opgenomen en ingeënt in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus, hem gevende de Geest des geloofs". Wat gebeurt er dan? Christus grijpt de zondaar door Zijn Geest en trekt Hem tot Zichzelf. „Want wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt. Dezelfde Geest, die in de Middelaar is, deelt Hij mede te rechter tijd aan Zijn uitverkorenen, om nooit van hen te wijken, maar in hen te blijven als een grondbeginsel van leven. Dus grijpt Hij hen aan door Zijn eigen Geest gesteld in hen; en zo krijgt de verdorde rank leven. De ziel is nu in de handen van de Heere des levens en bezeten door de Geest des levens; hoe kan zij dan anders dan leven? De mens krijgt een verrukkend gezicht van Christus' uitnemendheid in de spiegel van het Evangelie. Hij ziet Hem als een vollen, gepasten en gewillige Zaligmaker, en ontvangt een hart om Hem te nemen voor en in plaats van alles. De Geest van geloof voorziet hem van voeten om tot Christus te komen en handen om Hem aan te nemen. Wat hij door de natuur niet kan doen, kan hij nu doen door genade: de Heilige Geest in hem werkende het werk des geloofs met kracht".
Hierop volgt, dat, als de zondaar door de Heiland is vastgegrepen, hij Christus door het geloof grijpt en zo met de gezegende stam vat: „opdat Christus door het geloof in uw harten wone" (Ef. 3 : 17). De ziel, die te voren veel wegen beproefde om het te ontvluchten, maar alles te vergeefs, ziet nu weder met het oog des geloofs, 't geen blijkt 't genezende gezicht te zijn... Zo zijn Christus en de Christen getrouwd, 't geloof zijnde des ziels toestemming aan het geestelijk huwelijksverbond. Dit verbond wordt onbepaald aangeboden in het Evangelie aan zondaren van het menselijk geslacht en particulier wordt het getoond, bevestigd en thuis gebracht bij de mens door de Heilige Geest. Wie zo verenigd is met de Heere is één Geest met Hem. Hierdoor leeft een gelovige in en voor Christus, en Christus leeft in en voor de gelovige. „Ik ben met Christus gekruist en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij". (Gal. 2 : 20). De banden dan van deze gezegende vereniging zijn: de Geest aan Christus' zijde, en het geloof aan de zijde der gelovigen.
Nu zijn beide, zielen en lichamen der gelovigen verenigd met Christus. Zelfs de lichamen der gelovigen hebben deze eer op zich gelegd gekregen, dat zij tempelen zijn van de Heilige Geest en leden van Christus. (1 Cor. 6:19 en 15). Wanneer zij in het stof slapen, slapen zij in Jezus. (1 Thess. 4: 14) en het is uit kracht van deze vereniging, dat zij wederom uit het stof zullen worden opgewekt. „Hij zal uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, die in u woont" (Rom. 8: 11).
Deze gelovigen volharden niet.
Wij belijden en prediken de volharding van deze heiligen. Doch wij zeggen er bij, dat deze heiligen niet volharden in het leven naar Gods geboden. Daar is een groot wonder aan elk gelovige geschied. Hij of zij is uit de staat der natuur overgebracht in de staat der genade. De gelovige is wedergeboren, is met de Heilige Geest vervuld, is in Christus en heeft een groot verlangen om naar Gods geboden te leven. Nochtans valt hij soms in grove zonden. Het is niet zo, dat de natuur van de mens in de wedergeboorte zo veranderd wordt, dat hij niet meer zondigen kan of niet meer het ongeloof beoefenen. De volharding der heiligen is geen vrucht van hun vrije wil. Zij is veeleer een vrucht van Gods wil. Maar als zodanig is zij dan ook aanwezig. En om dit voorop te zetten: de volharding is niet voldoende omschreven als men stelt, dat God volhardt in het vergeven. Door de genade Gods is er ook een blijven in Christus, zodat Gods kinderen altijd kinderen blijven, omdat zij door het geloof Christus ingelijfd blijven. Maar aan de andere kant mag men niet vergeten, dat weliswaar de staat van de gelovige vast blijft door het gebed van Christus (Luc. 22 : 32) maar dat zijn stand aan zeer veel wisselingen onderhevig is. Sommigen zeggen, dat de drie stukken: ellende, verlossing, dankbaarheid van het begin af alle drie aanwezig zijn. Dit is onjuist wat betreft de toeleidende weg. Daar gaan het begin van de kennis der ellende aan het begin van het geloof vooraf. Ursinus licht in zijn schatboek de volgorde der drie stukken uitvoerig toe. Hij zegt daar o.a. dat de kennis der ellende beslist geen deel van de enige troost is, maar dat zij een begeerte verwekt om verlost en getroost te worden". Zo lang wij onze ellendigheid niet kennen wordt ook de verlossing niet begeerd, en dus ook niet verkregen .. Want de mensen zijn geen bekwame toehoorders van het Evangelie, tenzij zij hun zonde en ellendigheid kennen, want door de verkondiging der Wet, uit welke de ellende gekend wordt, moet de verkondiging van het Evangelie voorbereid worden. Daarom moet men van de verkondiging der Wet beginnen, gelijk wij zien dat de profeten en apostelen gedaan hebben, opdat de mensen afgebracht worden van de waan hunner gerechtigheid en alzo tot de ware bekering voorbereid. Maar zo dit niet geschiedt worden zij door de verkondiging der genade zorgelozer en hardnekkiger ...
Dus in het begin, in de toeleidende weg, volgt het ene stuk op het andere. Maar als het geloof verkregen is worden de drie stukken gelijkelijk dieper geleerd. Dan trekken zij samen op. Eerst wordt het stuk der ellende dieper geleerd, want het meeste, wat een christen gewoonlijk doet is: zondigen.
De allerheiligsten hebben maar een klein beginsel van gehoorzaamheid. Daaruit volgt, dat hun ongehoorzaamheid in gedachten woorden en werken groot is. Bovendien zijn hun beste werken onvolkomen en met zonde bevlekt. Dat hoeven niet altijd uitbrekende zonden te zijn, maar het zijn wel overtredingen van Gods Wet. Ik moet eerlijk zéggen, dat ik daarom het christendom van veel christenen niet begrijp. Zij leven geestelijk alle dagen vrolijk en prachtig, als u begrijpt, wat ik bedoel. Van dat zuchten en klagen, zeggen ze, wil ik, niets weten. Maar hoe is het op de wereld mogelijk, dat iemand nauw aan de Heere Jezus verbonden is, maar nochtans veel zondigt tegen de liefde Gods in en dan zo luchthartig daarover praat? Ik meen, dat een christen alleen dan een echt christen is als hij gedurig weet, van de toorn Gods ook over zijn leven en van de schuld en van het bedroeven van de Heilige Geest. Deze dingen zijn in een christenleven, zeg maar elke dag, aanwezig. Is het nu niet al te gemakkelijk als men dan het zuchten en het bedroefd zijn, het roepen uit de diepte en de benauwdheid des harten niet kent en al maar roept: ja maar, wij hebben toch vergeving van zonden? Ik dacht, dat de Leerregels het juister hebben gezien. Deze spreken weliswaar over grovere zonden. Maar ik meen dat ook de fijnere voor de Apostel Paulus reeds aanleiding waren tot de uitroep: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Ik ellendig mens. Zo is er een volharding der heiligen, nochtans volharden zij niet in de onderhouding van Gods geboden noch in het gevoel der genade. En als het laatste blijft wordt het toch menigmaal verdonkerd door de fijnere zonden.
Ook is het niet zo, dat de mens dat gevoel van genade weer kan doen oplichten of over Gods vergeving beschikken. Men hoort het honderd keer zeggen: ik begrijp niet dat jullie het zo moeilijk vinden om te geloven. De Heere Jezus is toch voor ons allemaal gestorven, dat moet je toch aannemen en natuurlijk doe je elke dag wel eens iets dat verkeerd is, maar 's avonds bid je toch om vergeving en dan weet je, dat de zonden ook vergeven zijn. Zo makkelijk wordt er in steeds wijder kring over gepraat, maar meent men nu werkelijk, dat de Heere Jezus en Zijn bloed zo maar door ieder genomen kunnen worden, naar ieders welbehagen?
Zonde is doodzonde.
Artikel 5 spreekt van een schuld des doods bij grovere zonden. Zeer waarschijnlijk hebben de Dordtse vaderen niet willen zeggen, dat de kleinere zonden geen schuld des doods meebrengen. Hieruit volgt, dat het leven van een gelovige een gestadige boete moet zijn. Hij is altijd bedroefd over zijn zonde. Dit is juist het voorrecht van een christen, dat hij daarover bedroefd is. Hij weet ook dat de kleinste zonde onder een schuld des doods ligt. Welke zonde zou de doodstraf niet verdienen? Daarom moeten ook Gods kinderen van zichzelf steeds belijden, dat zij midden in de dood liggen, zoals het Avondmaalsformulier zegt. Zou dat geen stempel drukken op een gelovige? Als mens, die zonde was, is en blijft, van nature, zolang hij hier op aarde is, leeft in hem de vertwijfeling. Of moet ik zeggen, dat hij op de rand der vertwijfeling leeft? (Rom. 7 : 24). Ik meen, dat door velen dit niet genoeg beleefd wordt. Maar ook hier zijn twee lijnen. Het is altijd getrooste vertwijfeling behalve wanneer de grovere zonden doorbreken. Dan kan ook voor een tijd de troost geheel verdwijnen. Is het een moeilijk leven? Er zijn veel zonden.
„Gij deed mij veel benauwdheid smaken en drukkend harteleed". Dus is er in een waar christenleven ook veel smart. Voorts is er wel degelijk onderscheid in de zonden. Niettemin is het ook zo, dat niet de zondige daden alleen verontrusten, doch veel meer de hele droeve, verdorven zondige gesteldheid van het hart, waaruit alles voortkomt (Marcus 7 : 21 v.v.).
Daartegenover staat, dat een gelovige een toegang heeft tot Christus en tot de Vader. Hij mag zelf niet nemen, maar heeft wel toegang om eerbiedig alles te vragen. Ook zijn er de beloften en bovenal het kruis van Christus als een kruis der hope. Zo is het gewone leven een getrooste vertwijfeling, waarin het bloed des kruises meerdere malen druppelt in de gewonde ziel. Maar het is vaak een gewonde ziel. En nu gaat de gelovige in zijn gevoel der genade op en neer, maar een gelovige blijft hij en dat is de hoofdzaak der volharding al kan hij dat geloof soms niet oefenen.
Doch zelfs de grootste zonden nemen dat geloof niet weg, zodat er geen Judas gestalte komt. Tegen wanhoop wordt Gods volk bewaard. Wat is de steun voor het geloof zelfs van de gevallen Petrus?
1. De krachtige werking en toerekening van het offer van Christus.
2. De onafgebroken voorbede van Jezus Christus voor alle gelovigen.
3 De almachtige kracht en regering van Christus Jezus aan Gods rechterhand, waardoor Hij krachtig heerst over zonde, dood, duivel en hel en Zijn schapen niet uit Zijn hand laat rukken.
4. Gods eeuwige liefde en verkiezing, waardoor Hij ons bemint en uitverkoren heeft in Christus van voor de grondlegging der wereld.
Maar als het grovere zonden betreft maakt Gods volk meer dan eens een hellevaart, want men zou ten onrechte in Psalm 32 lezen: Welzalig wie zichzelf de zonden vergeeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's