EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK
of Wél-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald.
Jozefs laatste woorden staan beschreven in het volgende hoofdstuk (Gen. 50 : 24 v.). En Jozef zeide tot zijn broeders: zie, ik sterf, maar God zal u gewisselijk bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land naar het land, hetwelk Hij Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft. En Jozef deed de zonen van Israël zweren zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren. En Jozef stierf honderd en tien jaar oud en zij balsemden hem en legden hem in een kist in Egypte.
Mozes, die zoveel gedaan heeft voor het volk Israël en zoveel geschreven, heeft verscheidene woorden en vermaningen tot hen gericht, eer hij stierf, die in de laatste hoofdstukken van zijn vijfde boek verhaald worden. Daarna ging Mozes heen en sprak deze woorden tot gans Israël en zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaar oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan. Daartoe heeft de Here tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan; de Here uw God, die zal voor uw aangezicht overgaan, die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit; Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de Here gesproken heeft. En Mozes riep Jozua en zeide tot hem voor de ogen van gans Israël: Wees sterk en heb goede moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land, dat de Here hun vaderen gezworen heeft hen te zullen geven, en gij zult het hun doen erven, de Here nu is degene, die voor uw aangezicht gaat. Hij zal u niet begeven en u niet verlaten, vrees niet en ontzet u niet. (Deut. 31 : 1, 2, 3, 7, 8). Het 32ste hoofdstuk bevat Mozes' sterflied en het 33ste zijn zegen, waarmede hij het volk der stammen Israels zegende voor zijn sterven.
De bevelen van Jozua, de knecht van Mozes, die hij gaf aan de Israëlieten voor zijn sterven, staan beschreven in de laatste twee hoofdstukken van het boek Jozua.
De laatste woorden van Simson waren: Here, Here, gedenk toch mijner en sterk mij ditmaal alleenlijk, o God, dat ik mij met een wrake voor mijn ogen aan de Filistijnen wreke en gegrepen hebbende de pilaren, zeide Simson: Mijn ziel sterve met de Filistijnen. (Richt. 16 : 28, 30).
De huisvrouw van Pinehas kon zich niet verheugen over wat men tegen de tijd van haar sterven tot haar zeide: vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Maar zij zeide: de eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de ark Gods is genomen (1 Sam. 4 : 20 v.).
De laatste woorden van David staan in 2 Sam. 23 : 1 w. De God Israels heeft gezegd, de Rotssteen Israels heeft gesproken: daar zal een heerser zijn over de mensen een rechtvaardige, een heerser in de vreze Gods. En hij zal zijn gelijk des morgens, wanneer de zon opgaat. Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft hij met mij een eeuwig verbond gemaakt, dat in alles wel geordineerd is en bewaard. Voorzeker is daarin al mijn heil, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.
En hetgeen David het laatst tot zijn zoon Salomo zeide, staat in 1 Kon. 2. Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zoude, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende: Ik ga heen in de weg der ganse aarde, zo wees sterk en wees een man en neem waar de wacht des Heren uws Gods om te wandelen in Zijne wegen, om te onderhouden Zijn geboden en Zijn rechten en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de Wet van Mozes, opdat gij verstandig handelt in al wat gij doen zult en waarheen gij u ook wenden zult, opdat de Here Zijn woord bevestige, dat Hij over mij gesproken heeft zeggende: Indien uwe zonen hvm weg bewaren om voor Mijn aangezicht getrouw met hun ganse hart en hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, van u afgesneden worden van de troon Israels.
Het laatste gesprek van Elia de profeet met Elisa voordat hij met de vurige wagen werd opgenomen, wordt gevonden in 2 Kon. 2 : 9, 10. Het geschiedde nu als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer, wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen word en Elisa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn. En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd. Indien gij mij zien zult, als ik van bij u weggenomen word, het zal u alzo geschieden, doch zo niet, het zal niet geschieden.
Hoe Elisa afscheid neemt van de koning Israels Joas, zie dat 2 Kon. 13 : 14 vv. Elisa lag ziek aan de krankheid, waaraan hij sterven zoude en Joas de koning van Israël kwam tot hem en weende over zijn aangezicht en zeide: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiters.
Zacharia de zoon van Jojada de priester zeide slechts, toen hij gestenigd werd: de Here zal het zien en zoeken. Toen Hizkia werd aangezegd, dat hij sterven zou — maar zijn leven werd nog met vijftien jaren verlengd — keerde hij zijn aangezicht naar de wand en bad tot God: O, Here gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld heb en wat goed is in uwe ogen heb gedaan, en Hizkia weende gans zeer. (Jes. 38 : 3).
Simeons lofzang is bekend, die hij uitsprak, als hij de Messias in zijn armen nam, eer dat hij de dood zag: Nu laat gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uwe zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken, een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël (Luc. 2 vs. 29 v.).
Het gebed van onze Zaligmaker Jezus Christus, toen hij zich op de dood voorbereidde, staat in Joh. 17 : L Dit heeft Jezus gesproken en Hij hief zijn ogen naar de hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Aan het kruis hangende in zijn laatste ure sprak Hij, en dit met grote stem: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Hij bad ook voor wie hem kruisigden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen. Tot de boetvaardige moordenaar zeide Hij : Voorwaar zeg Ik u: heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Daarna wederom met grote stem: Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest. Johannes voegt er in zijn geschiedenis bij, dat Jezus zeide, ziende Zijn Moeder en de discipel, die Hij liefhad, daarbij staan: Vrouw, zie uw zoon, en daarna tot de discipel: zie, uw moeder (Joh. 19 : 26 V.). Voorts opdat de Schrift vervuld zoude worden zeide Hij: Mij dorst. Ten laatste zeide Hij: het is volbracht, en het hoofd buigende gaf Hij de geest.
De eerste martelaar Stephanus roept, terwijl hij gestenigd wordt: Here Jezus, ontvang mijn geest. En voor zijn vijanden: Here, reken him deze zonde niet toe. En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. (Hand. 7 : 59, 60).
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's