De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

Het schijnt de laatste tijd geen erg gunstig klimaat te zijn voor „de achttien"; als we tenminste de kerkelijke pers doorbladeren, is er nog niet veel voortgang te bespeuren in het elkaar begrijpen, laat staan in het nader tot elkaar komen van hervormden en gereformeerden.

De persschouwer van de Reformatie citeert een gedeelte uit het artikel dat onlangs in De Waarheidsvriend stond, waarin de geschiedenis van de herv. evangelisatie in Zwolle uitvoerig verteld werd. De vrijgemaakte persschouwer maakt er dan o.a. de volgende kanttekeningen bij:

Wat bewoog deze mensen toch een halve eeuw, bijna twee geslachten lang, in de Herv. Gemeente, die geen door Christus aangestelde herders had, waarin de reine predikatie van het Evangelie niet geoefend werd en de reine bediening der sacramenten niet gebruikt werd, te blijven? Of neen, dat deden ze niet; ze vertoefden al die tijd „als onder een afdak van de kerk". Maar is dat geen fictie? Niet de kerk bouwde dat afdak, zijzelf deden dat. Als ik kans zou zien een afdak bijv. tegen het koninklijk paleis op de Dam in Amsterdam aan te bouwen, wordt het daardoor een afdak van het paleis, zodat, als ik onder dat afdak schuil, ik feitelijk in het paleis ben?

Luther heeft geen afdak tegen de roomse kerk gebouwd, maar heeft de kerk tot reformatie mogen voeren. Paulus heeft geen afdak tegen de synagoge te Efeze gebouwd, maar hij hield dagelijks besprekingen in de gehoorzaal van Tyrannus. (Hand. 19 : 9). Welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? (2 Cor. 6 : 15).

Nu hebben we er begrip voor, dat in het vrijgemaakt kerkelijk denken het „schuilen onder een afdak van de kerk" een zeer moeilijk te verteren brok is, maar dat neemt niet weg dat de nadere exegese van het begrip „afdak" en de uitwerking die er aan gegeven wordt, op zijn zachtst gezegd, toch wel erg vreemd is en van volkomen gebrek aan begrip getuigt.

Ik moet echter toegeven, dat ook van mijn kant gesproken moet worden van gebrek aan begrip en fantasie. Met de beste wil van de wereld kan ik me namelijk Paulus en Luther niet voorstellen, staande in de voorste gelederen van de vrijgemaakten, terwijl ze de mogelijkheid om met de gereformeerden samen te spreken afwijzen, en vol ijver bezig zijn dominee's te schorsen en af te zetten, die van gedachten waren dat dat toch eigenlijk nog wèl kon.

Dit elkaar niet begrijpen komt ook tot uiting in het commentaar dat prof. Ridderbos schrijft bij het communiqué dat in de pers verschenen is over de besprekingen die door de Herv. Synode gehouden zijn over de verhouding Hervormd-Gereformeerd. Hij schrijft daarover in de rubriek Van Week Tot Week " van het Geref. Weekblad (Kok), onder het opschrift: Nog niet alles duidelijk, en merkt o.a. op:

Overigens kan men uit dit communiqué, dat naar ik aannemen mag (de Herv. Synode is voor de pers niet toegankelijk) van het bureau van de Herv. Kerk afkomstig is, ook concluderen, hoe verschillend wij over en weer elkander en onszelf bekijken en hoe moeilijk wij elkaar nog kunnen begrijpen. Wij gereformeerden denken en zeggen dikwijls, dat de tegenstellingen binnen de Hervormde Kerk zelf veel groter zijn dan (laat ons zeggen) die tussen de doorsnee Hervormde en de Gereformeerde. Maar op de Herv. Synode bekijken ze dat heel anders. De Gereformeerden leven onder grote spannnigen, zegt prof. Jonker. Wat kunnen wij (Herv.) doen, dat ze niet uiteenvallen? En van de Hervormden verklaart dr. Emmen: het is goed, dat men ons niet meer voorstelt als een bundel van richtingen. Er valt bij ons vanuit een „reëele eenheid" te spreken. Hier schijnt dus iedere zweem van verdeeldheid overwonnen te zijn. Zeis van een bundeling van richtingen mag niet meer gesproken worden. Het is alles één geworden.

Een gereformeerde, die, zoals ondergetekende vandaag, op één dag artikelen onder ogen kreeg van de zware „Bonder" ds. Vroegindewey en van de puur vrijzinnige prof. Smits, begrijpt nóch de zorgen van prof. Jonker, nóch de roemtaal van dr. Emmen. Hij heeft het gevoel, dat de woorden „spanningen" en „eenheid" hier en ginds met een totaal verschillende inhoud zijn gevuld.

En hij vraagt zich af, welke eenheid nu straks in het gesprek bedoeld en nagestreefd zal worden. Soortgelijke reacties ondergaan wij haast onwillekeurig, als wij lezen wat, weer volgens dit officiële persverslag, over de belijdenis gezegd wordt. De gereformeerden, zo zegt de aangenomen „handreiking voor het gesprek", moeten zich hoeden voor een formalisme, dat de belijdenis krachteloos maakt, de hervormden voor een actualisme, dat hen de gemeenschap met het verleden doet verliezen. Ook hier keert zich voor ons gereformeerde besef alles 180 graden om. Want wij (geref.) hebben altijd in de veronderstelling geleefd, tegen een formeel gebruik van de belijdenis (wel een belijdenis in naam, maar zonder enige kerkelijke binding er aan) gestreden te hebben en daardoor uit de Herv. Kerk geraakt te zijn. De opstellers van de handreiking zien echter bij óns de verzwakking en het krachteloos worden van de belijdenis, terwijl men eigen fouten meer daarin ziet, dat men wel eens zó „actueel" wordt in het belijden, dat men de vaderen nauwelijks meer in het oog houdt. Het gevaar voor belijdenisverlating ligt dus niet bij de Hervormden, maar bij de Gereformeerden. Natuurlijk is dit door de opstellers in grote ernst bedoeld en zullen wij dit ook als zodanig moeten aanvaarden. Echter niet zonder de bekentenis, dat dit voor ons duistere woorden zijn en dat er bij deze handreiking ook nog wel wat ter verklaring gereserveerd mag worden.

Hoe nodig dit is, blijkt vooral uit de reeds gegeven toelichting van dr. Hebly, lid van de commissie. Hij zei, dat de oorzaak dat de gereformeerden nog al eens wijzen op de aanwezigheid van de vrijzinnigen in de Herv. Kerk, daarin te zoeken is, dat zij (blijkbaar: de geref.) het hervormd onderscheid tussen belijdenis en belijden loeilijk verstaan. Daarom is in het stuk niet over de vrijzinnigheid gesproken, maar de „zaak zelf aangewezen". Voor ons, ik moet het tot mijn spijt erkennen, is dit wederom kryptische duistere; UdP) taal. Natuurlijk zal dr. Hebly wel meer gezegd hebben. Maar het officiële communiqué heeft toch in het hier overgebrachte de quïntessens gezien en voor een Hervormde is dit blijkbaar wèl zinvol. Wat ik er uit opmaak is, dat wij gereformeerden niet begrijpen, dat een vrijzinnige misschien wel zo genoemd kan worden als men hem bekijken wil onder het gezichtspunt van de belijdenis, maar niet als men het doet onder het gezichtspunt van het actuele belijden. Anders gezegd: „formeel" (gereformeerd gedacht) is hij wèl vrijzinnig, maar „actueel" (hervormd gedacht) is hij het niet. En daarom doet men maar beter niet meer over vrijzinnigheid te spreken.

De Hervormden hebben meer ervaring met vrijzinnigen dan wij. Wij zullen dus bereid moeten zijn naar hen met aandacht te luisteren, óók als het straks in de gesprekken over het pro- Week (óns probleem blijkbaar) van de vrijzinnigheid gaat. Wij zullen ook bereid moeten zijn onze mening te herzien, waar dit kan en mag. Wij zullen ons hebben te verheugen over het goede en niet over het kwade, dat wij bij elkaar aantreffen. Maar dat kan anderzijds toch niet daaruit bestaan, dat wij ons met kryptische kluitjes in het riet laten sturen. Wij zullen elkaar op zijn minst ernstig moeten nemen. Ik moet eerlijk erkennen, dat de lezing van dit officieel verslag hij mij niet geheel de indruk gemaakt heeft van die ernst. Ik begrijp, dat het de Hervormden ernst is met hun zaak, maar ik geloof niet, dat ze ook al ernst maken met de ónze.

Nu kan prof. Ridderbos dit allemaal wel op de hem eigen rustige en evenwichtige wijze betogen, maar het is de vraag of een dergelijke aanpak van de zaak op de duur nog wel zich zal weten te handhaven. Ik ben bang dat dit spoedig als ouderwets aan de kant gezet zal worden. In ieder geval zetten de „achttien" op hun congres in de Apollohal aan hun luisteraars gans andere kost voor. En nu is het maar de vraag hoe groot bij de gereformeerden het aantal „actuele" dominee's en aanhangers is en welke de invloed is die zij in het geheel van het kerkelijk leven hebben. Ik weet ook niet wie en wat daar op het congres gesproken heeft en is, maar van hervormde zijde is er in ieder geval wel „actueel" gesproken. In De Waagschaal geeft namelijk ds. H. A. Visser een brede samenvatting van dat wat hij op het congres in Amsterdam sprak. Blijkens deze brede samenvatting heeft ds. Visser iemand verweten dat hij zijn oudere lezers naar de mond praat; deze rede maakt sterk de indruk, dat de spreker de jongere luisteraars naar de mond praat. Wel kunnen we zeggen: als de kerk niet meer was dan deze verzameling „actuele" kreten, dan liep zij op haar laatste benen. Ter illustratie willen we enkele citaten uit deze redevoering doorgeven:

Laat ik mogen beginnen met de mededeling, dat ik het eenvoudig grotesk vind, dat de gereformeerden en hervormden nu pas begonnen zijn te praten over de mogelijkheden om tot eenheid te komen, terwijl ze geen van beiden al jarenlang ook maar één legitieme reden hebben om gescheiden te blijven. Als men mij op de catechisatie vraagt: Wat is toch het verschil tussen een gereformeerde en een hervormde en tussen de gereformeerde en hervormde kerk, dan zeg ik steevast: „Dat weet ik niet en dat weet niemand". O ja, dan beginnen er een paar, die verloofd zijn met een gereformeerd meisje, te zaniken over de drie formulieren van Enigheid, over tucht en over vrijziimigen. Maar, als ik hun de vraag stel of er nog wel gereformeerden zijn, die de artikelen tegen de remonstranten kennen en of ze nogal happy zijn met hun tucht en of ze ook niet menen, dat een aantal „fortschrittliche" Gereformeerde dominees een heel stuk vrijzinnigheid ia zich opgenomen hebben, zwijgt ieder .. . . .

Praat je met elkaar door, dan liggen we allemaal met precies dezelfde problemen overhoop; het enige verschil is, dat de gereformeerden een beetje heviger geschokt zijn van Robertson's uitspraken en diep in hun hart met de problemen bezig zijn, die de hervormden al in hun studententijd moesten verwerken (evolutie, „geloof en projectie", enz. enz.). Geen enkel zinnig predikant uit de geref. kerk staat nog achter de besluiten van de Asser synode (H.V.) en wie als gereformeerde ook maar even over de rand van de kerkelijke omheining uitkijkt, geneert er zich voor, dat zijn kerk zich nog steeds niet aangesloten heeft bij de Wereldraad. Men heeft enorm veel te stellen met het steeds groeiende aantal non-conformisten onder de intelligentia en de jeugd, die op een bepaald moment wel eens kunnen gaan anticiperen (en het al doen; ik denk aan de Sjaloomgroep) op een oecumenische situatie, waarbij het de synodale heren groen en geel voor de ogen wordt. We kunnen, als we van de mentaliteit van de doorsnee gereformeerde predikanten en jonge intellectuelen uitgaan, (en dat moeten we) alleen maar zeggen: het is grotesk, dat we nog gescheiden zijn . .. . .. .

We hebben geen reden, we hebben ook geen recht gescheiden te zijn. We kunnen ons in Nederland, waar de reformatorische christenen een steeds kleiner wordende minderheid gaan vormen en velen met een daverende klap de kerkdeur achter zich dichtslaan (ik denk aan het verboden nummer van het gereformeerd studentenblad „Pharetra") of keurig terwille van hun kinderen nog wat meedoen met het kerkgedoe, maar in wezen het geloof en hun kerk allang verloren hebben (en dat zijn er veel meer dan u denkt!), we kunnen het ons in Nederland eenvoudig niet meer veroorloven, volkomen ongegrond gescheiden naast elkaar voort te leven. En al zegt Plex in „Trouw", dat hij de liederen van Joh. de Heer erg mooi vindt en de boeken van de moderne schrijver (waar Algra boos over is) nooit leest (ik ken meneer Plex niet, maar deze man heeft of geen smaak of hij praat de oudere lezers naar de mond en ik geloof het laatste), ik zou hem en vele gereformeerden toch willen aanraden zich eens in de boeken van Jan Wolkers te verdiepen, want deze man behoort tot de derde generatie van de gereformeerden!

Ik citeerde driemaal het verboden Pharetraorgaan. Daar zegt een zoon van een vooraanstaand gereformeerde: „Aan het gereformeerdendom heb ik mij altijd geërgerd. Voor mij zijn de gelovigen de leugenaars van den beginne". Verder: „Het geloof maakt de mensen wel lastig, niet mooi". En tenslotte: „De gereformeerde kerk is een individualistische kweek, daar krijg je al die moeilijke jongens van".

De kerken lopen leeg in de onverschilligheid en het meest geharnaste nihilisme enerzijds en de secte anderzijds. En een keurtroep (dat mag ik er nog wel bij zeggen!) blijft z'n kerk, zolang het nog kan, trouw, maar is het stadium van „de 18" allang voorbij en al zeggen alle kerkeraden, synoden en concilies „het mag niet", ze anticiperen op de oecumenische toekomst door nu al als R.K. en reformatorische christenen alles samen te doen en er geen been in te zien gemeenschappelijke kerkdiensten en avondmaalsvieringen te houden (Roomsen èn Protestanten). Daarom word ik zo ziedend, als ik de waardige gematigde en wijze mensen, die ik in de aanvang citeerde, hoor zeggen: „We moeten t.o. de 18 een verstandige en afwachtende houding aaimemen en niet voortijdig handelen". Ik citeer: „Reeds jarenlang heb ik nu al het woord „wachten" gehoord. Dit woord „wachten" heeft, als het erop aankomt altijd alleen maar nooit betekend. Het was een soort slaapmiddel, dat het oproer der gevoelens voor korte tijd tot bedaren bracht, zij het slechts om de miskraam van een nieuwe ontgoocheling ter wereld te brengen".

Voorts moet ik u zeggen, dat ik door de groep der „gematigden" diep ontgoocheld ben. Ik ben bijna tot de betreurenswaardige opvatting gekomen, dat het grootste blok aan ons been niet wordt gevormd door de fanatieke tegenstanders, maar door de gematigden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's