De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

0ude paden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

0ude paden

OP HET KERKELIJK ERF

8 minuten leestijd

4

Is het niet opmerkelijk dat we van vele bijbelheiligen zo weinig weten betreffende hun bekering. We denken b.v. aan Abel, Mozes, Aaron, Elia, Elisa, Samuël, David, Timotheüs en de discipelen. Gold het in hun leven niet dat net zaad des Evangelies in de harten wies, doch niemand wist hoe? Is niet het grote gevaar aanwezig dat men alléén een bepaald soort van bekering als de echte beschouwt en een meer Evangelische bekering voor bedenkelijk wordt aangezien? Terwijl toch deze laatste bekeringen in de Heilige Schrift en in de geschiedenis der kerk verreweg het meeste voorkomen.

Hier komen we te staan bij een ernstige wondeplek in het kerkelijk leven, die het welzijn van het lichaam der kerk ten zeerste bedreigt. Enerzijds het vaak teveel of geheel ontbreken van de schriftuurlijke aanbieding der genade, van de opwekking tot bekering en geloof en tot het doen van de onberouwelijke keuze. Anderzijds de bekering in een te eenzijdig licht plaatsen, zodat alleen een zeker soort van bekering als de echte wordt beschouwd. Dit belemmert de doorwerking des Heiligen Geestes.

Is het gevaar niet aanwezig dat een opgroeiende jeugd der kerk, door een bepaalde prediking zo gevormd wordt, dat ze menen dat het enige wat van hen verwacht mag worden bidden en wachten is, maar niet geloven, omdat geloof een gave Gods is, die geschonken moet worden. Alsof écht bidden en écht wachten niet een gave Gods zou zijn. En daartoe wekt men wél op. Zo wordt het niet aannemen van de in de Heilige Doop aangeboden weldaden, nog tot een bewijs van rechtzinnigheid. Zo „durft" de jeugd niet meer te geloven. En als toch het geloof in de ziel door gaat breken, op Evangelische wijze gewerkt, dan durft men er haast niet voor uit te komen. Omdat men het niet voor echt durft te erkennen en door anderen in twijfel getrokken zou worden, omdat het geen bekering is die aan een bepaalde maatstaf voldoet. Een maatstaf, die niet de H. Schrift, doch mensen hebben vastgesteld.

M.a.w.: op een Paulus-bekering wordt wel, en terecht, het stempel der goedkeuring gezet, doch op een geleidelijke door de Geest gewerkt geloof als bij Timotheüs en zovele anderen, wordt het stempel der goedgeuring onthouden.

Dit alles lag bij de oude kerk, bij de reformatoren zo anders. Zulk een geloof werd aangewakkerd, met als gevolg dat er ook meer vrijmoedigheid was om belijdenis des geloofs af te leggen en daarbij het vertrouwen des harten uit te spreken, dat zij steunden op de zaligheid door Christus verworven.

Bij dit alles komt, dat in onze dagen de jeugd der kerk dikwijls zo weinig aanschouwt bij de ouderen de bevestiging van de waarheid: „hoe zalig is het volk dat naar Gods klanken hoort, zij wandelen Heere in het licht van het goddelijk Aanschijn voort". Moet het hen niet vaak toeschijnen dat het geestelijk leven hoofdzakelijk bestaat uit armooede, klacht en somberheid en dat waar het anders gesteld is, dit een bewijs van onechtheid is? Niet alsof die armoede, klacht en somberheid nooit in het leven van de gelovige gevonden zouden worden. Dit te ontkennen, zou in strijd met de werkelijkheid zijn. Maar hierin gaat het leven van een christen niet op. Zijn leven zal toch door genade mogen staan in het teken van de Blijde Boodschap, van het Evangelie, die zo heerlijk vertolkt wordt in het formulier van het Heilig Avondmaal, nl. dat Christus voor ons geworden is tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Uit dat geloof mag de rechtvaardige leven, dat brengt de zekerheid en de blijdschap in zijn leven. Daardoor mag hij weten dat hij een pelgrim is, die de stad verwacht die fundamenten heeft en mag hij instemmen met hetgeen de oude kerk onder de dienst der schaduwen reeds mocht zingen:

Zo zullen wij de schapen Uwer weide, in eeuwigheid Uw lof. Uw eer verbreiden".

Er ligt dikwijls zo weinig glans, blijdschap en zekerheid des geloofs meer over het geestelijke leven verspreid. Zou bepaalde prediking hieraan geheel onschuldig zijn? Worden de pelgrims nog wel voldoende door middel jder prediking op hun levenspad begeleid door onderwijzing, vermaning en opbouw in het geloof? Worden ze niet vergeten? Dienen herder en leraars zich niet allereerst en hoofdzakelijk tot de gemeente van Jezus Christus te wenden, zonder degenen, die daar niet toe behoren te vergeten? Men krijgt vaak de indruk, dat men niet meer gelooft in een samenkomst van de gemeente van Jezus Christus. Het is niet zelden een prediking tot onbekeerde mensen, die nog niet tot het geloof gekomen zijn, waaronder zich dan een enkele bevindt van wie men geloven mag, dat deze wel tot de levende kerk behoort. Daardoor komt er die droeve tweeslachtigheid. Enerzijds ziet men de gemeente van Jezus Christus niet, die in de weideplaats van Gods Woord gekomen is om als schapen en lammeren gehoed en geweid te worden, doch de herder zo weinig onder zich bemerken, omdat hij bijna alleen zich beperkt tot de schare die nog niet tot het geloof gekomen is. Hij ziet zo weinig de gemeente van Christus, ondanks het feit dat hij de zegen, die alleen voor de gemeente des Heeren is, op de schare legt en die schare de liederen Sions laat zingen. zoals b.v. „'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên". Is het eigenlijk, wanneer we het goed bezien, niet zo dat de psalmen de liederen der gelovigen zijn, gezongen in al de wederwaardigheden van hun leven, die uitingen zijn van hun geloof en hun geloofsworstelingen. De oplegging van de zegen en het laten zingen van de psalmen getuigt er van dat de gemeente des Heeren zich rondom het Woord geschaard heeft, maar in de prediking, de goeden niet te na gesproken, is het alsof die gemeente niet meer aanwezig is en in de geesteloze tijd die we beleven, geen bijzondere zielszorg en opbouw nodig heeft. Is het niet vaak zo, dat teksten die zoals ook uit het verband blijkt, tot de gemeente Gods, tot de gelovigen, gericht zijn, behandeld worden alsof ze tot onbekeerden gesproken zijn. Daardoor wordt de inhoud, tengevolge van onschriftuurlijke exegese, niet bij de werkelijk geadresseerdejn thuis bezorgd. Wanneer men de samenkomsten niet meer ziet als samenkomsten van de gemeente van Jezus Christus, dan kan het niet anders of de exegese van Gods Woord bij de bediening daarvan gaat gevaar lopen.

We merkten het reeds op, dat er vaak zo weinig glans, blijdschap en zekerheid des geloofs over het geestelijke leven verspreid ligt. En dat een bepaalde prediking daaraan ook niet geheel onschuldig is. Er wordt dikwijls haast geen herderlijke zielszorg aan Christus' gemeente besteed. Er is zo weinig opbouwende bearbeiding.

Hoe geheel anders in de Heilige Schrift.

Hoort hoe b.v. de apostelen de gemeente bouwen:

„Het woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid, leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart".

„Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht, Doet aan de gehele wapenrusting Gods".

„Indien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast en niet bewogen wordt van de hoop des Evangelies, dat gij gehoord hebt". „Verblijdt u in de Heere te aller tijd; wederom zeg ik: verblijdt u".

„Gelijk gij dan Christus de Heere hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem, geworteld en opgebouwd in Hem en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijn de in hetzelve met dankzegging".

Ze danken, wanneer het geloof der gemeente zeer wast, ze zijn vertroost wanneer ze horen dat de gemeente vast staat in de Heere en ze wekken op om op te wassen in Hem, Die het Hoofd is, nl. Christus, om te wandelen als kinderen des lichts, om met vrijmoedigheid toe te gaan in volle verzekerdheid des geloofs, om tot de volmaaktheid voort te varen, de genade vast te houden, uit het geloof te leven en te wandelen en om niet meer te noemen: „laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden".

Wat wordt in deze geest weinig getracht door de prediking de gemeente van Christus op te bouwen. Ook in dit opzicht zijn de oude paden verlaten. Men meent soms dat het niet past van zichzelf te belijden een kind Gods te zijn. Dit beschouwt men enigszins als geestelijke hoogmoed. Calvijn zegt echter: „ons geloof is nietse tenzij we ons zeker overtuigd houden, dat Christus de onze is en dat de Vader ons in Hem genadig is". „Niemand kan een kind Gods genoemd worden, die zichzelf niet bekend zulks te zijn". „Niemand kan met het hart geloven, zonder met de mond te belijden". Vandaar ook dat Paulus, die zichzelf een ellendig mens noemde, omdat hij zich geestelijk niet kon uitleven, zoals hij naar de nieuleed: „Wiens ik ben en Wie ik dien", wemens zo graag zou begeren, toch be. . . . .. (mist hier een zin?)

Het geestelijk klimaat waaronder we leven is vaak zo geheel anders dan het schriftuurlijk klimaat. Een ander klimaat, een andere geestelijke wind, andere paden.

Oude paden op het kerkelijk erf. Ze roepen ons op tot bezinning. Bezinning ten opzichte van onszelf en van de prediking. Want de nood der kerk, is de nood der prediking.

(Den Haag)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

0ude paden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's