DE HEILIGE SCHRIFT
Het Woord Gods
I.
Velen zijn in onze dagen aan het wankelen gebracht of zelfs meegesleurd door de verleidende theorieën en speculaties van Prof. Dr. Karl Barth over „openbaren", dat ook weer een „verbergen" zou zijn, zodat de gestalte, waarin Gods Woord ons gegeven wordt, niet met de zaak zou overeenkomen, maar haar zelfs zou weerspreken.
Het ligt voor de hand, dat we onze lezers niet gaan vermoeien met een uiteenzetting van Earth's theologische speculaties, die met de gezonde leer der Heilige Schrift op gespannen voet staan en daarmede in flagranten strijd zijn. Wie om een of andere reden gaarne op de hoogte is met de theologie van Barth kan zijn uitgebreide „Kirchliche Dogmatik" raadplegen en wie zich tot de aangelegen onderwerpen wil bepalen, doet verstandig „Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis" van Dr. D. R. Polman daarop na te slaan.
Feit is, dat velen in onze dagen onder de invloed van Earth's theologie verkeren en dat velen onder hen zich nog laten diets maken, dat zij daarbij orthodox, of althans midden-orthodox zijn, zoals zij dit noemen.
Uit dien hoofde richten wij ons op dat alles beheersende belijden der Kerk van Christus: de Heilige Schrift is Gods Woord. We herinneren er nog eens aan, dat wij kort geleden er in ons orgaan op gewezen hebben, hoe de Heere Jezus spreekt over de Schrift en hoe Hij zich beroept op de Schrift.
Wij moeten vasthouden, schrijft Calvijn (Inst. I. VH, 4), dat de geloofwaardigheid der leer niet eerder bevestigd wordt, dan wanneer we zonder twijfel ervan overtuigd zijn, dat God haar grondvester is. Daarom wordt het hoogste bewijs van de waarheid der Schrift overal ontleend aan de Persoon Gods, die in haar spreekt.
De profeten en de apostelen beroepen zich niet op hun scherpzinnigheid of op al wat hun bij hun spreken geloofwaardigheid verschaft, en zij leggen zich niet toe op redeneringen; maar zij voeren de heilige naam Gods aan, opdat door die de gehele wereld tot gehoorzaamheid gedwongen worde.
Nu moeten we zien, hoe niet slechts door een waarschijnlijke mening, maar door de heldere waarheid blijkt, dat niet op bedriegelijke wijze op de naam Gods gewezen wordt.
Daarom moet deze overtuiging dieper gezocht worden dan bij menselijke redeneringen, n.l. bij het verborgen getuigenis des Geestes.
Het getuigenis des Geestes is voortreffelijker dan alle redenering. Want evenals God alleen een voldoende getuige is aangaande zich zelf in Zijn Woord, zo zal ook dat Woord niet eerder geloof vinden in de harten der mensen, dan wanneer het door het inwendige getuigenis des Geestes bezegeld wordt. Dezelfde Geest die door de mond der profeten gesproken heeft, moet in onze harten doordringen, om ons te overtuigen, dat zij getrouw hebben gesproken. „Mijn Geest, die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, en in de mond van uw zaad, zullen in eeuwigheid niet wijken". (Jes. 59 : 21).
Verder zegt Calvijn (Inst. I. VII 5): Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zich zelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat ze niettemin de zekerheid, die ze bij ons verdient te hebben, door het getuigenis des Geestes verkrijgt.
Want ook al verwerft zij zich zelf door haar eigen majesteit eerbied, zo grijpt ze toch eerst dan ernstig aan, wanneer ze door de Geest in onze harten verzegeld is. Door diens kracht dus verlicht, geloven wij niet maar op grond van ons eigen of anderer oordeel, dat de Schrift van God is; maar boven het menselijk oordeel uit stellen wij als zekerder dan zeker vast, — even alsof wij daar de Godheid van God zelf aanschouwen — dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zélf tot ons gekomen is. (Inst. L VIL 5).
Indien deze zekerheid, die hoger en sterker is dan elk menselijk oordeel, niet aanwezig is, zal het gezag der Schrift tevergeefs door bewijzen verdedigd, of door het eenparig gevoel der kerk bevestigd, of door andere hulpmiddelen versterkt worden, aangezien het altijd twijfelachtig blijft, tenzij dit fundament gelegd is. (Inst. I. VIII 1). God heeft het Woord niet onder de mensen gebracht, om het korte tijd te vertonen en dan plotseling bij de komst Zijns Geestes te doen verdwijnen, maar Hij heeft dezelfde Geest, door Wiens kracht Hij het Woord heeft verschaft, gezonden, om Zijn werk door krachtdadige bevestiging des Woords te voltooien. (Inst. I. IX 3).
Na dit klaar getuigenis van Calvijn, dat heus niet alleen staat in de geschiedenis, laten we artikel 3 van onze geloofsbelijdenis volgen:
Wij belijden, dat dit Woord Gods niet is gezonden, noch voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben het gesproken, gelijk de H. Petrus zegt.
Daarna heeft God, door een bijzondere zorg, die Hij voor ons en onze zaligheid draagt. Zijnen knechten den apostelen en profeten geboden. Zijn geopenbaarde Woord bij geschrift te stellen; en Hij zelf heeft met Zijn vinger de twee tafels der Wet geschreven.
Hierom noemen wij zulke Schriften Heilige en Goddelijke Schrifturen.
De macht der kerk is niet onbegrensd, maar onderworpen aan Gods Woord en daarin als het ware ingesloten. (Inst. IV. VIII 4).
Maar ofschoon dit van den beginne af in de kerk gegolden heeft, en ook nu nog gelden moet, dat de dienstknechten Gods niets leren, dat ze niet van Hem geleerd hebben, zijn ze toch naar de verscheidenheid der tijden op verschillende wijze onderwezen geworden Zo hebben dus oudtijds de heilige mannen God niet anders gekend, dan doordat ze Hem in de Zoon als in een spiegel aanschouwden. God heeft zich nooit op enige andere wijze aan de mensen geopenbaard dan door de Zoon, dat is door Zijn enige Wijsheid, Licht en Waarheid. Uit deze bron hebben Adam, Noach, Abraham, Izak en Jacob en anderen alles geput, wat zij van de hemelse leer gehad hebben.
Uit dezelfde bron hebben ook alle profeten zelf geput alle hemelse uitspraken, die ze gedaan hebben.
Deze wijsheid heeft zich echter niet altijd op één manier geopenbaard.
Bij de aartsvaders heeft ze verborgen openbaringen gebruikt, maar heeft tegelijkertijd om die openbaringen te bevestigen, zodanige tekenen aangewend, dat het hun geenszins twijfelachtig kon zijn, dat het God was, die sprak. De aartsvaders hebben hetgeen ze ontvangen hadden, van hand tot hand aan hun nakomelingen overgegeven; want God had het him onder die voorwaarde toevertrouwd, dat ze het op die wijze zouden voortplanten. (Inst. IV. VIII. 5).
Derhalve ziet Calvijn een onderscheid in de geschiedenis der geopenbaarde werkzaamheid Gods van Adam zeg tot Mozes en dan van Mozes, mogelijk van de ontvangst der Wet, en verder de profetische openbaring, waaronder Calvijn ook de psalmen rekent.
Van Adam tot Mozes werd de openbaring door God aan sommige bevoorrechten gegeven en mondeling voortgeplant, maar met Mozes begon men het geopenbaarde Woord van God, erkent dat het Woord de waarheid is. Zij bewaart en vereert het Woord en leeft uit het Woord.
Met de kerk van alle eeuwen belijden wij derhalve, dat de Heere God Zijn openbaring heeft gegeven en op Schrift doen stellen. De kerk ontvangt het geopenbaarde Woord van God, erkent, dat het Woord de waarheid is. Zij bewaart en vereert het Woord en leeft uit het Woord.
Zij dwalen dus, die menen, dat het van de beoordeling der kerk zou afhangen, in hoeverre men eerbied voor de Schrift zal hebben en welke boeken of delen van boeken tot haar zullen gerekend worden. — Zij dwalen ook, die zulke meningen verkondigen en bewijzen daarmede, dat zij nog niet geleerd hebben, dat de kerk gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. (Ef. 2 : 20).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's