Het Réveil
Mr. W. Bilderdijk (1756-1831)
7.
Het Christelijk geloof scheen door de verlichte denkbeelden op verschillende terreinen verbannen te zijn. Christen zijn behoorde tot de verouderde opvattingen. Vandaar dat veel Christenen zich vreemdelingen voelden tegenover deze tijdgeest. Vandaar ook dat Bilderdijk vluchtte naar het verleden.
Tegelijk trachtte hij de gebeurtenissen uit het heden in verband te brengen met de Openbaring van Johannes.
De grote afrekening zou komen. Dan zou Christus rijk gestalte krijgen en de eenheid hersteld worden.
De verbroken wereldharmonie zal worden vervangen door Christus heerschappij op aarde.
Door de inwerking van de Heilige Geest in het hart van de mens zal de erkenning komen van Gods souvereiniteit. Het vertrouwen op eigen krachten en deugden verdwijnt tegelijkertijd. Dit is een genade Gods; dit is uit God en met het hart wordt dit aanvaard.
Hierbij schiet de menselijke rede totaal tekort. De zonde is geen menselijke zwakheid, zoals men leerde, maar is opstand tegen God.
Door de verzoening van de gekruisigde en verheerlijkte Christus kan de hereniging met God plaatsvinden. Er is slechts één Waarheid, dat is God. Er is slechts één Wijsheid, dat is het kennen van Jezus Christus en dien gekruist.
Deze gedachten beïnvloeden ook Bilderdijks geschiedbeschouwing. Hierdoor voelde verschillende toehoorders zich gegrepen.
Vanaf 1816 kreeg dit godsdienstig geloof een sterke invloed op Bilderdijks gehele bestaan.
Voor zijn 60e jaar was hij niet ongelovig geweest.
Hij rekende zichzelf steevast onder de rechtzinnigen. Maar het werd pas een levende zaak voor hem toen hij zijn gewenste maatschappelijke positie: het verwerven van een professoraat, niet kon verwezelijken. Zijn verlangen naar het hiernamaals werd sterker.
Voorheen was hij gelovig omdat hij geleerd had het ongeloof te verafschuwen. Een geloven uit gewoonte was het geweest. Nu werd het een zaak van zijn hart.
Voorheen waren zijn godsdienstige ontboezemingen vaak ijdele klanken. We denken hier speciaal aan zijn gelovig willen goedpraten van zijn wangedrag tegenover zijn eerste echtgenote en mejuffrouw Luzse. Hij heeft in de nood van zijn leven leren bidden. Hij heeft zijn eigen zwakheid leren kennen. Zijn geloofsbelijdenis werd: „Jezus Christus en dien gekruisigd".
„Die een ander Evangelie verkondigt dan Jezus zoendood, al ware het ook, ja, een Engel uit de hemel, zij u een vervloeking, gelijk de Apostel zegt". Tussen 1808 en 1816 heeft hij grote vertwijfeling gekend. Zijn uitlating: „Bid voor mij, die nauwelijks meer bidden kan" spreekt voor zichzelf. Later mocht hij ook getuigen, dat de eeuwige zaligheid volkomen zou zijn; louter weldadigheid zonder recht, zonder aanspraak aan onze zijde. Wij zouden zonder het geloof, met alle deugden voor God verwerpelijk zijn en doemwaardig. Op aarde kan men niet tot volmaaktheid komen. Daar was Bilderdijk wel een sprekend bewijs van. Vaak bezweek hij, vaak is hij gevallen.
Tegenover andersdenkenden kon hij bijzonder verontwaardigd zijn. Verdraagzaamheid was hem geheel vreemd.
Voor de Gereformeerde Kerk eiste hij suprematie op, hoewel hij zelf geen trouw kerkganger geweest is. Erg gemakkelijk was hij in het anderen niet- Christen noemen. Zijn ergernis tegenover de Remonstranten in het bijzonder was groot. Hij meende, dat de duivel daarin altijd „de geest van wrevel en hatelijkheid" had onderhouden. Tegenover andere tegenstanders was hij al evenmin zachtzinnig.
Een kleine bloemlezing van zijn schimpscheuten tegenover andersdenkenden neergeschreven, levert dit op: verbasterden, ontaarden, onzinnigen, ingebeelde wereldvergoders, Godverlaters. Heilandschenders, Vredehaters, die van razernij aan 't gisten zijn.
Zijn houding tegenover Rooms-Katholieken was opvallend mild. Hij heeft gehoopt op een vergelijk tussen Protestanten en Rooms-Katholieken. Als de drie hoofdgebreken signaleerde hij de goede werken, de aanroeping van de heiligen en het pauselijk gezag. Groter was zijn sympathie voor de Oud-Katholieken.
Na de overgang van Da Costa tot het Christendom werd de invloed van hem op Bilderdijk opvallend. Het vurige geloof van Da Costa stimuleerde Bilderdijk. Het Gereformeerd-zijn van Bilderdijk werd positiever. Hij werd in orthodox-Calvinistische richting gedreven. Tegelijkertijd nam het aantal vijanden en tegenstanders toe.
In 1812 ging het gerucht, dat men hem uit Leiden wilde verwijderen. De oorzaak hiervan lag o.a. in het feit, dat er een „Eere-zuil ter gedachtenis van de voor tweehonderd jaren te Dordrecht gehouden Nationale Synode" uitgegeven werd. Bij de tweede druk werd een voorrede gevoegd. Anoniem, maar het was duidelijk wie de auteur was.
We treffen hierin de volgende regel aan: „de algehele clique van Pelagianen, Socinianen en Ongodisten, die de Arminianerij uitgebroed heeft". De liberale predikanten trokken zich dat aan en zagen er een oorlogsverklaring in.
De gedachte aan afscheiding heeft Bilderdijk wel bezig gehouden. Maar hij meende er niet toe geroepen te zijn om hierin de leiding te nemen. Hij zag nog te veel rechtzinnigheid in de Kerk dan dat hij afscheiding nuttig of noodzakelijk kon vinden.
Overigens ergerde hij zich aan alles wat hij om zich heen zag. Het neutrale onderwijs, de inhoud van de dagbladen en de regering vervulde hem ontzetting. Geheel volgens zijn gedachtengang was Da Costa's predikatie van 1823.
„Bezwaren tegen de Geest der Eeuw" Bergen kritiek werden hierover uitgestort. Maar het werd gelezen. Al gauw moest er een derde druk verschijnen. Bilderdijk schreef er zelf een toelichting op.
De felheid waarmee men polemiseerde wordt duidelijk uit deze regel: „ik durf het bavianen gegrijns te tarten waarmee Bilderdijk zijn Portugese kwekelingetjes accompagneerde". Bilderdijk kreeg „ellendeling" naar zijn hoofd geslingerd.
De toonaangevende kringen hadden geen ernstige belangstelling voor de meningen die in de kring rond Bilderdijk werden verkondigd.
Maar onder de eenvoudige burgers werd het aantal van hen, die alles verwachtten van de rechtzinnige leer gedurig groter.
Omstreeks 1825 ging Bilderdijks geestkracht lijden aan verzwakking. Langdurige perioden van versuffing kreeg hij te doorstaan.
Hij tobde zich vaak af met de vraag of Gods genade zich ook over hem zou uitstrekken. Verstandelijk hield hij aan God vast. Maar hij wilde het ook voelen, het ervaren.
Aan Da Costa schreef hij: „God is getrouw; maar wat is weten, als het hart het in de ogenblikken van benauwing niet gevoelt. Neen, ik twijfel niet, maar ik lijd. Het is of God zich ver van mij houdt".
De laatste levensjaren sleet Bilderdijk te Haarlem. Zwak en uitgeput was hij. Zijn vrouw en zoon verkeerden niet in een betere conditie.
De vriendschap tussen Da Costa en Capadore bleef voortbestaan. Geregeld correspondeerden zij met elkaar. Da Costa was zich geheel gaan wijden aan theologische studies. Bilderdijk schreef godsdienstige versen. Doordat de geschriften, die door Da Costa werden uitgegeven grote indruk in het land maakten, raakte Bilderdijk steeds meer op de achtergrond van de godsdienstige opwekkingsbeweging.
Da Costa werd zelfstandiger en kwam onafhankelijker van Bilderdijk te staan. Gebrek aan belangstelling heeft Bilderdijk in Haarlem niet gehad. Regelmatig ontving hij bezoek uit zijn uitgebreide vriendenkring.
Typerend voor Bilderdijk is zijn uitlating tegenover de doopsgezinde predikant ten Borg uit Amsterdam, die een uitgebreid bezoek aan hem gebracht had. Ter Borg merkte op dat Bilderdijks hardheid hem altijd had gestoten.
Bilderdijk antwoordde hierop: „O, mijnheer, laat al wat menselijk is in mijne geschriften vergaan, indien slechts datgene, wat uit God is, mag blijven bestaan.
Zijn geheugen ging hem steeds meer in de steek laten. Vaak was hij levenloos. Dit werd mede veroorzaakt door zijn jarenlang gebruiken van opium.
De viering van zijn 72e verjaardag gaf hem „een gevoel van onverdiende zegen en de blijdschap der erkentenis daarvoor".
Maar weldra kregen de klachten weer de overhand. Zijn somberheid nam soms zulke afmetingen aan, dat hij in dagen niet sprak.
De publikaties uit deze Haarlemse periode waren aanzienlijk milder van toon dan van die, die hij in zijn Leidse periode het licht had doen zien. Om in zijn onderhoud te kunnen voorzien moest hij wel publiceren.
Tot de vermeerdering van zijn inkomsten droeg ook de verkoop van het manuscript van zijn Leidse colleges bij. Na zijn dood pas mocht zijn geschiedenis van ons Vaderland worden uitgegeven. Bij zijn leven ontving hij er ƒ 1000, — voor.
In 1830 verloor de grijsaard zijn vrouw. Een leven vol zorgen, ontberingen en vooral zelfverloochening kwam ten einde. Zij moet een zeer sterke liefde voor Bilderdijk gekend hebben wanneer we letten op zijn moeilijk karakter en zijn vele grilligheden. Diep bedroefd bleef Bilderdijk achter. Zijn dagen bracht hij door met bijbellezen of met het lezen van Cats. Zijn 18 jarige zoon deelde zijn somberheid. Een bejaarde dienstbode verzorgde hen.
Voor het politieke gebeuren toonde hij bijna geen belangstelling meer. De moeilijkheden met België beroerden hem weinig. „Waarom ons met de paperij en Franse denkwijze van die provinciën verenigen?"
Als een laat eerbewijs werd hem, tot zijn grote blijdschap, de gouden medaille verleend door de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde te Leiden.
In november 1831 kreeg Bilderdijk een bezoek waar hij met blijdschap op terugzag. Wat er besproken werd weten wij niet. We kunnen er slechts naar gissen. Eén van de twee bezoekers was de gewezen Lutherse proponent Hermann Friederich Kohlbrugge.
Een maand later kwam het einde. Zijn vriend Heykens was bij hem. „Uw herte worde niet ontroerd: gij gelooft in God, gelooft ook in mij", zegt de Heiland.
„In het Huis mijns Vaders zijn vele woningen: Anderzins zoude ik het u gezegd hebben: ik ga henen om u plaatse te bereiden" — Bilderdijk! gelooft gij dat nog? „Ja", kwam het antwoord. Enige uren later stierf hij.
Bij de begrafenis waren aanwezig, behalve vele vrienden, zijn zoon Lodewijk, zijn dochter Louise en hun oom Izaak Bilderdijk.
De overheid onthield zich van enig blijk van deelneming.
Da Costa en Willem de Clerq voerden het woord, nadat in de Grote Kerk van Haarlem het aangeheven:
„'t Hijgend hert, der jacht ontkomen.."
Hiermee is Bilderdijks leven getekend.
Op grote afstand in de tijd weliswaar kunnen wij toch dit boeiende leven benaderen omdat wij weten van zonde en genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's