De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

HOOFDSTUK V, ARTIKEL 5

11 minuten leestijd

Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven de Heilige Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, enz.

Bedroeven de Heilige Geest

Het gaat over de volharding der heiligen. Heiligen zijn mannen en vrouwen, die de Heilige Geest ontvangen hebben. Jezus noemde de Geest de andere Trooster. De gelovige, die de Heilige Geest ontvangen heeft, bezit dus twee Troosters. Natuurlijk, deze twee zijn één. Maar als de Geest een andere trooster wordt genoemd, betekent dit niet, dat de vertroosting van Christus door die van de Heilige Geest vervangen wordt. Het is de ene vertroosting Gods, die de Vader en de Zoon en de Heilige Geest tot ons brengen. Na de dag van de uitstorting des Geestes schreef de Apostel: „En onze Heere Jezus Christus Zelf en onze God en Vader, Die ons beeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk". (2 Thess. 2 : 16, 17).

Deze Heilige Geest komt eerst als werkmeester tot de uitverkorenen. Hoeveel overtuiging van zonde er ook in de ganse wereld door Gods Geest wezen mag, de uitverkorenen hebben van deze overtuiging een bijzonder deel. Zij worden grondig vernederd. Maar de Geest is ook een Geest der genade en der gebeden. Zacharia profeteerde : „Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene". (Zach. 12 : 10).

Deze woorden uit het Oude Testament zijn van een bijna Nieuwtestamentische klaarheid. De Geest van Zacharia 12 werkt een innerlijke vernieuwing, doordat Hij het Godsgemis en de schuld doet kennen. Als de Geest in het hart der uitverkorenen dit grote werk begint, gaan zij hun oernood gevoelen, d.i. de nood van het ver zijn van God. Zo gaan zij leren om tot God te roepen. Het Godsgemis wordt een onuitsprekelijke nood. Men kan wel spreken van Godsgemis of ver zijn van God, of schuld, maar het is meer. D, w.z. het is iets, dat niet uitgezegd kan worden. Deze zucht, dit verlangen om genade, is genade. De Geest wekt besef van God, ook van Gods goedheid. Er vaart iets door de mens van wat in de gelijkenis van de verloren zoon staat: „De huurlingen van mijn vader hebben overvloed van brood en ik verga van honger". Zo is het de Geest, die God doet kennen als een alleswaardig God en die om Hem doet smeken.

De Geest is ook een Geest des geloofs (2 Cor. 4 : 13) en een Geest der vereniging met Christus. Paulus bidt, schrijft hij aan de Efeziërs, tot de Vader van onze Heere Jezus Christus, „opdat Hij u geve naar de rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt". (Ef. 3 : 16, 17).

Kort samengevat werkt de Geest in de harten der uitverkorenen het volgende, naar de beschrijving van één der ouden:

„De Geest ontsteekt een nieuw licht in de ziel. Hierbij doet de H. Geest de zondaar zien zijn totale verlorenheid in hemzelf, door de zonde en de afval van God en ook zijn oneindig gevaar buiten Christus. Voorts de ijdelheid en nietigheid van alles, dat buiten God is en zijn dodelijke onmacht, waarvan hij ziet, dat deze zijn schuld zeer verzwaart. Dan ook dierbaarheid en beminnelijkheid in de dienst van God.

Vervolgens openbaart de Geest in deze bewogen, zoekende mens Christus als die fontein, die tegen de zonde geopend is, als oneindig schoon en vol van genade, bereidwillig en algenoegzaam. Deze openbaring verwekt liefde tot Christus, honger en dorst naar Hem, een hartelijk zoeken van Hem, een herhaalde en bedaarde overrekening der kosten. De Geest brengt het wel eens onder het oog of het de ziel wel aan zou staan, dat rechteroog en rechterhand uitgetrokken en afgekapt zouden worden, vlees en begeerlijkheid gekruisigd zouden worden, vader en moeder verlaten moeten worden, tijdelijke goederen losgelaten, ja zelfs het leven, als het er op aan komt, als het omwille van Christus nodig is. De Geest vraagt of dit niet te duur zou wezen?

Maar ook graaft des Heeren Geest verder en dieper in het hart, de fundamenten bloot leggende. Dan ontdekt de Geest hoe onwillig, afkerig, vijandig, ondoorgrondelijk, arglistig en onoprecht het hart des mensen is. Dan laat de Geest zien dat de moeilijkheid om te geloven en om zalig te worden in de wil des mensen voornamelijk steekt. Wat is de grond van de onmacht? Die grond is dat de mens onwillig is tegen de gewilligheid van Christus in, en dat hij nooit tot het geloof komen kan of zal, tenzij de Heere Jezus hem krachtig overreedt, trekt en overhaalt, terwijl Hij zijn onoprecht hart oprecht maakt.

Eindelijk schept de Heilige Geest op 's Heeren tijd Evangelielicht. Hij geeft de hand des geloofs. Hij leidt de ziel tot haar zelve in, waardoor zij de ganse verlorenheid en onwaardigheid gevoelt, vrezende nu voor eeuwig om te komen. Maar de Geest leidt de ziel ook met haar zonden en banden, onwil en onoprechtheid, zonder iets achter te houden, uit haar zelf uit. De Geest Gods neemt het uit Christus en leert deze verlorene zijn hart en hand aan de Zaligmaker te geven voor tijd en eeuwigheid. Dan vindt de mens alles goed, als de Heere Jezus Zichzelf maar verheerlijkt door alles in en aan hem te doen, wat er gedaan moet worden. De zondaar geeft zich over en zijn zielskeuze is Christus met al Zijn wegen, naar Zijn zin en wil, met verwerping en verloochening van al het eigene. Dan komt de Geest in het hart van deze gelovige wonen."

Het gaat niet aan om tegen iedere gedoopte of belijdend lidmaat of oppervlakkig gelovige te zeggen: In u woont de Heilige Geest. Hij woont in de waarachtig gelovigen, maar dan ook in allen. Hij blijft ook eeuwiglijk bij hen. Zij zijn door de Heilige Geest verzegeld tot de dag der verlossing. (Ef. 4 : 30). Ook in dit opzicht is er een volharding der heiligen. Maar zij is en wordt beleefd, zij is en wordt werkelijkheid in een weg van een ootmoedige belijdenis van de totale afhankelijkheid. De gelovige mens blijft aan vele verzoekingen onderworpen. Die kunnen hem geweldig teisteren, niettegenstaande de volharding. Elke belijdenis van de volharding, die niet te gelijkertijd is een psalm uit de diepte, is waardeloos en zal machteloos blijken tegenover de komende verzoeking. En als de verzoeking er is gebeuren soms ernstige en ook wel gruwelijke dingen, al is het dat de Heilige Geest in ons woont. Van de zijde van onze eigen begeerte èn van de zijde van de verzoeker doemen allerlei duistere mogelijkheden op aan de randen van ons leven, de mogelijkheid van een schadelijke weg, van een diepe val en van verleiding.

Deze mogelijkheid wordt soms in grote mate werkelijkheid en deze grove zonden hebben tot gevolg dat de Heilige Geest bedroefd wordt. Wat is de oorzaak van deze droefheid? De Heilige Geest woont in de gelovigen, schreef ik al. Hij verzekert hen van hun aandeel in Christus. Hij getuigt met hunnen geest, dat ze kinderen Gods zijn. Maar wat gebeurt er? Het vlees begeert tegen de Geest. En dan gaat het vlees er bij tijd en wijle met de mens van door. Deze zondigt tegen beter weten en tegen alle licht in, tegen de liefde van Christus in, tegen het getuigenis des Geestes in. De mens stoort zich niet aan de Geest. Deze wordt hierdoor bedroefd om het sterk mensvormig te zeggen. Wat wordt er mee uitgedrukt? Dit, dat de Geest zich terugtrekt van de mens. Hij laat het licht niet meer zo op Christus vallen. Deze zien zij nu als door een wolk. De vastigheid is uit de ziel. Anders gebeurde het wel, dat de Geest hen leidde aan stille wateren en hen inleidde in de eeuwige en onbegrijpelijke liefde en gedachten des vredes over hen. Of ook, dat des Heeren Geest hen in het verborgene stille blijdschap gaf en hoop en moed. Maar nu is de Geest bedroefd. De dagen gaan heen in Zijn verbolgenheid. Daar is geen licht in de ziel, geen zien op Jezus, geen vreugde over het volbrachte werk op Golgotha. De Geest weent over dit kind Gods als ik het zo mag zeggen. Hij trekt zich terug in een hoek des harten, maar verlaat hen niet. Hij doet hen Zijn vertroostende genade missen en de verlevendigende invloeden, maar Hij blijft in hun ziel als de band van de vereniging der ziel met Christus. Dit alles heeft in zware mate plaats bij grove zonden en in lichtere mate bij minder grove zonden.

Het is niet alleen een waarschuwing voor David of voor Petrus of voor Manasse. Ieder heeft met deze mogelijkheid, dat wij de Heilige Geest bedroeven, te maken. Het minste dat wij zijn is toch een gedoopte, een bondeling. Van de bondelingen nu sprak Stefanus: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren! gij wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij". (Hand. 7 : 52). Zoveel gedoopte mensen, die zich van de noodzakelijkheid der bekering en van hun droeve geestelijke staat niets aantrekken. En daarnaast zoveel gedoopten, die er zo oppervlakkig over heengaan. Zij hebben een erkenning van hun zondestaat en ze hebben een soort geloof in de letter van het Evangelie en nu zijn ze gered. Doordat de overtuigingen niet diep gaan, deugen ook de volgende werkzaamheden niet. Het is op los zand gebouwd. Zij staan de Geest tegen. Die graven wil en verdiepen.

En dan zijn er de kinderen Gods, die door zondige gedachten, woorden en werken, waarin zij zich vermeien, de Geest bedroeven. Calvijn schrijft er dit over: „Omdat de Heilige Geest in ons woont, moeten alle onderdelen van onze zielen en lichamen Hem toegewijd zijn. En indien wij ons overgeven aan enige gemenigheid of vuilheid jagen wij Hem (bij manier van spreken) zijn woonplaats uit. Om dit zo huiselijk mogelijk uit te drukken kent hij menselijke gevoelens toe aan de Heilige Geest. Doe er moeite voor zegt hij, dat de H. Geest graag en gewillig in u woont, zoals in een plezierige en aangename villa, ' en geeft hem op geen enkele wijze oorzaak om bedroefd te zijn Voor zoveel God ons heeft verzegeld door zijn Geest, vertoornen wij Hem indien wij zijn leiding niet volgen, maar ons bevlekken met wereldse begeerten. Men kan moeilijk het grote gewicht van deze uitspraak voldoende uitleggen te weten, dat de Heilige Geest zich verheugt en vrolijk is in ons indien wij ons schikken onder de gehoorzaamheid aan Hem in alles en door alles heen en wanneer er niets is in onze gedachten en woorden, dat niet heilig is en zuiver; en aan de andere kant, dat Hij bedroefd is telkens en telkens weer als wij iets doen, dat onze roeping onwaardig is. Dat nu een elk voor zich overdenke hoe verschrikkelijk die goddeloosheid is, wanneer men de Heilige Geest met een dergelijke droefheid wondt, dat Hij tenslotte gedwongen wordt om van ons heen te gaan".

De grove zonden breken dus de band tussen God en zijn volk niet, maar zij bedroeven de Heilige Geest wel. Dan komt er een donkerheid over de gelovigen en over de belijders en over het hele dorp of de stad. Want het maakt een groot verschil of de Geest van God vrolijk en vurig in ons is — om met Calvijn te spreken — dan wel bedroefd in een hoek zit.

In het laatste geval kunnen er nog wel mensen bekeerd worden, maar het is allemaal in de schemer.

Ditmaal laat ik tot slot één der ouden aan het woord, die deze inwoning des Geestes prijst als de grond van alle genadige weldaden, waaruit de geestelijke en tijdelijke zegeningen voortvloeien. „Want als de Geest teruggeweken is worden er wel mensen bekeerd naar Gods eeuwige verkiezing en er worden ook wel weldaden geschonken, maar de gunst Gods over een volk is er uit. Dat volk vliegt geestelijk achteruit.

O vrienden, dat gij zien moogt hoever het van deze genadige inwoning des Geestes in het gemeen, en in de huizen en in het bijzonder in de harten van Gods volk, af is, hoe merkelijk de Heere is geweken en wat een tere zaak de inwoning is. Daar kan zo snel wat komen tussen de Heere en een volk of mens, dat alleen langs zware wegen weer terecht kan komen. Zo lijdt ook nu nog een kerk en een land onder het bedroeven van de Heilige Geest."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's