De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

13 minuten leestijd

Vervolg 1 Corinthe 11 : 17-34.

De vorige maal zagen wij, dat Paulus blijkbaar ingelicht is over scheuringen in de gemeente. Hij gelooft het ten dele, wellicht waren de berichten overdreven. Maar ongeloofwaardig waren ze niet. En als goed zielszorger, die de gemeente en het menselijk hart kent, vindt hij het niet onaannemelijk, dat er zich zulke misstanden in de gemeente voordoen. Hij heeft daar zelfs nog een bijzondere reden voor. Hierover schrijft hij in het volgende vers: „Want", — dit want is redengevend, — „er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u".

Inderdaad, de apostel is geen kamergeleerde, die buiten het leven staat en zich een vreemdeling gevoelt, zodra hij met de practijk, die vaak hard en teteurstellend is, in aanraking komt. Hij kent de wereld om zich heen. Hij weet, dat deze zich niet laat leiden door de Geest en het Woord des Heeren, doch staat onder de heerschappij van de boze, die niet voor niets de overste der wereld heet en zijn macht uitoefent in het religieuze leven, waar de afgoden gediend worden en in het politieke leven, waar de keizer als god vereerd wordt en in het culturele leven, waar de wijsheid der Grieken de toon aangeeft. Hij weet ook, hoe het menselijk hart alleen door een wonder ingrijpen van Boven waarlijk open staat voor het Woord des Evangelies, en dat het ook dan nog voortdurend een kwetsbaar trefpunt blijft voor de vurige pijlen van de boze, die bij voorkeur die pijlen afschiet op de gemeente, welke bestaat uit echte gelovigen, doch ook uit schijnen naam-gelovigen.

Paulus beseft, dat het daarom in de gemeente, die steeds nog zo bedreigd wordt door de aanvallen van de boze en waar het menselijk hart nog zo kwetsbaar en verleidbaar is, vaak niet kan uitblijven dat daarin scheuringen optreden, ja, zelfs nog iets anders, dat erger is, ketterijen.

Hij zegt dit in vs. 19 zo eigenaardig en eerlijk: „Want er moeten ook ketterijen onder u zijn". Het woordje „ook" heeft hier dan de betekenis van „zelfs".

Ketterijen. Wat bedoelt de apostel hiermee ? Sommige verklaarders nemen hier dit woord niet in ongunstige zin. De oorspronkelijke zin van dit woord is immers: verschil van gevoelen. In deze zin zou Paulus het hier gebruiken. En dan zou hij denken aan verschillen van gevoelen, waarbij dus niet de fundamentele waarheden van het Evangelie in het geding zijn. Deze verschillen zouden, naar het oordeel van de apostel, binnen de gemeente goed recht hebben. Hij zou dus binnen de begrenzing van de ware leer een „modaliteiten" gemeente erkennen. De ware eenheid is geen éénvormigheid. En deze verschillen van gevoelen zou­ den dan tot onderling gesprek moeten leiden. Echter, dit zou dan niet mogen leiden tot scheuringen, waartegen hij in het voorafgaande waarschuwde. Integendeel, dit zou iets geheel anders moeten voortbrengen, dat hierdoor juist degenen, die „oprecht" zijn, d.i. beproefd zijn in het verstaan en beleven van het Evangelie, als zodanig openbaar zouden komen.

Met andere woorden - , door deze beweeglijkheid binnen de gemeente zouden de meest onderlegden naar voren moeten komen. Zij zouden als vanzelf de leiding moeten krijgen en naar hen zou bijzonder geluisterd moeten worden. En dit zou vruchtbaar kunnen werken. Zou de apostel in ons tekstvers inderdaad „ketterijen" in déze zin bedoelen, dan zou, wat hij hier schrijft verder déze betekenis hebben: er zijn scheuringen, partijschappen in de gemeente. Hij veroordeelt dat. Maar nu wordt hem vanuit de gemeente tegen- ^ geworpen, dat die verschillen van gevoelen er toch moeten zijn. Ja, - zou de apostel hier dan op antwoorden, - inderdaad moeten die er zijn, doch niét, opdat er scheuringen uit zouden voortkomen, maar opdat de best onderlegde christenen naar voren zouden komen en dat zegenrijk zou werken!

Intussen, het is zeer de vraag, of bovengenoemde uitleg juist is. Er is van dit vers een andere verklaring, die ons inderdaad meer aannemelijk lijkt. En waarbij het woord ketterij in ongunstige zin genomen wordt. En dit komt ons voor juist te zijn.

Immers, in het Nieuwe Testament en in de literatuur uit de oude Christelijke Kerk heeft het woord, dat hier in het oorspronkelijke gebruikt wordt, altijd een ongunstige betekenis. Het woord komt ook voor in het Jodendom, voor en in de tijd van Jezus. En betekent daar het aanhangen én propageren van leringen, die in strijd zijn met de orthodoxe leer der rabbijnen. En zo verder het vormen van een aparte groep van mensen, die die leringen aanhangen en in een afzonderlijke school zich verenigen.

In het Nieuwe Testament en in de oude Christelijke Kerk vinden wij dit woord dan terug, vooral ook bij de kerkvaders, als Ignatius, Justinus e.a. En hier heeft het dan ook de betekenis van het aanhangen en verbreiden van leringen, die afwijken van en in strijd zijn met de orthodoxe leer, - in dit geval - de fvindamentele waarheden van het Evangelie, zoals die in het geheel van de Kerk verkondigd en geloofd worden. Dit verschijnsel is het gevolg van gebrek aan juist inzicht, doch tevens van de natuurlijke vijandschap van het menselijk hart, dat zich niet restloos gewonnen wil geven aan die fundamentele waarheden van het Evangelie. Het aanvaarden van het feit van de volstrektheid van onze verlorenheid en daartegenover van de absoluutheid der genade Gods, het erkennen van het geheel enige werk van Christus, waarin een eeuwige zegen ligt, doch dat ons een streep doet halen door onze eigen gerechtigheid, botst nu eenmaal met de hoogmoedige neigingen van ons natuurlijk hart. Bovendien schuilt in die ketterijen het werken van de boze, die het niet kan laten, om telkens weer de verkondiging van het Evangelie aan te vallen en te verduisteren, en zielen te verleiden.

Paulus zal ook in 1 Corinthe 11 vs. 19 het woord ketterijen wel bedoelen in deze ongunstige zin. Dan is tevens het woordje „ook" in de zin van „zelfs" begrijpelijk.

De apostel ziet scherp. Daar zijn dus scheuringen in de gemeente, die hij afkeurt. Doch hij is nuchter genoeg, om hun bestaan begrijpelijk te vinden. Zelfs het bestaan van een nog groter kwaad, vindt hij begrijpelijk. Dat is het kwaad van die ketterijen.

Die scheuringen deden zich voor door verschil van mening aangaande ondergeschikte punten. Of vanwege voorliefde voor bepaalde personen of door sociale onderscheidingen. De fundamentele dingen bleven hierbij nog onaangetast. Echter, de ketterijen lieten die niet onaangetast. Hierbij ging het dus om de volstrektheid van de zonde èn van de genade, om de geheel enige betekenis van het werk van Christus en de rechtvaardiging door het geloof alleen, om de noodzaak van het werk van de Heilige Geest en de vruchten daarvan in het christenleven, om het geheel enig gezag van het Woord der apostelen. Dit kwaad tastte de fundamenten van de gemeente aan en was nog minder te dulden dan die scheuringen. Toch woekerde het in de dagen van Paulus al voort. Wij lezen ervan in zijn brieven en in de brieven van de andere apostelen. Zij hadden ook reeds te maken met mensen, die het apostolisch gezag ondermijnden, die de prediking van de volstrektheid der genade aantastten en de verdienstelijkheid van de goede werken weer binnen loodsten (de Judaïsten) of die de verkondiging, dat de rechtvaardigmaking niet zonder de heiligmaking zijn kan, ondermijnden door de genade uit te roepen als een vrijbrief voor het vlees en om te zondigen. (Rom. 6; de Colossenzenbrief).

De apostel weet dus van dit alles. Hij weet, dat er ketterijen zijn en dat er nog andere komen kunnen. Zo schrijft hij, eerlijk, - „er moeten ook ketterijen onder u zijn".

Merkwaardig is hier dit „móeten". Dit heeft hier stellig dezelfde betekenis als b.v. het moeten in Johannes 4, waar staat dat Jezus door Samaria gaan moest, en in Lucas 24, waar Jezus zegt tot de Emmaüsgangers op de weg: „Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan ? "

Op deze plaatsen heeft het woord moeten de kracht van een goddelijk moeten. Naar de Raad Gods moest het alzo geschieden en had het zijn bedoeling. In déze zin spreekt de apostel hier over de ketterijen. Ze vormen een schakel in de uitvoering van de Raad Gods. Dit wil niét zeggen, dat hiermede die ketterijen goed gepraat worden of als minder erg beschouwd worden. Evenmin, dat ze niet op rekening zouden staan van hen, die ze aanhangen en propageren en dezen hiervoor niet verantwoordelijk zouden zijn. En dit wil ook niet zeggen, dat God de oorsprong en auteur van dit kwaad zou zijn. Nooit vindt het kwaad haar oorsprong in Hem en ook de leugen van de ketterij ontspringt nooit uit de God der Waarheid.

Maar dit wil wél zeggen, dat de Heere op een hoge wijze in die ketterijen, zonder dat Hij als auteur kan worden aangemerkt, de hand heeft. De boze heeft met die ketterijen zijn duister bedoelen, om zielen te verleiden; de Heere heeft er Zijn wijs bedoelen mee.

Wij staan hier weer voor het feit, dat het kwaad ten volle kwaad blijft en schuld meebrengt aan de kant van de mens én dienstbaar is aan het werken van de Vorst der duisternis, maar dat God de Heere op een souvereine wijze het kwaad nog opneemt in de volvoering van Zijn Raad en in het bereiken van Zijn doel. Hij bereikt dat doel, ook in dit opzicht, langs wonderlijke wegen. Wij denken even aan de geschiedenis van Jozef. Wat wilden zijn broers met hun verkopen van hem aan handelsreizigers naar Egypte? En wat bereikte de Heere daardoor? Of aan de geschiedenis van Jezus Zelf. Wat beoogden het Sanhedrin en Pilatus met Jezus' veroordeling? En wat wilde de Heere daardoor bereiken? Dat hét offer der verzoening gebracht werd op Golgotha!

Dit ligt dus opgesloten in wat Paulus schrijft in vers 29: achter de ketterijen schuilt een kwaad bedoelen van de boze, doch de Heere heeft er een andere, goede, bedoeling mee. Die vinden wij dan nader omschreven in zijn woorden: „Opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen komen".

Even tevoren memoreerden wij, dat bepaalde verklaarders van de Heilige Schrift, die „ketterijen" in gunstige zin opvatten, deze woorden zó uitleggen, dat de apostel zou bedoelen, dat door het onderling gesprek de onderlegde christenen naar voren zouden komen. Deze uitleg van het woord ketterijen achten wij dus onjuist. Echter, wanneer wij het hier in ongunstige zin nemen, wat ons juist voorkomt dan heeft, wat de apostel hier zegt, toch ook een dergelijke betekenis.

Als ketterijen in de gemeente worden verbreid, dan heeft dat natuurlijk een groot gevaar in zich. Toch zal de gemeente zich dan extra moeten bezinnen op de verkondiging van Jezus en van de apostelen. Dat kan nog vruchtbaar werken, 't Zal haar verdiepen in de kennis eri in het geloof van de waarheid Gods, en zij, die bijzonder onderlegd zijn, zullen ook hierbij naar voren komen en een leidinggevende rol gaan spelen.

Is dit niet meer het verloop der dingen? In de Kerkgeschiedenis treffen wij telkens weer ketterijen aan. Op zichzelf een kwaad, dat ook ongunstig werkt, zielen meesleept en verleidt.

Anderzijds echter wordt de Kerk juist vanwege de ketterijen temeer gedrongen tot bezinning en belijden. De onderlegden komen naar voren, staan voor de waarheid, heffen hoog de banier van het zuivere Evangelie. En juist door dit alles is er voortgang in het belijden der Kerk en bouwt zij haar belijdenis uit. Zodat zij er niet armer, doch rijker door wordt.

Wij denken aan de oude Kerk. Arius' dwaalleer in verband met de belijdenis van de Persoon van de Zaligmaker, leidde ertoe, dat de Kerk duidelijk beleed Diens Zoonschap in de geheel enige zin van het woord. Pelagius' ketterij over de vrije wil van de mens, bracht Augustinus tot een duidelijk belijden van de erfzonde en van de volstrektheid der genade Gods. En wij denken aan een andere periode uit de Kerkgeschiedenis. In de loop der eeuwen waren de fundamentele waarheden van de Schrift, - door 't Woord alleen, door genade alleen en door het geloof alleen - , wel zeer verduisterd. De mannen van de Reformatie hebben deze waarheden opnieuw ontdekt, verkondigd en beleden. En de Kerken der Reformatie kwamen tot een nieuw belijden, dat zijn neerslag vond in haar belijdenisgeschriften en liturgische formulieren.

Ook in ons persoonlijk leven kan dit alles van betekenis zijn. Wij staan midden in het kerkelijk leven. Dit is gedurig in beweging en hierin is steeds de strijd om de waarheid gaande. Nog altijd zijn er de ketterijen. En zij blijven een groot gevaar; wie niet onderlegd is in de waarheid en zich daartoe de moeite niet getroost, wordt gemakkelijk meegetrokken. Maar, zij hebben toch ook nog een goede kant. Zij nopen tot dieper onderzoek van de inhoud der Schrift, opdat wij, als God dit zegent met het licht van Zijn Geest, daarin te dieper zouden worden ingeleid, daarin een helderder inzicht zouden verkrijgen, wat stellig zijn vruchten in ons leven kan afwerpen!

Bij dit alles hebben wij wel steeds goed te waken voor één gevaar, dat ons in dit opzicht ook steeds bedreigt. Ons natuurlijk hart buigt maar niet zo gemakkelijk onder het geheel enig gezag van het Woord Gods en erkent maar niet zó de volstrektheid van onze verlorenheid en anderzijds van de genade Gods. En daarom, - een mens kan met de mond voluit de waarheid Gods belijden, en hij zou naar zijn zeggen, niet graag iets afdoen van het geheel enig gezag van het Woord Gods, maar in zijn overleggingen en in zijn dagelijkse levenspractijk vertoont hij het karakter van de ketter. B.v. Met de mond belijdt hij voluit de absoluutheid van de genade Gods, doch in zijn overleggingen maakt hij de kennis der zonde tot een voorwaarde voor het ontvan­ gen van die genade. Met de mond belijdt hij, dat het Woord alle gezag moet hebben, maar in de practijk laat hij, zonder dat hij er meer last van heeft, de roepstem tot het Avondmaal voor wat ze is. Met de mond belijdt hij, dat het in alles gaat om de ere Gods, doch in zijn dagelijkse handel en wandel laat hij gemakkelijk bepaalde eisen Gods links liggen en gaat zijn gang.

Wij hebben allen wel te bidden en te waken, dat wij toch niet met de mond een góéde belijder zouden zijn, maar tegelijk in ons hart of in onze handel en wandel nog veeelszins een ketter. Het gebed heeft wel zin:

„Leer mij naar Uw wil te hand'len,

'k Zal dan in Uw waarheid wand'len,

Neig mijn hart en voeg het saam.

Tot de vrees van Uwen Naam".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's