Het Réveil
8
Willem de Clercq (1795-1844) (I)
„Wij hebben onder de eikebomen.
Wij hebben in der lindenschaûw.
Wel menigmaal de klacht vernomen
Dier ziele, die naar boven wou;
Wij zagen 't smachten van dat harte.
Het worstlen van die teêre ziel.
En menig ondoorstrijdbre smarte.
Die loodzwaar op haar nederviel;
Wij zagen 't; onze boezem treurde;
Maar onze blindheid merkte niet.
Dat Godhaar zwakke windsels scheurde,
Dat God haar vleuglen wassen liet..."
Op de zilveren bruiloft van Isaac da Costa zong de bekende predikant-dichter Nicolaas Beets aan Da Costa ook dit vers toe. Het ging over hun beider vriend, die toen 3 jaar geleden gestorven was: Willem de Clercq.
Wie was die man, wiens latere levensjaren door de woorden van het bovenstaand gedicht zo treffend getypeerd werden? Hij was een man, ja misschien wel dé man van het Réveil! In bovenstaand gedicht is de diepe ondertoon van zijn leven wel het best weergegeven.
Eerst een korte levensbeschrijving. De van nature zo levendige en speelse Willem werd geboren te Amsterdam in het begin van 1795, het jaar waarin Nederland diep gedompeld werd in de Franse overheersing. Hij is afkomstig uit de „gegoede stand". Zijn familieleden behoren tot de vooraanstaande figuren in de Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam.
Door de familie werd een graanmakelaarskantoor gedreven, dat zeer uitgebreide contacten had in binnen- en buitenland.
Hoewel het oorspronkelijk in de bedoeling lag dat de jonge Willem predikant zou worden, kwam hij toch door een sterfgeval terecht in het bedrijf. Al op 23-jarige leeftijd neemt hij de leiding daarvan over.
Hij heeft een gelukkige jeugd gehad; er wordt tenminste niet gesproken over conflicten in het gezin. We kunnen hem ook zeer begaafd noemen. Al vroeg hield hij ervan te schrijven en een dagboek bij te houden. Helaas is deze gewoonte in onze jachtige tijd bij de meesen in onbruik geraakt. Je komt er niet meer toe om een halve avond te besteden aan het schrijven over wat er de afgelopen dag heeft plaatsgevonden en over wat er zich alzo afspeelt in het innnerlijk. De Clercq heeft dat wél gedaan. Wie de moeite neemt zich in de oorspronkelijke geschriften te verdiepen zal veel tijd nodig hebben. Het dagboek begint namelijk in 1804 en is gedurende 40 iaar vrijwel onafgebroken bijgehouden tot aan zijn vroege dood in 1844. Over het jaar 1830 alleen al tellen we 880 bladzijden.
Het is mede hieraan te danken dat we zoveel van hem weten. Hij is een extraverte (naar buiten gerichte) figuur. Als Willem zwijgt, is er iets niet in orde. Hij moét zich uiten en doet dat voornamelijk in zijn dagboek, waarin hij zich volkomen uitleeft.
Deze drang tot zich uiten komt nog in iets anders naar voren, namelijk in het „improviseren". Zoiets kennen wij óók al niet meer. Het scheppend bezig zijn is in onze tijd veelszins verloren gegaan. Vroeger maakte men zelf muziek, nu luistert men naar de radio. De vrijetijdsbesteding is voor velen daarom zo'n groot probleem, omdat men nog nooit geleerd heeft zélf iets te doen. We laten het voor ons doen.
Voor de Clerq zou dat onmogelijk zijn. Hij improviseert, dat wil zeggen: Hij verstaat de kunst om voor de vuist weg in dichtvorm of in gevoelvol proza onderwerpen te behandelen, die hem plotseling werden opgegeven.
Als u zich in zijn werken verdiept, ziet u hem voor u staan bij een bruiloft, of zelfs maar een gezellige bijeenkomst.
Wordt hem gevraagd: Toe Willem! dan staat hij op en — terwijl zijn kleine zwarte kraaloogjes ondeugend schitteren — gooit hij op 't onverwachts een stoel omver en begint. Ja, improviseren kon hij: „Nebukadnezar" wist hij evengoed te behandelen als „De Rijn", en hij liet zeker niet verstek gaan bij onderwerpen als „Het vrijen van de twee ooms Retemeijer" (broers van zijn schoonmoeder) en „De Schoonheid der Vrouw". In zijn jonge jaren hield hij zich van dit laatste graag op de hoogte. Dat blijkt wel uit het dagboek, dat hij bijhield op zijn reis naar St. Petersburg, het tegenwoordige Leningrad, in Rusland. De Clercqs nu nog levende achterkleindochter Dr. Maria Elisabeth Kluit heeft pasgeleden dit reisverslag onder de titel „Per Karos naar St. Petersburg" in een fraaie uitgave doen verschijnen. In dit journaal zegt Willem: „Eene der algemeenste klachten in Petersburg is die over de weinige schone vrouwen die men alhier ontmoet; deze klacht scheen mij gegrond te zijn, ten minsten men ziet vele vrouwen wier kleding bevallig is doch men bekent wanneer men nadert: „De loin c'est quelque chose, et de prés ce n'est rein".
Overigens was Willems hart reedsverbonden aan een meisje, dat in haar leven naast charme ook geloof had: Caroline Charlotte de Boissevain. Zij was één van de 12 kinderen uit het gezin Boissevain. Ik moet u toch even vertellen, dat in die tijd over haar en haar zusjes het volgende rijmpje in omloop was:
„Vraagt Gij, waar lieve meisjes zijn?
Het antwoord is bij Boissevain".
Toen Lina 16 jaar werd dichtte de Clercq:
„Meisje, durfde ik alles melden;
Wat mijn kloppend hart ontroert;
Melden, dat slechts gij op aarde;
In dit hart de scepter voert".
Een maand later verklaarde hij haar zijn liefde. In zijn dagboek schrijft hij op lyrische toon: „Verrukking! Van nu af heerst er tusschen ons geene pijnlijke gedwongenheid meer, alles is vrij. Zij is mijne vriendin, mijne raadsvrouwe; mijne vertrouwde".
Hij heeft aan haar een buitengewone vrouw gehad, die hem door haar geloof en karaktervastheid steunde, waar hij soms in neerslachtigheid dreigde weg te kwijnen. Helaas heeft ze blijkbaar niet de capaciteit gehad om hem in zijn laatste levensjaren uit zijn moeilijkheden op te beuren. Maar wie zal zeggen, hoezeer zij vóór en mét hem heeft gestreden? Hun huwelijk werd met 8 kinderen gezegend.
Naast zijn werkkring in de niet altijd even bloeiende graanhandel wijdde hij zich aan de letterkunde. Verschillende verhandelingen over diverse onderwerpen zagen van zijn hand het licht.
Dat de Clercq een man van aanzien en kunde is blijkt wel uit het feit dat hij in 1824 bij de oprichting van de Nederlandse Handelmaatschappij het secretariaat waarneemt. In 1831 werd hij zelfs in de directie opgenomen. Hij schijnt zelfs ook eens op de nominatie voor Minister van Binnenlandse Zaken te hebben gestaan. Veel deed hij voor de industriële ontwikkeling van Twente. Zijn contacten met de Engelsman Thomas Ainsworth en zijn ijver voor de ontwikkeling van de huisvlijt zouden een apart hoofdstuk vergen om beschreven te worden. Omdat dit het verhaal te lang zou maken doen we het maar niet.
We letten nu op zijn religieuse ontwikkeling. In zijn jeugdjaren was hij even liberaal-godsdienstig als de meeste andere Nederlanders. Aan de ene kant luistert hij graag naar welsprekende dominees, maar aan de andere kant is hij een trouw bezoeker van schouwburgen en opera's.
Het merkwaardige is nu dat er niet langs de weg van een plotselinge bekering als bij Paulus, maar op de wijze van een langzame groei een oprechte geloofsband met Christus Jezus ontstond.
Reeds op 24-jarige leeftijd komt duidelijk naar voren zijn onvrede met het leven dat hij tot-nog-toe leidde. Hij was wel op 18-jarige leeftijd gedoopt in de Doopsgezinde Gemeente in zijn geboorteplaats, maar op de duur had hij toch geen vrede met het vrij oppervlakkige bestaan dat men algemeen voerde.
In 1819 schrijft hij op een gegeven moment naar aanleiding van een gehoorde preek: „Gaarne wilde ik positief Christendom —. Alles wat men nu zegt is een zeer natuurlijke godsdienst en ik geloof toch, dat zonder in geschilpunten te treden, het Christendom nog iets anders kan en moet zijn".
We zullen zijn godsdienstige ontwikkeling nog apart bezien. Nu reeds zij vermeld, dat hij in 1820 in aanraking kwam met een man die een vriend voor het leven zou blijven: Isaac da Costa. Via hem is De Clercq terecht gekomen in de Réveilkringen in Den Haag (Secretan. Schotsman, Groen van Prinsterer, Capadose en Molenaar) en Amsterdam.
In de contacten met de andere Réveilmensen en met Kohlbrugge ligt de eigenlijke betekenis van De Clercqs leven der Heiligmaking, het streven naar het volmaakte Christenleven vormde het grote probleem van zijn aardse bestaan. Door de tegenstelling die er op dit punt tussen Kohlbrugge en Da Costa bestond werd het voor de Clercq zeer moeilijk een eigen positie te kiezen. Dit prachtige woord weten we wel van De Clercq: „Het Christendom des harten, waardoor wij leren inzien, dat wij allen zondaars voor God zijn".
Op het laatst van zijn leven vereenzaamde De Clercq. Hoewel hij steeds meer de opvattingen van Kohlbrugge ging aanhangen, bleef hem toch de persoon van Da Costa zeer lief.
Zijn sterfdag viel in 1844, vlak na zijn 49e verjaardag. Hij had altijd al vlagen yan melancholie, maar in de laatste jaren scheen het alsof zijn levenslamp almeer werd uitgeblust. Zijn ziel wilde naar boven, dichtte Beets. Ik geloof dat hij daarmee de uitgang van De Clercq juist heeft getekend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's