De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil

9

9 minuten leestijd

Willem de Clercq (1795-1844) (11)

Zijn verhouding tot de kerk.

Als we bezien hoe De Clercq stond tegenover de kerk, dan bemerken we dat zijn religieuse ontwikkeling een regelrechte invloed had op zijn kerkelijke houding.

Niemand kan van deze spontane figuur zeggen, dat hij zijn persoonlijke geloofsvisie onder stoelen of banken stak. Integendeel, hij heeft zich altijd voor het kerkelijk leven verantwoordelijk gevoeld. Steeds probeerde hij positief te staan in de kerk, waarin hij zich bevond.

Het is waar dat het Réveil over het algemeen niet uit de voeten kon met het kerkelijk vraagstuk, maar de Clercq heeft wél ernstig deelgenomen aan de worsteling om een kerk, die beantwoordde aan bijbelse maatstaven.

Dat daarbij zijn spontane, onberedeneerde aard hem meer in moeilijkheden bracht dan anderen, is te begrijpen.

Helaas is aan 't eind van zijn leven het erg moeilijk geworden voor hem om 's zondags naar de kerk te gaan. Zijn zwakte en nog meer zijn zwaarmoedigheid hadden hem de lust daartoe voor een groot deel ontnomen.

Van huis uit behoorde hij bij de Doopsgezinde Gemeente. Zijn familie nam daarin een vooraanstaande plaats in. In 1813 deed hij daar belijdenis en werd hij tegelijk gedoopt. In die tijd was De Clercq nog echt een kind van het rationalistische en liberale Christendom dat toen hoogtij vierde.

Publieke vermakelijkheden bezocht hij ook op zondag zonder bezwaar; predikanten met grote kanselgaven hoorde hij het liefst, zonder verder door te denken over de dogmatische achtergronden. Hij neemt zelfs aanstoot aan Calvinistische uitdrukkingen.

Sinds het jaar 1816 echter komt er — mede door tegenslag en rouw — een langzame kentering. God wilde van Willem iemand anders maken. Hij begon in te zien dat het echte Christenzijn ook een zaak van de practijk was. Met andere woorden: de heiliging, ofwel de dagelijkse bekering, werd voor De Clercq een stuk, waarmee hij voortaan zijn hele leven zou worstelen.

In deze tijd ontmoette hij Da Costa, over wie we nog zullen spreken.

In ieder geval zien we hoe ook zijn opvattingen over de kinderdoop zich wijzigen. Op grond van de Schrift kan hij zich niet meer verenigen met de volwassenendoop in de Doopsgezinde Gemeenten. Hij was het hierover met zichzelf nog niet eens geworden, toen een zoontje van hem plotseling ziek werd en scheen te zullen sterven. Toen nam hij ineens het besluit om zélf zijn kind te dopen: „Dit betuig ik en dit weet God, dat ik toen een bijzonderen drift gevoelde om mijn goed kind aan Christus te wijden". Helaas stierf het kind, een jaar oud. De Clercq kon niet anders schrijven dan: „Wij verliezen zoveel op de aarde, maar wij winnen zoveel in den hemel".

De scheiding van de Doopsgezinde Gemeente laat nu niet lang meer op zich wachten. Hij sluit zich aan bij de Waalse Hervormde Gemeente te Amsterdam. Van die Gemeente was zijn vrouw al lidmaat. De Waalse Gemeenten, destijds in het leven geroepen door de Franse vluchtelingen (Hugenoten), ademden de geest van het Réveil. Veel van z'n Réveilvrienden heeft De Clercq daar opgedaan. Ik noem slechts Groen van Prinsterer, Capadose en Ds. Molenaar. In 1837 werd De Clercq zelfs ouderling van de Amsterdamse gemeente.

U zult vragen: Hoe ziet De Clercq nu de Kerk ? In 't algemeen kunnen we stellen, dat hij meer en meer de Calvijnse kerkidee volgde. Wèl is voor hem kenmerkend dat hij van de prediking verlangt, dat ze aanetuurt op de vraag: „Wat moet ik doen om zalig te worden ? "

De hoofdzaak is dat er geleerd wordt „het Christendom des harten, waardoor wij allen inzien, dat wij zondaars voor God zijn. Het gaat om het aanhangen van het Evangelie, de blijde boodschap, dat ik zondaar, dat gij zondaar, zalig worden door de vrije genade Gods". Naast deze eenvoudige, maar toch zuivere geloofslijnen, zien we hoe hij wel moeite heeft om het leerstuk van de uitverkiezing te verwerken. In het begin kan hij de uitverkiezing van weinigen helemaal niet in overeenstemming brengen met „de zachtere uitdrukkingen van het Evangelie", maar later ziet hij in de uitverkiezing de kroon van de leerstukken. Hij wil het zó zien: „men predike geloof en bekering, beginnen uit de behoefte van de mens tot schuldvergeving en tot Christus en niet uit de raad Gods. Men neme de middellijken weg van liefde en vergeving, waardoor Gods genade zich openbaart niet weg".

Deze waardevolle en herderlijke opvatting van De Clercq mag ook in deze tijd met niet minder kracht gezegd worden. Helaas is ook in onze kringen en zeker in die van de Gereformeerde Gemeenten bij velen het uitgangspunt de verkiezing, inplaats van het troostvolle sluitstuk. De Clercq, welke leefde in een tijd van veel verval, wijst ons hierin een zuivere weg.

Kwesties als het „duizendjarig rijk" trokken ook sterk zijn aandacht.

Zijn houding tegenover de Hervormde kerk in haar geheel is voor velen van ons tot een voorbeeld. Hij beklaagt zich niet zonder meer over het verval, maar schrijft óók regelrecht een adres aan de synode! Uit dit schrijven van 6 juni 1842 geef ik U enkele zinnen door. U zult zien, dat ze nóg van toepassing zijn: „ .... er ligt achter dien formulierenstrijd, eene diepe behoefte verborgen naar de waarheid die aan de vaderen overgeleverd is; naar den zin der Schrift zoals de Heilige Geest die sedert 18 eeuwen aan de harten der gelovigen heeft geopenbaard.

Maar wat verstaat men dan toch door kerk. Is het iets anders dan de vereeniging der zondaren die zamenstemmen in de belijdenis dier dierbare waarheden, die het wezen der Gereformeerde kerk uitmaken, en waarop al de kracht van Rome sinds drie eeuwen gestuit is. Of zijn het veeleer de Kerkge­ bouwen, de hiërarchie, de Organisatie, de Reglementen die de kerk uitmaken, — de gemeente vraagt van U de bepaalde verklaring of alles nog is als voorheen, dan of de fijnigheden eener uitlegkunde die het geloove niet behoudt of de diepere taalvorsching haar haren Christus weggenomen hebben. Zij vraagt of Christus nog God is, te prijzen in eeuwigheid, of er eene andere weg ter zaligheid is dan de aangrijping zijner gerechtigheid, of de Bijbel nog het Woord Gods is dan of zij dezelve eerst gezuiverd door de critiek, uit de handen der geleerden moet ontvangen.

Voorzeker is het maar een leek die tot U spreekt, maar als vele wachters zwijgen en de vijand voor de muur is, dan neemt elk de wapens op die hem ten gebod staan, hetzij dan het scherpsnijdend zwaard, of de kiezelsteentjes uit de beek. Ik had een koel protest willen opmaken maar het gevoel des harten heeft mij overweldigd en men zal misschien dat stuk als overdrijving en poezij ter zijde leggen — de waarheid echter is één".

De Clercq eindigt met: „Door geene menselijke voorzigtigheid, door geene weifelende geleerdheid, door geen diplomatisch beleid is zij (de kerk, B. J. W.) te redden, maar alleen door de volle erkenning van schuld en het volle vertrouwen op den God onzer hope".

Uit deze enkele alinea's blijkt wel dat De Clercq er zich niet van af maakte met op een afstand beschouwelijke critiek te leveren. Neen, hij begaf zich onversaagd in het strijdperk. In dit adres toont hij werkelijk een man van het Réveil te zijn geweest.

Hij heeft er ook meer dan eens over gedacht om de Hervormde Kerk te verlaten en zich aan te sluiten bij de Afscheiding, welke in 1834 ontstaan was. In 1836 tekende hij al op in zijn dagboek: „Mij dunkt, ik zoude zeggen: wat wederhoudt mij om tot hen over te gaan, ik gevoel mij los van de kerk zoo als zij bestaat... Zoo bij mij als bij mijne vrouw is de bitterheid tegen scheiding weggenomen".

Deze stap heeft hij gelukkig echter nooit gedaan. Het harde en zelfgenoegzame in de Afscheiding stoot hem tenslotte toch af.

Verdere zorgen hierover zijn hem gespaard gebleven. In 1844 reeds bracht zijn Hemelse Vader hem in de triumferende Kerk.

De prediking van Nicolaas Beets en van Hasebroek deed hem veel goed, terwijl ook die van Laatsman uit Rheden hem bijzonder aansprak. Toch kon hij van verschillende predikanten de verkondiging niet meer waarderen. Mede door z'n steeds groter wordende zwaarmoedigheid in de paar laatste levensjaren sloeg hij wel eens een zondag over in de kerkgang.

Op 28 april 1843 schrijft hij in zijn dagboek: „Het is mij of mijn taak afgeweven, en of er niets meer voor mij te doen is, of er geene ontwikkeling meer in mijn weg is ..." Zelfs bij Nicolaas Beets ging hij op een gegeven moment niet meer ter kerke. Hij was het wel met zijn prediking eens, maar kon niet meer onder het Woord opgaan omdat hij het niet eens was met een kerk, die dwaling naast waarheid dulde. Toch blijkt wel uit zijn aantekeningen dat hij ook met deze houding niet tevreden was.

Er is ook onenigheid over met zijn vrouw. Dat was nog niet eerder gebeurd. De verdeeldheid in de kerk maakte hem zo somber en neerslachtig, dat hij er in de laatste tijd van zijn leven geen licht meer in zag.

Het komt me voor dat De Clercq in die tijd te weinig oóg had voor de waarde van het verbond Gods. Wij, die zovele jaren later leven, mogen ons, bij alle tegenslagen toch verwonderen over het goed dat de Heere in de kerk der vaderen steeds tot stand brengt. Een duidelijk bewijs, dat de Heere niet met Zijn Geest is geweken.

Deze neerslachtigheid van De Clercq was mede een gevolg van de strijd, waarin hij kwam door zijn tussenpositie tussen Kohlbrügge en Da Costa.

Vlak voor het eind van zijn leven schreef hij nog: „Hulpelozer stond ik nooit buiten uiterlijken steun in kerk, in staat, in alles. Maar mijn steun is in God".

31 januari 1844 was de laatste dag waarop hij zijn dagboek bijhield. Toen schreef hij: „Bij ons is alles beschaming ; aan God de eer. Diepe zonde bij ons. Heer, bewaar mij!"

Op 4 februari stierf de man wiens grondtoon meer en meer geworden was: „Niet dat ik het alreeds gegrepen heb, maar ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik ook van God gegrepen ben".

Welnu, op die dag ontving hij uit Gods hand de volkomen zaligheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's