SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING
27
Mijn zoon, vrees de Heere en de koning, vermeng u niet met hen, die naar verandering staan. (Spr. 24 : 21).
§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).
B. Praktijk.
Een deel van het rapport — m.i. niet het slechts geredigeerde deel! — is gewijd aan wat de vredestaak zou kunnen heten van de kerk, resp. de staat: hoofdstuk VIII („Het voorkomen van oorlog") en hoofdstuk IX „Verantwoordelijkheid en solidariteit").
De stof i.e. is dermate veelomvattend, dat ik gemeend heb — zulks niet zozeer vanwege de letterlijke tekst van dit deel als wel naar aanleiding van de discussie, die op de verschijning van het rapport is gevolgd — me te moeten beperken tot wat op dit ogenblik hoogst actueel is, t.w.
a) de vraag of de kerk zich van haar vredestaak in de wereld wel altijd voldoende bewust is geweest;
b) de vraag of de kerk thans de steven zou hebben te wenden, gegeven de aanzichten van 't atoomtijdperk en
c) de vraag of de kerk wel reden heeft zich te distanciëren van de bestaande toestand met betrekking tot het pastoraat onder onze militairen. Wij kleden dit dan aan als volgt.
1. Faalde de kerk in het verleden?
Wij spraken raet elkander over het atoomtijdperk (§ 4-C). Karakteristiek voor de tijd, waarin wij nu leven, is o.m. het feit, dat de mens zichzelf tot een vraagteken is geworden.
De zekerheden van weleer, waar zijn zij gebleven ? Is het niet alsof hem die zekerheden in een betrekkelijk korte spanne tij ds stuk voor stuk door de vingers zijn geglipt?
De moderne mens vraagt zich aldoor af: Is God er wel ? Bestaat er zoiets als het gezag en de waarheid ? Waarom is de één ziek en de ander gezond ? Waarom vertoeft de één keer op keer in de gevangenis en loopt de ander altijd vrij rond ? Op grond waarvan heeft de één te gebieden en de ander te gehoorzamen? Wie staat mij borg voor de juiste rolverdeling in onze samenleving ? Welk een logica steekt er achter dit alles ? Is niet alle gebeuren zinloos? Wat zou de geschiedenis mij nu te zeggen kunnen hebben? Waartoe leef ik eigenlijk ? Wierp ik mezelf op de aarde? Is hetgeen ik doe of niet doe wel van enig nut ? Zou een ander mij dit uit de doeken kunnen doen, zo ja, met welk recht... ?
Een veel gehoorde vraag — speciaal in het kader van ons onderwerp — is ook: Wat hebben die twintig eeuwen christendom ons nu eigenlijk gebracht? Aan de wijze waarop deze vraag dan meestal wordt gesteld, proeft men reeds het antwoord....
Talloos velen (intellectuelen vooral) ergeren zich al, als in hun leefwereld plotseling een gezant van God binnentreedt.
Het heet dan wel vaak, dat zij zich niet zozeer ergeren aan de Christus als wel aan de christenen, doch ik ben zo vrij daar geen geloof aan te hechten. Ik sta in deze mening niet alleen: daar is zelfs een typisch eigentijdse figuur als ds. Buskes — „elke tijd heeft zijn fetisch: thans heet deze links" (H. A. Lunshof) — nu toch langzamerhand ook wel van overtuigd ...
De vraag of nu de kerk — bijkomstig lijkt mij in dit verband de terminologie : de één prefereert hier de term "christendom", de ander de term „christenheid" enz. — van het begin af aan gefaald heeft, laat geen onzer ooit helemaal los. De actualiteit van wat ons hier bezig houdt (het vraagstuk der betrekkingen tussen kerk en staat, juncto het vraagstuk van oorlog en vrede) noopt ons er wel toe telkens weer een forse duik te nemen in de geschiedenis.
Nu zouden wij ons ervan af kunnen maken op de wijze als waarop een spreker in Hydepark (Londen) dat eens deed, toen één van zijn hoorders het oude paard van stal haalde, als zouden wij het aan de kerk te wijten hebben, dat het spoor der mensheid zo bloedig is geweest, en nog. De man trad prompt op zijn opponent toe, besnuffelde hem eens van rondom en zei: „Als ik jou zo 's in de nek kijk, zou je ook niet zeggen, dat wij al zoveel eeuwen water hebben..."
Een laconiek antwoord, dat meer wijsheid bevat dan menigeen wel bevroedt!
Het is evenwel niet aan ons, stervelingen, om uit te maken of de kerk nu gefaald heeft of niet, gesteld al dat wij daartoe in staat waren en bevoegd.
Ons past in deze heilige distinctie en distantie. schroom, God doet al wat Hem behaagt (Ps. 115 : 3, 135 : 6) en het is niet aan ons Hem daarvoor ter verantwoording te roepen (Jes. 55 : 11; Rom. 9 : 20).
Het betaamt ons te geloven, dat God Zijn heilsplan volvoert en dat in dit plan alles (oorlogen, natuurrampen, enz. mede inbegrepen) zo zijn plaats heeft. Is het soms aan ons te traceren wat Hij in en met onze wereld voornemens is te doen?
Wij hebben ons onder alle omstandigheden te houden aan wat Hij ons reeds geopenbaard heeft (1 Tim. 1 : 15, 4:9) en nog openbaren zal (betreffende de tijd, waarin wij nu leven: zie o.a. Dan. 12 : 9). Het feit alleen al, dat de kerk nog bestaat, zij voor ons het bewijs, dat Hij Zijn beloften inlost (Matth. 16 : 18, 28 : 20).
Daarom doen wij er goed aan ons af te scheiden van hen, die zich door dat verleden zo bezwaard gevoelen, dat zij de kerk aan een verjongingskuur zouden willen onderwerpen met het oogmerk schikkingen te kunnen treffen, hetzij ter aanpassing van de kerk aan de wereld (tijdgeest), hetzij ook ter lipuidatie van de denominaties op basis van dubieuze G.G.D.-formules.
Het gemak, waarmede zich die ijveraars ontdoen van de „last" der oude en beproefde belijdenisgeschriften steekt wel heel fel af bij het exclusivisme, waarmede zij zich opwerpen als dé woordvoerders van de kerk in een wereld, die naar veranderingen staat, ware het slechts uit pure revolutionaire gezindheid. Welk een magische klank heeft in onze tijd niet het woord „revolutie" (Indonesië, Egypte, enz.)! Waart thans niet de geest, van 1789 door heel de wereld?
Dikwijls ook wordt ons, als het vraagstuk van oorlog en vrede aan de orde is, het gedragspatroon van de eerste christenen ten voorbeeld gesteld.
Maar is dit ten rechte? Men is het er tegenwoordig toch wel algemeen over eens, dat er reeds onder de eerste christenen verdeeldheid is geweest met betrekking tot de vraag: Is het een christen geoorloofd in krijgsdienst te treden?
Het voorbeeld van de eerste christenen, inzoverre zij zich van die dienst afzijdig hielden, lijkt mij om twee redeaen in het geheel niet relevant:
1. Hij, die oudtijds in krijgsdienst trad, wist zich vanaf datzelfde ogenblik persoonlijk betrokken bij een dooren-door heidense rita (keizerverering, enz.). Wat heeft de jonge kerk niet te stellen gehad met de Mithracultus Mithra = soldatengod, schutspatroon van alle gezag!
2. Hoe zouden wij een 20e eeuws staatsbestel willen vergelijken met dat van Rome in het begin van onze jaartelling? De tijd is in onze dreven toch heus wel voorbij, dat een vorst het waagde te zeggen: „L'état c'est moi!" en dat een staatsman hardop droomde van een „frischen, fröhlichen Krieg" (omstreeks 1850). Wie onzer verwacht er nog iets van een oorlogsavontuur in het atoomtijdperk? Het is overigens mede dank zij de verworvenheden van onze cultuur — w.o. de vierpolige structuur van ons staats- en rechtsbestel (bijdrage XXV) —, dat er te onzent nog zoveel kwaad (militairisme, enz.) in de kiem kan worden gesmoord. Men winde zich ook niet te gauw op, als er 's een incident plaats vindt, zoals nu pas weer in de Bondrepubliek (het geval-Heye, de met twee tongen sprekende ombudsman...). Zulk een kwaad straft gemeenlijk zichzelf; er zijn in de nationale en internationale samenleving van die mechanismen, die beter functioneren dan welk charter ook!
Dan is er het verwijt aan het adres van de kerk, dat zij zich in toenemende mate zou hebben verslingerd aan de staat, zegge vanaf het ogenblik, dat Constantijn de Grote het heft in handen kreeg.
Kerk en staat kijfden in ons werelddeel eeuwenlang om de suprematie, en wel met wisselend resultaat tot op de dag, dat die wereld een boedelscheiding vorderde; sedertdien hebben wij ook in ons land de scheiding van kerk en staat, hetgeen overigens niet betekent, dat er nu geen schermutselingen meer zouden zijn. Wij weten allen beter!
Omtrent dat „huwelijk" van kerk en staat in vroegere jaren heerst in ons midden veel misverstand, naar ik telkens weer opnieuw ervaar.
Het heeft dan ook zijn nut hier 's de puntjes op de „i" te zetten:
1.Dat samengaan van kerk en staat had ongetwijfeld ook zijn goede kanten (statenbijbel!). Zij, die van oordeel zijn, dat er uit dat „huwelijk" slechts natuurlijke kinderen zouden zijn gesproten, doen de eigen geschiedenis geweld aan.
2. Tot voor betrekkelijk kort was op zoveel plaatsen in ons land een scheiding van kerk (lees: kerkelijke gemeente) en staat (lees: burgerlijke gemeente) niet eens denkbaar. Onze samenleving was er tot diep in de 19e eeuw niet rijp voor en gaat het dan wel aan, haar te beoordelen naar wat nu de maatstaf is? Tot omstreeks het midden van de vorige eeuw, toen de geest van de Franse Revolutie ook ons volk in zijn greep kreeg, vond de goegemeente het een vanzelfsprekende zaak, dat de heren, die het in de burgerlijke gemeente voor het zeggen hadden, privileges genoten in de kerk. Zeker, excessen waren daarvan niet zelden het gevolg, tot voor kort zelfs nog: „de vreze der heren" zat er op sommige plaatsen (Vechtstreek, Kr. Rijnstreek!) nog wel zo diep in als de vreze des Heeren ...
Maar dit alles neemt niet weg, dat de kerk in ons land aan zijn vroegere bestuurders (edelen, regenten en heren) meer te danken heeft dan de doorsnee-kerkganger van vandaag wel beseft. Daarvan zouden de stenen kunnen spreken van welhaast elk oud kerkgebouw!
3. Was de kerk naar het uiterlijk te oordelen eeuwenlang geketend aan de staat, administratief wel heel in het bijzonder, naar haar aard en wezen was diezelfde kerk immer volkomen onafhankelijk. Daarvan getuigt tot op de jongste dag het bloed der martelaren ... Daarom krijgt zelfs een totalitair atheïstisch bewind er de kerk nimmer geheel onder!
4. Een sprookje is ook, dat de orthodoxie — het calvinisme uiteraard heel in het bijzonder vanwege dat aanstootgevende voorzienigheidsgegeloof en die ergeniswekkende leer der praedestinatie — zou zijn doodgebloed op de slagvelden van Europa, alsmede in oorden als Auswitsch en Hiroshima. Was het de geest van het christendom die de machthebbers in Europa tot handelen bewoog in 1914, resp. in 1939? Was niet de „Ueberbau" van het v.m. Duitse Keizerrijk in hart en nieren vergiftigd door de geest van 't Hegeliaanse idealisme? Bracht 't nationaal-socialisme Duitsland niet mede in praktijk, wat Nietzsche zijn Zarathustra in de mond gaf te spreken: „Es gibt einen alten Wahn: der heiszt Gut und Böse"? Dichterbij zagen wij iets dergelijks: het calvinisme moge op ons volk zijn stempel hebben gezet, onze remonstrantse bestuurders stonden wijd en zijd bekend om hun „rekkelijkheid" Hun lijfspreuk was: „in necessariis unitas, in non necessariis libertas, in utrisque caritas (eenheid in het nodige, vrijheid in het niet nodige, in beide de liefde), met een dikke streep onder dat woord „libertas" (vrijheid): zij maakten immers zélf uit, wat al dan niet noodzakelijk was ... Terzijde: het optreden van onze Synode herinnert mij keer op keer aan dat van onze vroegere regenten. Hoe verklaar ik me anders dat „imperialistische gedoe (dr. Gravemeyer)?
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's