De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kinderdoop

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kinderdoop

EN HET NIEUWE TESTAMENT *)

12 minuten leestijd

De schrijver is hervormd predikant in Rotterdam. Hij is onlangs onder prof. dr. G. Sevenster als promotor te Leiden gepromoveerd tot doctor in de theologie met bovengenoemd proefschrift. Dit is een hartelijke gelukwens waard, temeer, daar dit werk zozeer de aandacht trok en trekt, dat inmiddels een tweede druk verscheen.

Daaruit blijkt wel, hoe actueel het onderwerp is, dat dr. de Ru behandelt. Niemand minder den K. Barth heeft de bijbelse fundering van de kinderdoop aangevochten. De strijd rondom de kinderdoop gaat altijd voort, meestal aan de rand van de kerk met de diverse secten. Deze strijd is nu verplaatst van de rand naar het midden van de kerk.

Het boeiende van deze studie is, dat zij een overwegend exegetisch karakter draagt. Aan de uitlegging van alle schriftplaatsen, die op de doop betrekking hebben, is de meeste aandacht besteed. In hoofdstuk II wordt een uitgebreid onderzoek ingesteld naar de pericopen in de Evangelieën, de Handelingen en de Brieven, die daarover handelen.

Deze exegese wordt voorafgegaan door een historisch overzicht over de kinderdoop als probleem in de geschiedenis (hoofdstuk I) en gevolgd door een onderzoek naar de proselyten doop (III), de oikosteksten (IV), de zegening van de kinderen door Jezus (V), doop en besnijdenis (VI) en doop en geloof (VII).

De grote verdienste van dit proefschrift is mijns inziens, dat het een onomstotelijk bewijs levert voor de bijbelse zin van de kinderdoop. Het draagt een schat van materiaal aan uit de proselyten doop (de doop van heidenen, die tot het Jodendom overkwamen), uit de oikosteksten (de teksten, waarin het gaat over de gezinnen) om de practijk van de kinderdoop in de eerste christelijke gemeenten te laten zien.

Bijzonder verhelderend is wat de auteur schrijft over de doop van Jezus in de Jordaan. Vanuit de doop van Jezus in de Jordaan en op Golgotha is de christelijke doop van na Pinksteren naar haar inhoud te verstaan.

De confrontatie met het heden is belangwekkend. Alle geschriften van de laatste jaren worden min of meer uitvoerig besproken. De conclusie is geen ander dan dat het standpunt van Barth wordt afgewezen.

Ook diegenen onder ons, die het standpunt van K. Barth afwijzen, zullen versterkt worden in het geloof, dat de kinderdoop wortelt in het Nieuwe Testament. Voor het onderwijs in de prediking, op de catechisatie en in gesprekken kan dit proefschrift u erg veel bieden.

Wanneer er desniettemin bezwaren rijzen, doet dit aan de waardering niets af. Deze bezwaren richten zich in de eerste plaats tegen de visie van de autevu: op de verhouding van Woord en Sacrament. Hoewel deze verhouding nergens uitvoerig aan de orde komt, heeft deze toch een doorslaggevende betekenis in de beoordeling van de vraag naar de inhoud van de kinderdoop en de sacramenten in het algemeen.

Wanneer ik de schrijver goed begrijp, beschouwt hij de sacramenten als gelijkwaardig met het Woord. Christus werkt door Woord en sacrament op gelijke wijze. Vandaar zijn doorlopende critiek op het alleen maar de nadruk leggen op het cognitieve in de sacramenten. Onder cognitief verstaan wij het kenniselement. Volgens de reformatie, inzonderheid volgens Calvijn, zijn de sacramenten heilige en zichtbare waartekenen en zegelen, die ons de belofte van het Evangelie des te beter te verstaan geven. Met andere woorden: de sacramenten betekenen en verzegelen de belofte Gods. Zij projecteren deze belofte in het zichtbare Woord. Dit teken- en zegelkarakter vindt dr. de Ru te weinig. De doop is ook een gebeuren, een spreken, een scheppen. Hij verwerpt de rooms-katholieke opvatting van de zelfwerkzaamheid van de sacramenten, mits juist bediend. Anderzijds vindt hij het teken- en zegelkarakter van de doop te mager. Christus handelt door de doop scheppend en levendmakend.

Hier wordt dus een andere opvatting van Woord en sacrament voorgedragen dan de Calvinistische reformatie ons leert. Dat is op zichzelf zo erg niet, waneer het maar bijbels is. En dat is de vraag. Alle schriftplaatsen, die handelen over het gebeuren in de doop, zijn toch handelingen van Christus door het Woord, dat aan de doop vooraf gaat en dat de dopeling volgt op zijn levensweg.

Met andere woorden: de zaak van de doop vindt hij van dag tot dag terug in het Woord, waarin de beloften Gods hem in Christus verzekerd worden.

Het is zeker niet mijn bedoeling de waarde van de doop te verkleinen, maar wel om de primaire betekenis van het Woord in de prediking te onderstrepen. Het sacrament geeft een kleinbeeld, een samentrekking van het gehele Woord. Vandaar, dat wij gaarne spreken van het verbum visibile, het zichtbare Woord, dat de schrijver wil veranderen in het verbum actuale, het Woord, dat bij de tijd is, de werkelijkheid toont. Hij spreekt over de doop als causatief en regeneratief. 'k Dacht, dat het beter was te spreken van het werkende Woord en het versterkende sacrament. Bovendien moet opgemerkt worden, dat het cognitieve van de sacramenten allerminst uitwendig of formeel door de reformatie is bedoeld. Wat is er bij Calvijn b.v. levender dan de kennis van het geloof?

Vanuit deze achtergronden springt een tweede naar voren, dat is de inlijving in Christus. De schrijver wil op voetspoor van Cullmann alle noties van de doop brengen onder de ene hoofdnotie: de inlijving in de Kerk als het Lichaam van Christus. Dit biedt ook oecumenische perspectieven! Daarmee raken wij aan een ander belangrijk gegeven, namelijk de kerk. Voor dr. de Ru is de Kerk het Lichaam van Christus. Hij zoekt dat vooral in de ruimtelijke en zichtbare zin van het Woord. De geestelijke gestalte van de Kerk als de geloofsgemeenschap vanuit en met Christus komt weinig tevoorschijn.

Daardoor komt de gestalte van Christus niet tot Zijn recht, omdat Hij voor mijn besef overschaduwd wordt door de Kerk, zoals dr. de Ru die opvat. Wanneer genuanceerder over Christus en Zijn gemeente was gesproken in de beeldenrijkdom van de Schrift, was deze vereenzijdiging wellicht voorkomen. Natuurlijk begrijp ik, dat dit boek geen dissertatie is over de Kerk, maar over de kinderdoop. Maar wanneer een gezichtspunt zo overwegend wordt, dat het bepalend wordt voor het geheel, mag dit niet buiten deze bespreking blijven.

Dit klemt temeer, omdat de schrijver de term: unio mystica (mystieke vereniging) met Christus wil vermijden. Hij spreekt liever van innige geloofsverbondenheid. Ongetwijfeld kan men met het woord mystiek een verkeerde kant uit. Dat is zeker de bedoelin van Calvijn niet. Het mag hier niet over woorden gaan, maar over de zaak, door deze woorden bedoeld. 'k Kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat de inlijving in Christus door de schrijver ongenuanceerd naar de doop wordt verschoven, terwijl de diepste fase van de geloofsvereniging een geestelijke werkelijkheid is, die in de doop wordt betekend en verzegeld.

Mijn bezwaar gaat niet tegen de inlijving door de doop in het Lichaam van Christus, maar tegen de stremming, die ontstaat, wanneer wij de geestelijke inhoud van de volwassendoop ongenuanceerd op de kinderdoop toepassen.

Daardoor — en dat is het derde bezwaar — wordt de doop op deze wijze teveel verzelfstandigd. Dat het eenmalig en onherhaalbaar karakter van de doop onderstreept wordt, is juist. Dat een christen zijn levenlang nodig heeft de inhoud van de doop te verstaan, zal waar zijn.

Maar, zoals God Zelf blijft bij Zijn Woord en dit van ogenblik tot ogenblik levend maakt, zo blijft Hij ook bij de inhoud van de doop en bij de toepassing van de doop. Onder toepassing aan de enkeling verstaat dr. de Ru, dat de doodsdoop van Christus op Golgotha aan ons wordt toegepast in onze eigen doop. De doop is in zekere zin de toepassing van het heilswerk van Christus op de enkeling.

Hierbij heb ik gemist wat het doopsformulier over de Heilige Geest zegt, dat Hij ons toeeigent wat wij in Christus (in de belofte) hebben. Hier gaat het toeëigenen toch niet alleen over onze doop als feit en datvun, maar over de geestelijke inhoud van onze doop: de afwassing van onze zonden en de vernieuwing van ons leven. Nog korter gezegd: de Heilige Geest eigent ons Christus en al Zijn weldaden toe.

Over dit eigen werk van de Heilige Geest wordt niet veel gesproken in dit werk. De verzelfstandiging van de doop dreigt overal, maar de trinitarische verbanden ontbreken of vervagen. Dan is het heilswerk van God zeer eenzijdig tot en met de bediening van de doop — en dr. de Ru wordt niet moede ons het heerlijk eenzijdig werk van God voor zondaren te laten zien — maar het loopt niet door, het komt niet vanuit de trinitarische verbanden bij de mens aan.

De waarheid van het sacrament is toch Christus Zelf. God drieenig trekt toch in het sacrament met de gemeente mee. Hij is en blijft toch ook in de toeeigening de handelende God.

In dit verband komt ook „de grote beslissing van de Generaltaufe op Golgotha" en „onze lichte beslissing" in het rechte licht. In deze Generaltaufe van Christus ziet dr. de Ru alle mensen besloten krachtens het bijbels „geheel" denken. Adam bevat alle mensen, Christus omvat alle mensen. Hier was toch wel een bijbelse onderscheiding van Adam en de zijnen en Christus en de Zijnen op zijn plaats geweest. De Schrift stelt deze toch niet overal gelijk? Maar afgezien daarvan: Kunnen wij volhouden, dat deze Generaltaufe van Christus volstrekt onafhankelijk is van de persoonlijke beslissing, geloof of begrip van hen, aan wie deze ten goede komt?

Als dr. de Ru daarmee bedoelt het verbazingwekkende, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren, dan is dit alleen maar waar. Maar er is ook een levendgemaakt zijn met Hem. Deze levendmaking is niet alleen een punt, maar ook een lijn. Het geloof is ook een weg. Gods overmacht in Zijn heilshandelen op de Pinksterdag komt bij de hoorders tevoorschijn in de benauwde vraag: Mannenbroeders, wat moeten wij doen? Met andere woorden: de toepassing van de Generaltaufe van Christus op Golgotha blijkt door de harten van de hoorders gegaan te zijn.

Dan is het niet alleen de gratia praevenicus (de voorkomende genade) maar ook gratia interna (genade, die in het hart wordt uitgewerkt). Die gratia interna is totaal iets anders dan de gratia infusa (de ingestorte genade) van de rooms-katholieke kerk. Dit geloof is en blijft een gave Gods.

Wanneer dr. de Ru de doop noemt: een invoegen in het Christus-gebeuren en een krachtdadig goddelijk handelen, dan moge het bovengenoemde toch bedacht zijn.

Een en ander hangt verder met de visie van de schrijver op Calvijns onderwijs inzake de doop.

Instemmend citeert hij Calvijn, zolang het gaat over de gronden van de kinderdoop, tegen K. Barth. Ook verklaart de schrijver, dat Calvijn weigert systematicus te worden. Hij heeft geen „sluitende" doopleer. Dat was zijn kracht en tegelijk zijn zwakheid tegenover zijn tegenstanders. Dat alles is waar.

Maar Calvijn worstelt met andere vragen. Hij weet van de rijkdom van de belofte, van de doop als inlijving in de Kerk, maar hij weet ook van een nadere inlijving van een meer intieme kennis, die God alleen de Zijnen toedeelt. Met de volle handhaving van de waarde en de inhoud van de doop, worstelt Calvijn met de vragen, waarmee Paulus reeds worstelde: Wat is Abrahams zaad? Deze vraag is aan de orde niet alleen in de vraag Jood-heiden, maar ook in de gemeente van Christus. Men lette op zijn commentaar in Gen. 15 en 17.

Het verschil tussen Calvijn en dr. de Ru zal wel samenhangen met de verkiezing. Wat verstaat dr. de Ru onder verkiezing? De doop is - volgens hem - een teken van de verkiezing. Toch kan ook volgens hem — let op de bespreking van 1 Cor. 10 — een gedoopte omkomen.

Is het dan een offer aan het intellect, wanneer Calvijn spreekt over graden in de verkiezing en over tweeërlei kinderen des verbonds? Liggen deze onderscheidingen niet in de Schrift? Heeft het kindschap niet allerlei verdiepingen? Zijn er niet kinderen des verbonds die worden buitengeworpen èn kinderen des verbonds, die behouden worden? Had hier de tendens naar de verzelfstandiging van de doop niet kunnen worden gekeerd door de bepalende wil van God in verkiezing, door de verzoenende Christus (Abrahams zaad bij uitnemendheid!) en de wederbarende Heilige Geest? Dan is er ook een meer spanningsvolle bezigheid met deze geheimen binnen de wanden van de H. Schrift. De structuren van het verbond, zoals wij die bij Calvijn vinden — zijn, dacht ik, niet te ontgaan.

Dan zijn wij ook minder huiverig voor het kenmerkende van de vreze Gods, waarover de Schrift uitvoerig spreekt en voor de wraak van het verbond, die in de Schrift waarlijk geen randverschijnsel is.

Deze vragen klemmen temeer, wanneer wij letten op de practijk. Dr. de Ru geeft een principiële bezinning, geen boek voor de dooppractijk. Maar er wordt mee gewerkt in de practijk. En deze practijk laat zien, dat duizenden hun doop verscheuren, dat de gemeenten verzwakken en dat vele gezinnen het geloof missen.

Dit is geen mindering op het bijbels onderwijs over de doop, maar wel een oproep om ook in de bezinning op het dooponderwijs de practijk van nu te betrekken.

Van een causale en regeneratieve werking van de doop verwacht ik niets, van de regenererende kracht van Woord en Geest alles. Dit boek is de aanschaf en de bestudering meer dan waard. De collega's zullen er veel aan hebben, terwijl belangstellende gemeenteden — daaronder zijn binnenvetters — het met vrucht zullen lezen.


•) De kinderdoop en het Nieuwe Testament, dr. G. de Ru, ingenaaid, 295 t)lz., ƒ 16, 90. TTitgave: Veenman en Zonen, Wageningen, 1964.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De kinderdoop

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's