Boekbespreking
Louis Goumaz, Het ambt bij Calvijn, een samenvatting naar zijn commentaar op liet Nieuwe Testament, vertaald en ingeleid door drs. K. Deddens, geb., 170 blz., ƒ 8, 90. Wever, Franeker.
Dit boek verscheen in het Frans, geschreven door Louis Goumaz, een Zwitsers theoloog en een Calvijn-kenner.
Drs. Deddens gaf hiervan een vertaling in het Nederlands onder de titel: Het ambt bij Calvijn. Het is niet toevallig dat dit boek in 1964 verschijnt. Immers in 1564 overleed Calvijn, dus 400 jaar geleden.
Met de verschijning van dit boek beoogt men een dubbel doel. In de eerste plaats om deze leraar der kerk te eren, in wie God ons zoveel schonk. In de tweede plaats licht te ontsteken in de vragen rondom het ambt, dat vandaag in vele kringen in discussie is.
In deze discussie is het een welkome ruggesteun. Uit al de commentaren op het Nieuwe Testament van Calvijn heeft men alles bijeengebracht wat Calvijn schreef over het ambt. Dat is dan ook heel wat. Vanzelf zijn deze stukken vooral samengebracht uit zijn commentaren op de brieven aan Timotheus en Titus.
De vertaler geeft omstandig rekenschap aan het verschijnen van dit boek. Had Benolt in 1947 een boek geschreven over: Calvijn als zielszorger, in 1948 verscheen dit boek onder de titel: „Timothée".
Goumaz beperkte zich tot de commentaren van Calvijn. Zijn boek geeft de theorie over het ambt. Het wil een handboek voor de ideale pastor zijn.
Het ambt rust, volgens Calvijn, op een louter schriftuurlijk fundament.
Wie enigermate thuis is in de commentaren van Calvijn, moet erkennen, dat dit haast een onbegonnen werk is. Immers de gedachten van Calvijn over het ambt liggen door al zijn commentaren verspreid.
Daarom heeft de schrijver recht op onze dank dat hij orde heeft aangebracht in de veelheid der citaten en Calvijns gedachten in een achttal hoofdstukken heeft ondergebracht. Het eerste hoofdstuk handelt over de verschillende ambten. De zaken kunnen bekend zijn: de apostelen en de evangelisten bekleden tijdelijke ambten. Zij zijn de pioniers, die het werk overdragen aan de blijvende ambten: opzieners, herders en ouderlingen. Drie woorden duiden op dezelfde mensen. Er is geen rangonderscheid. Zelfs wanneer iemand plaatselijk leiding geeft, dan heeft hij niet te regeren buiten zijn plaats, nog minder zich boven zijn plaatselijke collega's te verheffen.
Hier zit de polemiek met Rome in, die alles in trappen gedeeld heeft.
Verder zijn er de hulpdiensten: diakenen, diakonessen, profeten en profetessen. Daarbij worden soms wonderlijke dingen gezegd. Is de N.T. profeet, zoals Calvijn hem toeschrijft? Is het profeet zijn overgedragen aan de herder, opziener en ouderling? Heeft de profetes tot taak alleen eigen gezin te onderrichten vanwege de onderworpenheid aan de man?
Hoofdstuk II behandelt de dubbele kant aan het ambt, de menselijke en de goddelijke kant. Daarin wordt behandeld: voorbereiding tot het ambt, studie, roepen van mensen, verkiezing, bevestiging, het roepen van God.
Daarin staan kostelijke dingen, die wij zo voor u zouden overschrijven. Maar dat is niet de bedoeling.
Het geheel is zo, dat wij het u zeer aanbevelen. Gemeenteleden willen hun dominee of ouderling wel eens een boek geven.
Hier hebt ge een uitstekend boek. Kinderen willen hun ouders wel eens een cadeau geven; hier is een pracht boek.
Laten vooral onze theologische studenten het lezen! Hier is een man aan het woord, die in zijn kleinheid voor God, grote dingen doet en zegt.
Aan de vertaler onze bijzondere dank voor deze verrijking.
B.
Kerk en Sport, nr. 22 van de Serie Praktisch Theologische Handboekjes, 88 blz., ƒ 3, 90, Boekencentrum, 's-Gravenhage 1963.
Dit werk is een studie van de Raad voor de zaken van Kerk en samenleving; de Generale Synode heeft dit rapport in 1962 besproken en biedt het nu aan, nadat het op enkele punten is herzien.
In een voorwoord merkt de Raad op, dat de grote plaats, die de sportbeweging in al zijn verschijningsvormen in het moderne leven inneemt een bezinning rechtvaardigt. Meer dan een kwart van onze bevolking zal in de toekomst actief in de sportwereld betrokken worden.
Na tekening van de huidige situatie onderzoekt de Commissie de historische, de sociaal-culturele en sociologische, de psychilogische en pedagogische aspecten. Ten slotte volgen hoofdstukken over de mens in het sportgebeuren, over sport en ethiek, over Kerk en sport.
Reeds deze opsomming laat zien, hoe de Commissie zich van de vragen niet met een handomdraai heeft afgemaakt. Hier wordt aangeduid, zegt de commissie hoe thans in grote lijnen binnen de Kerk over de sport wordt gedacht.
Sterke klemtoon valt op de lichamelijkheid — geen wonder gezien de stof, die hier aan de orde is. Daarbij wijst dit stuk meer dan eens op het nieuw verstaan van de Bijbel. „Juist de lichamelijkheid bepaalt ons mens-zijn. De lichamelijkheid is de situatie van ons mens-zijn; de mens is „ziel van zijn lichaam'!
De geest van de sport is een weerspiegeling van de geest van onze tijd, afspiegeling van de moderne, maatschappelijke ontwikkeling. Mede door de eisen van het betalende publiek gaat de sport meer en meer verzakelijken. — Men ziet wel gevaren: „Zo kan er een handel in mensen ontstaan, die soms de vorm van een windhandel aanneemt" „Wanneer de sport het een en het al is voor een mens en andere levenswaarden verdringt, dan fixeert hij het provisorische karakter van zijn zelfbepaling en komt niet tot volwaardige ontplooiing". Dit vinden wij ook in een stuk, dat spreekt over de sportbeoefenaar en zijn publiek.
Het geheel maakt op mij de typische indruk van het werk van een Commissie: nog eens bekeken, hier wat veranderd en daar wat bijgeschaafd. Ik vind het vrij moeilijk leesbaar; het is mij niet grijpbaar genoeg. Telkens lezen wij, wat de sport kan; dan weet ik niet of dat ook geschiedt, dat dit „er ergens ook inzit", dat het die kant uitgaat of dat daarin een zeker ideaal getekend wordt. — Is het bijbelse materiaal wel ten volle benut? Als voorbeeld noem ik 1 Tim. 4:8. Daarvan lees ik: „Hier gaat het niet om een bestrijding van de sport, maar van een in het vorige hoofdstuk gesignaleerde bedreiging van het menszijn: deze bestrijding is er, als de polariteit tussen lichaam en ziel opgeheven wordt, zodat de mens uiteengaat in materialisme of in spiritualisme". Zelfs in dit verband vind ik dit te arm en te eenzijdig. Tenslotte komt aan de orde de sport en de zondagsviering. De betekenis van een christelijke zondagsviering wordt in deze tijd steeds meer aangevochten, tot schade van geestelijk en kerkelijk leven. Het is jammer, dat in dit stuk maar weinig verontrusting over deze dingen gevonden wordt. „Heiliging van de rustdag is niet iets, wat als een last onze kinderen moet worden opgelegd". Hebben wij hier nog een gebod of niet? Zeggen wij dat ook van de andere geboden? — „De rustdag is er voor de mens en niet andersom. Een kerk, die dit in haar hele opvatting waarmaakt, heeft bij de sportorganisaties recht van spreken". Maar de zondag is Gods dag en niet die van de mens! Het is jammer, dat men hier achter de geest van de tijd aanloopt en niet tegen de geest ingaat met het volle Woord van God.
Bt.
C. Aldred, Het land der Farao's, 174 blz., ƒ 3, 95 Uitg. Mij. W. de Haan, Zeist, 1964. C. M. Stibbe, Kreta en Mykene, 136 blz., ƒ 3, 95. J. Evans, Leven in de Middeleeuwen, 150 blz., ƒ 2, 95, 2de druk, 1964 Uitg. Mij. W. de Haan, Zeist.
Onder de populair-wetenschappelijke pockets is de Phoenix-serie zeker niet de minste. Reeds door de typografische verzorging en door het prachtige foto-materiaal, dat in elk deeltje vele bladzijden — buiten de tekst — vult, maken zij een zeer aantrekkelijke indruk.
Het eerste van dit drietal, dat wij ter aankondiging ontvingen vertelt van de Egyptenaren: van de ontdékkinge van het oude Egypte; het grootste deel van het boek wordt in beslag genomen door de beschrijving van de Egyptische geschiedenis van de prehistorische tijd af tot de dagen van Alexander de Groote; daarbij wordt over de latere dynastieën, na 1075 summier verteld. De schrijver geeft een schets van de oud-egyptische maatschappij, — zo lezen wij van koningen en schrijvers, van boeren en arbeiders; tenslotte volgt een hoofdstuk over de Egyptische levensovertuiging. Er zijn heel wat kaartjes en tekeningen opgenomen, die de tekst zeer verduidelijken, tekeningen van papyri van ostraka, van reliëfs o.a. die van Deir-el-Bahri, uit de tempel van Hatsjepsoet, waar het laden van Egyptische schepen te Poent is afgebeeld met de plaatselijke voortbrengselen: mirre-harsen, mirre-bomen, ebbenhout, ivoor, goud, wierookhout, apen, honden enz. Bovendien zijn 48 bladzijden foto's opgenomen, die een indruk geven van het grootste verleden van het volk, dat zovele malen in de geschiedenis de vijand was van Israël, maar dat ook onder de beloften Gods ligt.
Het tweede deel — eveneens een grote Phoenixpocket — voert ons naar een geheel andere cultuur: de minoisch-myceense. Het werk valt in twee stukken uiteen: het eerste deel laat Kreta voor ons herleven. De eerste sporen van menselijke bewoning gaan op Kreta terug tot in het vierde millennium van Chr. In de Bijbel worden de Kretenzers slechts een enkele maal genoemd, niet altijd in vleiende zin (Titus 1:5, 12) Kretenzers waren aanwezig op het eerste Pinksterfeest. Ook in het Oude Testament lezen wij van deze invloedrijke stad; de Filistijnen kwamen er vandaan Amos 9 : 7; Deut. 2 : 23.
Het boek vertelt van de aard van het eiland, van de contacten met de buitenwereld en van de ontwikkeling van de Kretensische beschaving, van de fresco-kunst, van de ceramiek, om slechts dit te noemen. — Het tweede gedeelte begint met de tochten van Schliemann, nu bijna honderd jaar geleden, toen deze grote archeoloog de schatten van het oude Mykene aan het licht bracht. Breed gaat de schrijver in op wat de oude graven openbaren van het leven in het verleden. Ook van Athene van welks bewoning wij eerst na 1400 voor Christus een duidelijker beeld krijgen vertelt de schrijver. De beschaving van het Oude Hellas gaat stellig terug tot diep in het tweede millennium.
Dit boek is niet alleen zeer geschikt voor gymnasiasten, maar ook voor allen, die hun kennis van de antieke beschaving weer willen ophalen en niet te vergeten voor wie Griekenland hebben bezocht of plannen hebben er heen te gaan.
En tenslotte het derde boek: Leven in de Middeleeuwen; eigenlijk moet de titel luiden: Leven in Frankrijk in de Middeleeuwen. De schrijfster tekent de feodale maatschappij van die dagen, het kloosterleven het leven in de stad, pelgrimage en kruistochten, de wetenschap en de opvoeding, waarbij de schrijfster o.a. wijst op de grote tegenstelling tussen de kunst der middeleeuwen en die der Renaissance. Wie van geschiedenis houdt kan hier zijn hart ophalen. Ook in dit werk vinden wij vele — 32 — bladzijden foto's buiten de tekst.
Bt.
Dr. L. de Jong, De bezetting, deel 4, 234 blz., Em. Querido's, Uitg. Mij. 1964.
Dit boek is een weergave van de uitzendingen van de Nederlandse Televisie-Stichting over Nederland in de tweede wereldoorlog.
Evenals in de vorige delen wordt aan ons volk belangrijk dooumentatie-materiaal gegeven met vele toelichtingen en uiteenzettingen door mensen, die de gebeurtenissen hebben meegemaakt of die ook zelf aan den lijve hebben ondervonden wat gevangenschap of concentratie-kamp in die dagen betekende. Het roept vele sombere herinneringen op, maar het spreekt ook van stoere onschrokkenheid en sterk geloof.
Dit deel beperkt zich tot de april-mei-stakingen van 1943, de hulp aan de onderduikers, de gevangenissen en concentratiekampen, terwijl het laatste hoofdstuk vertelt van Nederlands-Indië onder Japanse bezetting. Hier lezen wij van krijgsgevangenkampen, waarin zovelen omkwamen en tenslotte wordt verteld van het ontstaan van de Indonesische republiek.
Dit gedeelte eindigt met de woorden: Nu ik dit beeld gegeven heb van hetgeen in Indië tijdens de drie-en-een-halfjaar van de Japanse bezetting is geschied, meen ik wel aan u te mogen vragen: begrip, begrip voor hetgeen allen doorstonden, die later uit Indië tot ons kwamen.
De beschrijving is naar mijn mening in de juiste toon gezet, het zijn de feiten, die spreken. De toelichting is sober, niet sensationeel, diep ontroereend — Het is nodig, dat het opgroeiend geslacht weet heeft van deze dingen, die weer twintig jaar achter ons liggen.
Dr. W. Aalders, In verzet tegen de tijd, 184 blz., geb. ƒ 6, 90, J. N. Voorhoeve, Den Haag (1964).
In dit werk wil de schrijver een protest doen uitgaan „tegen de verwereldlijking van God en de vergoddelijking van de wereld". Nu ligt in protesten altijd een groot gevaar, dat van hoogmoed en negativisme. Daarvoor heeft de auteur wel degelijk oog. Het komt er op aan, schrijft hij de wereld door te gaan in gehoorzaamheid en in geloof. „Wij leven in een tijd, die ons niet bevoorrecht en beschermt. Wij zullen moeten leren om een overtuiging te hebben, die afwijkt van de meerderheid en die niet populair is. Wij zullen weerbaar, critisch, waakzaam moeten staan tegenover de penetrerende invloeden van de moderne conmumicatiemiddelen, krant, radio, film en televisie. Er is een geestelijke ontwaarding der dingen. Nergens is er meer een grens, een beperking, een halt; alles mag en kan en gebeurt. Wie aarzelt en achterblijft is bekrompen en ouderwets".
De taak van de gemeente is om de schat van het geloof over te leveren aan het komende geslacht.
In een twaalftal hoofdstukken gaat de auteur op deze dinge in. Ik noem enige hoofdstukken: De Zoon des mensen; in de laagvlakte; de brug der zuchten; de weg uit het graf; in het diensthuis der techniek; het uiteindelijke uitzicht.
Op overtuigende wijze gaat de schrijver op de problemen van vandaag in. Ik moest al lezende denken aan het Woord des Heren Matth. 16:3. Het aanschijn van de hemel weet gij te onderscheiden en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden? Wij zullen moeten weten welke de geest is, die thans in de wereld heerst, zullen wij de goede weg weten te bewandelen en anderen die weg weten te wijzen.
De lezer zal wel eens op stellingen stuiten, die hij evenmin als ik voor zijn rekening zal nemen, b.v. als hij spreekt over de orthodoxie of over een rechtlijnige fundamentalistische prediking. Met het begrip fundamentalisme kan ik maar slecht overweg; maar ook afgedacht van deze aanmerkingen, vond ik zoveel goeds in de typering van deze tijd en de ernst, waarmede de auteur de Kerk en de lezers opwekt tot een heroriëntatie, dat ik het boek gaarne aanbeveel voor een lezer, die zich geestelijk kan en wil inspannen om de gevaren te zien die mens en wereld bedreigen.
Bt.
Das Neue Testament für Menschen unserer Zeit, Teil I Matthëus, Markus, Lukas, Johannes, 376 S. QueU-Verlag, Stuttgart '64.
De vraag, die in deze tijd telkens weer gesteld wordt door wie verantwoordelijk zijn voor een uitgave van de Bijbel is: Hoe kan de wijze van uitegven van de Bijbel er toe medewerken, dat weer naar de Bijbel gegrepen wordt? Men kan natuurlijk zeggen: Het gaat toch om het Woord Gods, om de boodschap, niet om het bandje of om de opmaak; de spijze is van betekenis, niet de schotel, waarin de maaltijd wordt opgediend! Maar als we dit laatste zeggen gevoelen we onmiddellijk, dat deze redenering niet opgaat. De vorm is wel degelijk van betekenis. En vandaar, dat in deze laatste tijd vele uitgaven zijn verschenen, die zo aantrekkelijk zijn uitgevoerd, dat zij als vanzelf tot lezen uitnodigen. Dat geldt m.i. van het prachtige boek, waarin de Evangeliën zijn opgenomen in een fraai, modern lettertype en waarin vele foto's — meer dan 80 van een hele bladzijde — iets willen laten zien van het Evangelie in het leven van de moderne mens. De foto's zijn zonder enig onderschrift, maar een schuin-gedrukte tekst laat het licht op zulk een tafereel vallen.
Wij zien een foto van een plein in de stad midden in de zomer en daarnaast is de tekst gedrukt: Hij laat zijn zon schijnen over bozen en goeden. Elders zien we een eindeloze rij van oorlogsmateriaal en daarnaast is in cursieve letter te lezen: Mijn vrede geef Ik u, anders dan de wereld die geven kan. Bovendien zijn in de tekst in grote letter tussenschriften afgedrukt, die het thema van het volgende stuk aangeven.
Deze mooie uitgave in een vreemde en toch erg bekende taal, kan een middel zijn om de moderne mens tot het lezen en herlezen van het Woord Gods te brengen, dat bestaan zal tot in eeuwigheid. Von Weizsacker had gelijk als hij zei: Het meest revolutionaire boek, dat wij bezitten, het Nieuwe Testament, is niet uitgeput. Een boeik om cadeau te doen. Het is in twee uitvoeringen verkrijgbaar: een duurdere van D.M. 16 en een goedkopere van D.M. 7.
Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's