DE INZEGENING VAN HET TWEEDE HUWELIJK
In het nummer van donderdag 18 april 1963 werd onder: Boekbespreking het boekje van ds. R. Kapteijn: „De inzegening van het tweede huwelijk" door mij besproken.
Aangezien ds. Kapteijn meende, dat zijn gedachten, in zijn boekje geuit, niet geheel juist zijn doorgegeven, laat ik eerst deze recensie in zijn geheel nog eens volgen.
De inzegening van het tweede huwelijk, ds. R .Kaptein, Boekencentrum N.V., 's-Gravenhage, 1962.
Dit boekje (87 blz.) is no. 20 in de serie Practisch Theologische Handboekjes. De bedoeling van dit werk is de echtscheiding en het tweede huwelijk van de gescheidene ethisch en pastoraal te doorlichten. Het wil dus een hulp zijn voor de pastor en de kerkeraad. Hoe moeilijk is de aanvraag van de bevestiging van het huwelijk van een gescheidene? !
De Generale Synode nam na de oorlog een besluit om deze bevestiging niet toe te staan. Daarop is zij ten dele teruggekomen en handelt daarover in het Herderlijk Schrijven over 't huwelijk. Breedvoerig gaat ds. Kaptein in op de echtscheiding. Alle echtscheidingen ontstaan uit de schuld van beide partijen. Ook 1 Cor. 7 : 15 geeft bij gebruikmaking schuld. Dat de teksten uit de Evangelieën moeilijk te verklaren en toe te passen zijn, is helaas waar. Dat 1 Cor. 7 : 15 onder de categorie schuld wordt gezet, is in strijd met de bedoeling van Paulus' betoog.
Ds. Kaptein gaat eerst alles — bij alle nuancering — egaliseren. De achtergrond bij elke echtscheiding is persé schuld.
Wie deze schuld erkent, kan teruggaan tot de eerste echtgenoot èn kan vooruitgaan met een ander. Het is vooral op dit punt, dat het betoog van ds. Kaptein niet voldoet. De Heilige Geest leidt volgens hem niet alleen terug tot de eerste partner, maar ook naar de volgende partner. De vergeving der zonden kan de vrijheid geven zich met een ander te verbinden.
De geschiedenen zijn formeel en materieel vrij. Feiten zijn feiten. Wij hebben bij een aanvraag voor een tweede huwelijk niet te maken met het verleden, maar met het heden. Of de echtscheiding door de overheid al of niet terecht is uitgesproken, behoort niet tot de competentie van de kerk.
Het zijn deze gedachtengangen, die volgens de schrijver een werkelijk pastoraat mogelijk maken. Wie naar het verleden blijft zien, kan deze mensen niet helpen. In alles komt het er op aan, dat de gescheidene voor God de vrijheid in het geweten vindt een nieuwe verbintenis aan te gaan.
Hoe deze nieuwe verbintenis moet worden begeleid door de pastor, daarover schrijft ds. Kaptein uitvoerig. Daarin staat veel, dat de pastor en de kerkeraad dienen kan.
Het hoofdbezwaar is en blijft, dat ds. Kaptein ons niet overtuigen kan van de juistheid van de uitgangspunten in de pastorale zorg rondom de tweede huwelijken. Ook al weten wij van hardigheid des harten, van situaties, waarin bijna geen perspectieven meer zijn, van gevallen, waarbij het pastoraat zich moet „neerleggen", dit alles is nog iets anders dan de aanvaarding van de vrijheid van de gescheidenen. Dat dit de zorg voor deze mensen zwaarder maakt, zal waar zijn.
Maar de beslissende vraag is: Regeren de feiten of de normen van het Woord Gods? Ook al erkent de kerk de uitspraken van de burgerlijke rechter, dan betekent dit nog geen aanvaarden. De kerk heeft wel terdege het recht om zeer critisch te staan tegenover deze uitspraken.
Het standpunt van de Generale Synode van kort na de oorlog om geen tweede huwelijken kerkelijk te bevestigen, heeft — hoe radicaal ook — veel waardevols in zich.
De weg, die ds. Kaptein ons wijst, heeft veel om over na te denken, maar leidt niet tot de volle erkenning van de heiligheid van het huwelijk. Dat is — dacht ik — in deze tijd meer dan ooit nodig!
Het gaat ds. Kapteijn vooral om de volgende zinnen uit de vijfde en zesde alinea: „Wie deze schuld erkent, kan teruggaan tot de eerste echtgenoot èn kan vooruitgaan met een ander.
Het is vooral op dit punt, dat het betoog van ds. Kapteijn niet voldoet. De Heilige Geest leidt volgens hem niet alleen terug tot de eerste partner, maar ook naar de volgende partner. De vergeving der zonden kan de vrijheid geven zich met een ander te verbinden. De gescheidenen zijn formeel en materieel vrij. Feiten zijn feiten", enz.
Gaarne willen wij aan de bedoeling van ds. Kapteijn recht doen. Deze bedoeling is in deze recensie niet geheel overgekomen door de verkorting van de gedachten van ds. Kapteijn. Het is niet zo, dat de Heilige Geest — volgens ds. K. — zonder meer altijd en overal de gescheidenen tot een volgende partner leidt. Het kan. De mogelijkheid is er. Die mogelijkheid kan werkelijkheid worden binnen het geheel van het pastoraat in het hanteren van de sleutelmacht van de vergeving van de zonden.
Het tweede wat ds. K. niet als weergave van zijn bedoeling zag, is, dat ik schreef: „De gescheidenen zijn formeel en materieel vrij". Hij bedoelt dat de gescheidenen voor de burgerlijke wet vrij zijn en dat het de taak van de pastor in het pastoraat kan zijn in bepaalde gevallen via de vergeving van hun zonden hen ook materieel vrij te maken van vroegere bindingen en hen de weg te wijzen, waardoor zij opnieuw een huwelijk mogen aanvaarden.
Gaarne willen wij de mening van ds. K. zuiverder weergeven dan in deze recensie gebeurde.
Maar ds. K. begreep, dat achter deze controverse diepere vragen steken, namelijk over de christelijke vrijheid en de leiding van de Heilige Geest. Met het oog daarop vond een samenspreking plaats met ds. K., waarin hij mij toezegde een schrijven van prof. Schrenk, waarin deze zijn gedachte uitte over de vraag, die ds. K. hem stelde:
Hebben gescheidenen bij een eventueel nieuw huwelijk alleen de mogelijkheid hun vroegere echtgenoot, resp. echtgenote, te kiezen, of hebben zij de volle vrijheid een ander te kiezen?
Prof. Schrenk vat zijn antwoorden in vier punten samen.
1. De oude Kerk heeft zich altijd verzet tegen lichtvaardige, willekeurige en egoïstische echtscheidingen. Bij Jezus vinden wij een duidelijke veroordeling van de rabbijnse vergemakkelijking van de gronden voor de echtscheiding.
Toch zijn deze woorden nooit als wet, ook niet als kerkelijke wet bedoeld, maar veeleer erop uit er bij de gemeente op aan te dringen zich slechts geheel en al bezig te houden met wat naar de wil van God onder een werkelijk huwelijk te verstaan is. De gemeente moet er toe bewogen worden deze wil van God te doen in het nauwste contact met Jezus.
2. God weet beter dan wij, dat er gevallen zijn, waarin het zonder echtscheiding onmogelijk kan en waarin het zonder een tweede huwelijk tot nieuwe ellenden komt.
Maar het Woord Gods laat zich met de behandeling van de afzonderlijke gevallen niet in, omdat het geen burgerlijke wet is en omdat iedere geoorloofde mogelijkheid tot echtscheiding, direct door vleselijke gezindheid misbruikt zou worden.
3. God rekent steeds met een werkzame, meebiddende en radende gemeente, ledere echtscheiding of nieuw huwelijk behoort voor een raad te komen, die in de gemeente zielzorgelijk handelt. Zwingli stelde een „Ehegericht" in. Deze raad heeft in barmhartigheid, gerechtigheid, voorzichtigheid en wijsheid te regeren; niet volgens paragrafen van de wet en heeft de bijbel ook niet op deze wijze te gebruiken.
4. Wij komen in de huidige verhoudingen, waarin zoals zo vaak de vrijheid vervalst wordt tot „doen, wat men wil" en waarin ook anderzijds de bijbelse verkondiging tot een „dodende wet" gestempeld wordt, maar langzaam verder met de vernieuwing van de gemeente.
Echter één ding is mogelijk, dat is èn in de verkondiging èn in de zielszorg ernst maken met de beide zaken: een echt vrijheidsbegrip en echte instelling op het gebod en de genade.
Dit belangrijke antwoord van prof. Schrenk, die een autoriteit genoemd mag worden, willen wij onze lezers niet onthouden. Mogen wij, alvorens nader met ds. K. te discussiëren, op deze punten van prof. Schrenk kort ingaan?
1. Inderdaad is de traditie van de Kerk van alle eeuwen geweest dat zij de echtscheiding afwees en bestreed. Hoe kan 't ook anders? De gehele bijbel zet zich af tegen het stuk maken van het huwelijks verband, dat God Zelf heeft ingezet. Maleachi zegt het kort en krachtig: God haat de echtscheiding.
Jezus heeft teruggegrepen naar de orde van de schepping van man-vrouw, of beter: manlijk-vrouwelijk. De eenheid is totaal. Daarin brengt de ordening van de bandeloosheid door Mozes wel een tijdelijke, maar geen definitieve verandering. Mozes mocht de scheldbrief toestaan uit de hardigheid der harten, van het begin af was het anders. Het huwelijk is onontbindbaar. Er kan een uitzondering zijn, dat is de hoererij. Ook dan is er geen noodzaak om te scheiden. En ook dan is er geen opdracht, wel de mogelijkheid om te scheiden.
Het hoofdaccent in het bijbels onderwijs valt op de onverbreekbare eenheid van man en vrouw, de beleving daarvan en de volharding daarin.
2. Hier gaat prof. Schrenk een kant uit, waarheen wij hem moeilijk volgen kunnen. Dat de door hem genoemde gevallen er zijn, is voor geen tegenspraak vatbaar. Maar heeft de bijbel voor die gevallen „begrip"? Mag de conclusie getrokken worden, dat aangezien er onmogelijke gevallen zijn, er dus door de Kerk oplossingen van verstrekkende aard moeten gezocht worden? Dat het Woord Gods zich met de behandeling van de afzonderlijke gevallen niet inlaat, is waar. Is dat uit vrees voor de verlaging tot een burgerlijke wet? Is dat uit vrees voor misbruik door de vleselijke gezindheid van de mens? Is dat niet teveel gezegd? Kan niet met evenveel of meer recht verondersteld worden, dat dit zwijgen te verklaren valt uit volstrekte afwijzing van iedere echtscheiding buiten de hoererij? Kan hier niet gewezen worden op de heiligheid van de heilige God, die geen scheiding van Zijn heilige inzettingen gedoogt?
3. Inderdaad is de gemeente een belangrijke zaak. Die gemeente dient ook in noodgevallen te functioneren. De instelling van de een of andere raad kan mogelijk en gewenst zijn. Maar deze raad kan toch niet anders dan Gods Woord handhaven en de onverbreekbaarheid van het huwelijk stellen? Deze raad kan toch niet anders dan in noodgevallen noodoplossingen zoeken, die soms erger voorkomen, maar deze raad is toch nooit in staat deze noodgevallen — na diepgaande pastorale behandeling — bijbels te wettigen met een beroep op de vergeving en de voortgaande leiding van de Heilige Geest?
Een noodgeval noodgeval laten is toch nog iets anders dan een tweede huwelijk van gescheidenen een bijbelse basis te geven? Wanneer men deze noodgevallen noodgevallen laat, dan hanteert men de bijbel toch niet wettisch en maakt men van de Schrift toch nog geen wetboek? Het handhaven van de orde Gods in het huwelijk kan toch nog iets anders zijn dan de koude dodende tucht van de Wet zonder het Evangelie?
4. Hier wordt een weg gewezen uit de impasse. Tegenover een vals vrijheidsberip: „doen, wat men wil" èn tegenover een verandering van de openbaring in een „dodende wet", dient een waar vrijheidsbegrip gezocht te worden en een juiste instelling bepleit te worden tegenover het gebod en de genade. Ook dit zijn gulden woorden, waarop wij aan het eind nog terugkomen.
* *
Keren wij nu terug tot de opvattingen van ds. Kapteijn.
Ik heb de indruk, dat ds. K. op grond van bovenstaand advies een poging gedaan heeft een juiste opvatting van de christelijke vrijheid te vinden en een rechte instelling tot het gebod en de genade te verkrijgen.
Het is niet doenlijk alle gedachten van ds. K. weer te geven. Daartoe kan maar één raad gegeven worden: Neem en lees.
De kerngedachten zijn als volgt: De gescheidene is formeel vrij te hertrouwen. Onder dit formele verstaat ds. K. het feit van de echtscheiding, door de burgerlijke rechter uitgesproken. Feiten zijn feiten.
Hier mogen wij direct een vraagteken zetten. Inderdaad erkent de Kerk de burgerlijke orde, de overheid, ook op het terrein van de huwelijkswetgeving. Maar dat neemt de critische positie van de Kerk niet weg tegenover allerlei uitspraken van de overheid. Het is waarlijk niet denkbeeldig, dat er een overheid is of komt, wier uitspraken de Kerk niet erkent of verwerpt, omdat deze uitspraken in strijd zijn met het Woord Gods. Niet de feiten zijn uitgangspunt voor het handelen van de Kerk, maar het getuigenis van Gods Woord. Ds. K. zal dit dilemma niet aanvaarden en zal zeggen, dat hij in de feitelijke situatie, waaraan niet zoveel of niets te „veranderen" valt, wil gaan staan en van daaruit het getuigenis van Gods Woord wil laten horen. Daarin kunnen wij een heel eind met elkaar meegaan, mits de critische positie van het Woord Gods over deze feiten niet miskend wordt. Niet de feiten regeren, hoe keihard zij ook zijn, maar het Woord Gods, ook in de veroordeling van deze feiten. Ik weet, dat ds. K. dit alles daarna in een breed en diepgaand pastoraat aan de orde wil stellen, maar evenzeer, dat hij zich daarmee in een patroon heeft gesteld, waarin hij de uiterst critische instelling tegen het verleden van de gescheidenen dreigt kwijt te raken.
Ds. K. wil, dat de gescheidene in sommige gevallen door een voortdurend pastoraat van zijn onverzoende schuld ten aanzien van zijn eerste huwelijk èn van zijn niet onderkende bindingen van de vorige partner, wordt afgeholpen. Op deze wijze kan de gescheidene ook materieel vrij worden om te kiezen. Alleen een vrij mens kan goed kiezen.
Opnieuw rijzen vragen. Hoewel het ondoenlijk is de verschillende en verscheidene gevallen egaal te behandelen, het gaat hier in het betoog van ds. K. om een hoofdlijn. Deze hoofdlijn is m.i. aanvechtbaar. Kan het de taak van het pastoraat zijn iemand van deze schuld en van deze bindingen af te helpen? Tot goed verstaan van deze zaak ontken ik daarmee niet de pastorale taak, iemand tot het rechte schuldbesef te brengen en de vergeving der zonden in het bloed van Christus te verkondigen. Integendeel. Maar de gerichtheid van deze zorg dient m.i. niet een mogelijk tweede huwelijk te zijn, maar — zo enigszins mogelijk — de terugleiding tot de vorige partner. En wanneer dit niet meer mogelijk is, dan dient hem of haar ten eerste duidelijk gemaakt te worden, dat de vergeving der zonden wel de schuld der zonden wegneemt, maar niet de gevolgen der zonden. Met andere woorden, dat de poort van de vergeving der zonden en de begeleiding van de vergeving der zonden het kruis niet aan de kant zet, maar juist met ongewone duidelijkheid stelt. Wie met Christus in aanraking komt, komt met Zijn kruis in aanraking. De navolging van Christus bestaat in zelfverloochening, Christus navolgen en zijn kruis opnemen.
Waarin dit alles concreet bestaat in ieder afzonderlijk geval, is hier niet te zeggen.
In de gedachtengang van ds. K. kom ik deze gehavendheid achter Christus aan veel te weinig tegen. Dat dit het huwelijkspastoraat enorm verzwaart, zal waar zijn. Dat het gevaar niet denkbeeldig is, dat wij de mensen lasten opleggen, die zwaar zijn om te dragen, waarnaar wij zelfs de vinger niet uitsteken, is óok waar.
Het verschaffen van noodoplossingen is nog iets anders dan het wegdoen van de gevolgen van de zonde. Wij maaien in ons leven allen wat wij zaaien, ook al heeft God de schuld der zonde weggedaan.
Bovendien is een boetvaardig zondaar in deze gevallen helaas een uitzondering. Velen zijn verhard in 't kwaad, onkundig met de heiligheid en de genade Gods. Voor de verkondiging van de vergeving der zonden in het pastoraat is geloof nodig, dat nooit zonder de boetvaardigheid kan zijn. Onze hantering van de sleutelmacht kan niet buiten Gods hantering omgaan. En wanneer vallen deze samen? Alleen wanneer God er Zelf bij is door Zijn Geest en Hij de ware boetvaardige opricht uit het stof. Denk aan de geschiedenis van David en Nathan. Nathan wordt door God gezonden, David valt voor het Woord Gods en wordt door de vergeving weer opgericht. Hoe vaak overkomt het ons, dat zondaren beven voor de majesteit Gods en het peccavi (ik heb gezondigd) uit een verbrijzeld hart laten horen? Het gebeurt — God zij dank! Maar hoe vaak?
Wellicht merkt ds. K. op, dat het subjectieve alleen aan God bekend is. Dat is waar. Maar in deze allerteerste zielszorg hebben wij te waken tegen de vervlakking van het zondebesef en de uitholling van de vergeving der zonden.
Een volgend punt is de leiding van de Heilige Geest. Ds. K. zegt, dat de vergeving de weg naar een nieuwe partner niet uitsluit. De vergeving hangt niet af van het al dan niet herstellen van de oude toestand. Of de oude toestand hersteld wordt, dan wel een nieuwe partner mag worden gekozen, kan alleen de betrokkene uitmaken. De Heere kent de toekomst. Niemand kan de Heilige Geest in de kaart kijken en zeggen, wat de betrokkene heeft te doen. Dat kan alleen hij weten, die geleid wordt. Het pastoraat maakt vrij van het verleden en vrij van de toekomst. Het is de Heere, die vrijmaakt. Hij is het, die door Zijn Heilige Geest leidt. Deze Heere leidt vooruit. De kerk is aan de Heere ongehoorzaam, indien zij terugleidt. De Heere kan dan naar de oude echtgenoot leiden, die dan als nieuw ontmoet wordt, zodat deze twee mensen samen niet alleen als andere, maar ook, voorzover de vergeving is gehoord, als nieuwe mensen Gods toekomst tegemoet gaan. Het kan evenzeer zijn, dat de Heere op andere wegen leidt. De kerk heeft zich dan van oordeel te onthouden en in de evangelische nederigheid en een eenvoudig pastor te blijven. (De cursiveringen zijn van mij).
Hier is de verhouding van Woord en Geest in het geding. Dat de Geest leidt. is onontwijkbaar. Waarheen leidt de Geest? In alle waarheid. Hij ontdekt aan onze dodelijke vijandschap en eigenwilligheid ook in deze zaken en lijft ons Christus in. Hoe is de waarheid in Christus? Dat Hij de Wet Gods vervult en niet omverstoot. Het hart van de Wet: liefde tot God en liefde tot de naaste, legt Hij bloot. Daarom bindt Hij in de vrijheid van de eisende Wet ons aan dit hoofdgebod. Want de liefde is de vervulling van de Wet.
De Heere leidt vooruit, schrijft ds. Kapteijn. Dat kan ook naar een nieuwe echtgenoot zijn. Hier rijzen allerlei vragen. Leidt de Geest voorbij de woorden van Christus en de apostelen? Is de bijbel een startpunt van de Heilige Geest, die wij op de een of andere wijze achter ons kunnen laten? Of leidt deze Geest ons in de woorden van Christus?
Deze vragen zijn moeilijk. Want de Schrift geeft geen leer van de gevallen. De Schrift trekt de hoofdlijn. Het gaat in allerlei vragen om de onontbindbaarheid van het huwelijk en om de komst van het Koninkrijk. Dit Koninkrijk gaat boven alles uit. Wanneer Jezus de vragen over de gronden van de echtscheiding beantwoord heeft, dan wijst Hij onmiddellijk op mensen, die terwiile van het Koninkrijk van het huwelijk hebben afgezien. Wanneer Paulus in 1 Cor. 7 allerlei huwelijksvragen aan de orde stelt, gaat hij daar eerlijk op in, maar gaat onmiddellijk voort met het Koninkrijk, dat met haast komt. De tijd is kort.
Wat leert Jezus? Dat het huwelijk van één man en één vrouw naar Gods Wil is. Dat de scheidbrief uit toelating tijdelijk plaats vond. Dat wie zijn vrouw verlaat — anders dan om hoererij — overspel doet. Dat wie de verlatene trouwt, maakt, dat ook zij overspel doet.
Daarmee is de scheidbrief van de baan en de onontbindbaarheid van het huwelijk vastgesteld. Wat leert Paulus?
Dat de man niet van de vrouw scheide en omgekeerd. Dat de vrouw, wanneer zij door haar man terwille van haar Christin zijn, verlaten is, vrij is om te hertrouwen, maar alleen in de Heere.
Hier kunnen wij een uitbreiding van echtscheidingsgronden constateren. Sprak de Heere Jezus over de hoererij als uitzondering op de regel, dit blijkt niet de uitzondering te zijn, maar een uitzondering. Paulus constateert, dat een heidense vrouw, die tot Christus is gekomen en nu door haar man verlaten wordt, vrij is om voortaan ongehuwd te blijven of een nieuw huwelijk in de Heere aan te gaan. Hij zegt: God heeft ons tot vrede geroepen. (1 Cor. 7: 15).
Hier leidt de Heere Christus inderdaad verder. Hier is de mogelijkheid, dat de Heere naar een tweede partner leidt. Wellicht heeft ds. K. dit voorbeeld voor ogen, wanneer hij over het voortleiden van de Heere spreekt.
Maar mogen wij dan tot besluit enkele vragen stellen?
In de eerste plaats mag gevraagd worden of de apostolische volmacht van Paulus als openbaringsgetuige aan de Kerk, of aan personen is ten deel gevallen? Ik meen van niet. Wanneer Paulus ordeningen herziet, beperkt of uitbreidt, doet Hij dat door de Heilige Geest. Het Woord van Christus en de apostelen is voor ons gezaghebbend. Wij hebben geen voortgaande openbaring in of door de Kerk, maar een gesloten canon en een open dogmatiek en ethiek. Bij de ethiek b.v. mogen wij ons voortdurend de vraag stellen: Lezen wij de Heilige Schrift wel goed?
Dit geldt ook in deze zaak. Maar kunnen wij zeggen, dat b.v. twee mensen, wier huwelijk voor Gods Aangezicht bevestigd is, en die van elkander scheiden, ieder opnieuw door de Heere tot een nieuwe partner kunnen worden geleid?
'k Kan het in de Schrift, ook in de meest uitgebreide zin van de christelijke vrijheid, niet lezen of vermoeden. Laten wij de mensen dan in de steek? Dat zou waar zijn, wanneer wij hen niet omringen met de zorg en de liefde, die zij nodig hebben. Maar deze zorg en liefde is omgrensd door de belofte en het gebod Gods. Terwille van de hardigheid der harten — hoe vaak is die niet aanwezig? — zullen noodoplossingen soms moeten worden „aanvaard". Maar dat is iets anders dan het huwelijk van gescheidenen, tenzij met de Schrift achter ons, opnieuw kerkelijk te bevestigen.
M.i. was de maatregel van de Gen. Synode van na de tweede wereldoorlog: geen bevestiging van het huwelijk van gescheidenen, hoeveel bezwaren er ook aan kleefden, het beste wat denkbaar was. Ook dan is er overvloedige gelegenheid voor de uitoefening van het pastoraat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's