De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

In de Reformatie, het weekblad van de (vrijgemaakte) Gereformeerden, stelt mijn collega-persschouwer mij 'n tweetal vragen. In zijn tijd schreef hij enkele opmerkingen over hetgeen hij las van de Herv. Evangelisatie te Zwolle, en ik maakte daar weer enkele opmerkingen over in het persoverzicht. In het historisch overzicht van genoemde Evangelisatie werd geschreven over het toeven onder een afdak van de kerk. De persschouwer van de Reformatie gaf toen een exegese van het begrip „afdak", die m.i. getuigde van weinig inzicht in datgene wat de Evangelisatie bewoog zovele jaren voort te blijven bestaan op de wijze zoals ze dat deed. Nu wil mijn collega nader onderricht van mij hebben, maar hij brengt mij met dit verzoek enigszins in verlegenheid. In die tussentijd is er niet alleen nogal wat tijd, maar ook nog een vacantie verstreken, zodat het mij niet meer mogelijk is te achterhalen wat hij en wat ik precies geschreven hebben. Als ik me goed herinner was mijn gedachte, dat mijn collega in zijn gedachtenschema niet zo gemakkelijk een plaatsje kon inruimen voor een „afdak dat tegen de kerk aangebouwd is".

Het kwam me voor dat de schrijver veel meer begrip had voor „nieuwbouw" met een eigen dakje er boven. Bouw-technisch gezien waren afdakjes in zijn ogen eigenlijk ook nieuwe gebouwtjes. Als we het in kerkelijke begrippen gaan vertalen, dan komt het hierop neer: mijn collega heeft niet kunnen aanvoelen dat de vrees voor scheiding deze mensen jarenlang bewogen heeft om in een hervormde evangelisatie onderdak te zoeken. De uitkomst heeft overigens bewezen, dat ze niet tevergeefs gewacht hebben, hoelang dit wachten ook heeft moeten duren. Maar ze hebben dan toch bereikt, dat er geen scheiding van de kerk gekomen is.

Ter nadere illustratie zou ik in dit verband willen wijzen op enkele woorden uit de Institutie van Calvijn (IV. I. 18). We kunnen daar dan meteen wat schriftuurlijke gegevens voor dit gevoelen aantreffen. Calvijn wijst dan op de profeten van het Oude Testament en zegt: „De godsdienst was deels veracht, deels besmet; wat de zeden betreft: overal wordt verhaald van diefstallen, roverijen, trouweloosheden, moorden en dergelijke misdaden. En toch richtten de profeten deswege geen nieuwe kerken op, noch bouwden zij nieuwe altaren, om daarop afzonderlijk te offeren; maar hoe de mensen ook waren, toch hieven zij, omdat zij bedachten, dat de Heere bij hen Zijn Woord in bewaring gegeven had en de ceremonieën ingesteld had, door welke Hij daar gediend werd, in het midden van de vergadering der goddelozen reine handen tot Hem op".

De bedoeling van het beeld van het afdak is dus duidelijk geweest bij de Evangelisatie te Zwolle: de begeerte om zich niet af te scheiden. En nu zal dit beeld, evenals alle beelden, wel ergens mank gaan, maar de bedoeling kunnen we met een woord van Calvijn uit dezelfde paragraaf van de Institutie zo aangeven: „Niets anders hield hen er dus van af een scheiding te maken dan de begeerte om de eenheid te bewaren".

Mijn collega had nog een tweede vraag. Of ik maar eens feiten wilde noemen wat betreft het schorsen en afzetten van predikanten, die vonden dat men nog wel met de gereformeerden moest samenspreken. In mijn antwoord zou ik willen volstaan met een citaat uit hetzelfde persoverzicht, waarin dezelfde schrijver dus mij deze vraag stelt. Met instemming citeert de persschouwer namelijk een artikel uit een Canadees kerkblad, dat handelt over de schorsing van ds. Van der Schaft. We lezen daar:

Ds. Van der Schaft is, naar het rapport dat ter Synode werd uitgebracht, zegt, niet afzettingswaardig geoordeeld vanwege beoordeling van een bepaalde kerkelijke situatie, maar onder meer vanwege zijn gedragingen als ambtsdrager vanuit deze beoordeling en zijn daardoor misleiden en verwarring stichten en verstoren van de gemeente, en het erop staan gelegenheid te hebben deze praktijk voort te zetten. Het ging hier, zo zegt het Synodebesluit, om de ambtelijke leiding van de gemeente op het punt van haar al of niet voortbestaan als vrijgemaakte kerk des Heren, dat is van het vergaderen van de gelovigen naar de maatstaf van Schrift en belijdenis. In plaats, zo luidt het iets verder, van de gemeente, die de Here hem had toevertrouwd, samen met de naast hem gestelde ambtsdragers, naar de eis van 's Heren Woord te vergaderen, heeft hij door zijn eigenmachtig optreden gewerkt tot haar verstrooiing. Een vereniging najagend, die, zoals de situatie thans is, naar Gods Woord verboden is, heeft hij, zich voor dit doel inzettend, de gemeente niet op de rechte wijze gebouwd, maar in grote onrust en verdeeldheid gebracht, zodat zelfs het huisbezoek stagneerde en lange tijd het Heilig Avondmaal niet werd gehouden.

In hetzelfde citaat worden we nog even meegenomen langs enkele uitspraken van de Schrift, waardoor dan deze schorsing en afzetting rond gemaakt werd. Als u even wilt volgen: Ds. v. d. Schaft werd geschorst en tenslotte afgezet door kerkeraad, classis. Particuliere Synode en Generale Synode, omdat ds. v. d. Schaft een ruimte voor zich opeiste die indruiste tegen de oproep van Paulus: Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. (Gal. 5:1). Deze gevraagde ruimte bracht vervolgens in strijd met het woord van Christus: Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit. (Luc. 11 : 23). Om dan met deze gevraagde ruimte te eindigen in een deel krijgen aan de zonden, waartegen Paulus waarschuwt als hij schrijft: Ik betuig voor God, en de Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. (1 Tim. 5 : 21).

Ik moet helaas volharden bij mijn bekentenis dat mij begrip en fantasie ontbreekt om dit geheel te kunnen volgen. Ik denk in dit verband aan een episode uit het leven van Calvijn.

Farel en Calvijn waren door de burgerlijke overheid uit Geneve verbannen. Maar in de stad begonnen de aanhangers van de twee verbannen predikanten zich al weer te roeren; zij sloten zich aaneen tot de partij van de Guillermins. Deze groep weigerde de door de gemeenteraad aangestelde opvolgens van de verbannen predikanten als wettige herders te erkennen. Zowel Farel als Calvijn zijn uit de verte tussenbeide gekomen en hebben alles in het werk gesteld om een scheuring in de kerk van Geneve te voorkomen. Vanuit hun ballingschap wezen ze er hun aanhangers op dat de kerk van Geneve een ware kerk was, als er maar de rechte prediking en bediening van de sacramenten was, en als men aan de nieuwe predikanten maar geen grove dwalingen in de leer kon verwijten.

Voor mijn gevoel liggen de dingen hier toch even anders.

In Terzijde van In de Waagschaal zegt dr. Buskes ons weer eens op de hem eigen wijze hoe hij denkt over de bij de dominees nog al voorkomende honger naar actueel-zijn en populariteit. Of beter gezegd, dr. B. onderstreept alleen maar wat „men" van dat verschijnsel denkt en vindt, en juist daardoor komt het zielige en tragische er van nog zoveel te schrijnender uit.

Deze „men" spreekt ditmaal door de mond van „Kronkel", die er in een of ander blad een sappig verhaal over schrijft. Een zeer vieze schilder heeft een zeer vies schilderij verkocht aan een predikant. Er is geen sprake van dat Kronkel daarmee de dominee ook wil doodverven als een vieze dominee, want de schilder heeft namelijk zijn kunstzinnige opwellingen op het doek gebracht in de vormen van een abstracte kunst. Deze vorm van kunstuiting heeft tenminste het voordeel — althans zeer zeker in dit geval — dat geen sterveling ook maar in de verte kan vermoeden wat het kunstwerk eigenlijk voor wil stellen en uit wil drukken.

Volgens de toelichting van de schilder zelf aan Kronkel, moest het iets uitbeelden wat toch wel heel erg walgelijk en smerig was. Maar omdat niemand er enig besef van heeft wat in de abstracte kunst de diverse klodders verf voorstellen, leeft misschien onze kunstminnende dominee wel bij de gedachte dat zijn aanwinst een studie is over enkele vissersboten aan het strand ergens in Frankrijk. Het gaat Kronkel dus helemaal niet over de netheid van de dominee, maar om iets anders. Hij schrijft o.a.:

Een zeer rechtschapen, milde, vrijzinnige heer met artistieke aberraties en — wat je meer bij moderne dominees ziet — een dodelijke angst om de boot te missen. U kent het type: ze dansen, al wat corpulent, jubelend voor de wildste jongeren uit en kunnen overal zo verschrikkelijk inkomen. Mooi hoor! Maar ze doen me toch een beetje denken aan een missionaris, die wordt uitgezonden naar een streek waar nog menseneters wonen en wat thijm en knoflook in zijn pij doet om straks, als ze hem bereiden, lekkerder te smaken.

't Is een sterk gevoel van inleving, natuurlijk, maar het gaat mij als eenvoudig sterveling wat ver.

Bij dit verhaal van Kronkel maakt dr. Buskes de volgende aantekeningen:

Daar kunnen wij, vrijzinnige en rechtzinnige dominees — Kronkel vergist zich, als hij bij voorkeur aan vrijzinnige dominees denkt —, die tegenwoordig zo aan de deur van de wereld en de cultuur staan te kwispelstaarten in onze dodelijke angst om de boot te missen, het mee doen.

Medemenselijkheid.

Modern approach.

Woordloos dienstbetoon.

Religieloos christendom.

Overal inkomen.

Ik vind het allemaal best. Om protesten bij voorbaat te voorkomen: ik ben er voor. Ik ben er echter tegelijkertijd heilig van overtuigd, dat wij met dit alles telkens weer bezig zijn van de nood een deugd te maken en onze minderwaardigheidsgevoelens af te reageren.

Om in de stijl van dat mensenetersverhaal te blijven: ze lusten ons rauw en wij maar thijm en knoflook in onze pij doen, om straks, als ze ons opvreten, lekkerder te smaken.

Ik ben het met Kronkel eens: het gaat mij, als eenvoudig sterveling, te ver!

Overigens brengt het actueel-zijn ook weer zijn eigenaardige problemen met zich. Actualiteit is namelijk net zo grillig als de mode. Bij de uitgave voor deze zomer van de Federatie van vormingscentra, getiteld: Nu en Dan, is een bijlage toegevoegd. Etudes van het Heil bij een drietal liederen. Bij het lied voor het Pinksterfeest lezen we de volgende aanwijzing:

De wijze van zingen van dit lied moet breed zijn. Daar is de melodie op gemaakt. We willen zo graag weer af van de haast, waarmee we ons soms door de liederen heenzingen. Daarom: rustig, opgewekt en „geladen" zingen, tijd nemen om toon te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's