DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL 5
Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven de Heilige Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt.
Geen herhaalde wedergeboorte.
We spreken over de volharding der heiligen. Uit alles wat we, ter verklaring van Hoofdstuk V der Leerregels, hierover schreven, moge duidelijk zijn geworden, dat de volharding der gelovigen rust op Gods trouw en bewaring. De beslissende momenten zijn in Gods hand. Dit is dan ook de echte gereformeerde belijdenis over heel de linie. God brengt onwederstandelijk de uitverkorene tot de zaligheid en bewaart hem bij het geloof. De Almachtige stelt de mens voor de keuze en zorgt, dat de uitverkorene goed kiest. Het gaat inderdaad niet mechanisch toe. De uitverkorene kiest voor God en Zijn Christus, maar God werkt die goede keuze. Daarom hebben de gereformeerde theologen altijd gesteld, dat de uitwendige roeping en zedelijke aanrading onvoldoende was tot zaligheid. Het is nodig, dat de algemene roeping gevolgd wordt door een gans bijzondere werking des Heiligen Geestes in het hart des mensen.
De gereformeerde leer is, dat God voor deze laastgenoemde werking niet eerst toestemming vraagt aan de uitverkoren mens. Die werking komt over hem wanneer en als het God behaagt. Het brengen tot het geloof geschiedt weliswaar in de regel in de middellijke weg. Er is een nauw verband tussen uitwendige en inwendige roeping, maar de eerste brengt op zichzelf de verlichting van het verstand en de overbuiging van het hart niet teweeg. Om nu eens met Luther te spreken: de uitwendige roeping alleen werkt niets uit. „Want de Heilige Geest moet innerlijk in de harten der hoorders werken en het uitwendige woord alleen werkt niets uit. Anders, wanneer het uitwendige woord het alleen kon doen, zouden allen, die het horen, zalig worden; dit gebeurt echter niet, zoals de ervaring leert".
Daar is dus nodig een directe werking van Gods Geest, volgens de vaderen, die niet afhankelijk is van onze toestemming. Daarmee verwierpen zij het standpunt van de Remonstranten, die de werking van Gods Geest voor een louter zedelijke hielden. Daarmee bedoelden zij uit te drukken dat de vrucht van die Geesteswerking afhankelijk was van 's mensen toestemming en inwilliging. Zij wilden het dus zo zien, dat tussen de werkzaamheid Gods en de vrucht daarvan, n.l. de wedergeboorte, de vrije wil des mensen kwam te staan. Geeft de mens geen toestemming, dan komt de verlichting en overbuiging niet tot stand. De mens beslist. Het is te begrijpen, dat allen, die deze leer aan hangen, geen onderscheid begeren te maken tussen uitwendige en inwendige roeping. Zij hebben genoeg aan de eerste, die zij dan gelijk verklaren aan de tweede. Voorts hangt dan de beslissing van de mens af. Als dit juist was, zou er niemand tot het geloof komen of kunnen komen.
Wat leert de gereformeerde theologie ? Zij leert dat de werking van Gods Geest direct is en niet afhangt van de toestemming des mensen, doch deze inwilliging ongevraagd werkt. Gods Geest dringt rechtstreeks in het hart des mensen binnen en brengt daar onfeilbaar zeker, zonder enigszins van de wil des mensen afhankelijk te zijn, de wedergeboorte tot stand.
Sommige theologen hebben de werking des Geestes willen halveren. Zij beperkten Gods werking tot het verstand van de mens. De Geest gaf een verlicht verstand en dit verstand werkte dan zo op de wil van de mens in, dat die wil noodzakelijk overgebogen werd. Dit strijdt met Schrift en ervaring. Sommige menSen hebben veel licht, dii toch onbekeerd blijven en verhard van hart. Daarom stelden de gereformeerde theologen, dat de Heilige Geest niet alleen door het verstand heen op de wil inwerkt, maar ook rechtstreeks in de wil indringt en daar grote veranderingen werkt.
Deze wedergeboorte is de vrucht van een onwederstandelijke werking des Geestes. De mens wordt niet om toestemming gevraagd, maar heel de vijandschap van zijn hart kan dit ook niet tegenhouden. Deze leer nu heeft Rome beslist verworpen in Trente. Deze Kerk heeft gesteld, dat het verlichte hart de genade kan verwerpen en haar kan wederstaan. Daarmee is weer de beslissing over het al of niet zalig worden in de hand des mensen gelegd.
De gereformeerde theologen erkenden wel, dat de werking des Geestes door de natuurlijke mens ten allen tijde wederstaan werd en dus ook wederstaan kan worden, maar zij stelden toch dat de uitverkorene, op het bepaalde ogenblik, dat God hem wederbaren wilde en met de krachtdadige genade in zijn hart werkte, die genade niet weerstaan kon. Deze werkzaamheid Gods nu, waardoor de mens wedergeboren wordt, is zij voor herhaling vatbaar ? Moeten wij misschien de volharding der heiligen zo denken, dat zij telkens weer wedergeboren worden? Het is ongetwijfeld de lezers bekend, dat de Luthersen leren, dat ieder kind in de doop wedergeboren wordt, maar deze wedergeboorte verliezen kan. Mannen als Franke en Spener stelden, dat de kinderen deze in de regel verloren. Ons is die voorstelling vreemd. Maar is er niet veel te zeggen voor de gedachte van een herhaling?
In de Bijbel lezen we, dat Gods volk zeer ernstig vallen kan. Waar is dan het nieuwe leven ? Weliswaar kan men zeggen, dat Gods gunst duurzaam is, maar als we deze grove zonden zien als in David en Petrus, kunnen we dan spreken van een blijvend nieuw leven bij de mens? Volhardt hij werkelijk in de liefde tot God en de naaste ?
De Remonstranten hebben geleerd, dat de gelovigen het geloof ten volle kunnen verliezen. Niet slechts de oefening des geloofs kan ophouden, maar het geloof zelf kan teloor gaan. Hoort hun eigen woorden: „Degenen, die zover kunnen vervallen, dat zij de werken des vleses en zeer grove, lelijke zonden als doodslag, overspel enz. kunnen komen te doen en dezelve ook somwijlen dadelijk doen, die kunnen het geloof verliezen en hebben het verloren, te weten voor een tijd, zo zij zich daarna bekeren; voor altijd, zo zij zich niet bekeren. Die eens waarachtig geloven, kunnen daarna zodanige werken des vleses doen en sommigen hebben die gedaan. Zo kunnen zij het geloof verliezen en hebben het verloren, sommigen voor een tijd, sommigen voor altijd".
Wat hebben wij hiertegen te zeggen ?
Is het niet juist het leven van een gelovige te tekenen als een leven, waarin hij meer dan eens alles verliest en is juist daarin niet Gods genade groot, dat zij menigmaal vergeeft en altijd weer een nieuw begin maakt ? David bad om een nieuwe schepping.
Toch komt 't mij voor, dat het moeilijk zo te denken is, dat wij enige tijd kinderen Gods zijn en daarna enige tijd geheel kinderen des duivels. De wedergeboorte kan toch moeilijk geheel te niet gedaan worden. David lag wel diep weggezonken, maar hij kreunde van verdriet. Petrus zou wel zeer ernstig zondigen, maar hij zou het geloof behouden. Daar is toch continuïteit.
De gereformeerde belijdenis heeft dan ook niet alleen willen spreken van een duurzaamheid in Gods liefde, maar ook van een duurzaamheid in het leven der gelovigen. Het geloof is en blijft ten volle een gave Gods, maar dan zó, dat het geloof blijft wonen in het hart der wedergeborenen. Het zijn geen twee volhardingen naast elkaar. Neen, doordat God getrouw is, werkt Hij blijvend het geloof in de harten van Zijn volk, ook als zij diep schuldig voor Hem zijn. De wedergeborene valt niet uit de band met Christus, want hij valt niet uit de eeuwige liefde Gods. Het is de waarheid en de schoonheid der gereformeerde belijdenis, dat zij Gods genade en liefde vóór alles stelt. Die liefde is van eeuwigheid. De wedergeboorte, het brengen in gemeenschap met Christus is uit deze eeuwige liefde en daarom zelf ook blijvend. Het eerste wat er gebeurt als de zondaar Christus aangrijpt is, dat Christus hem aangrijpt. Dit laatste wordt nimmer ongedaan gemaakt. Daarom is het nieuwe leven in de gelovige duurzaam.
Het is evenwel niet zonder spanning en strijd. Het komt zover, dat de gelovige denkt, dat hij de genade en het geloof kwijt is. Zonder de voorbede van de Heere Jezus gaat het niet en evenmin zonder het gebed van de gelovige, en als het leven blijft in de gelovige, dan is het vaak in veel zwakheid. Het zijn ook niet de grove zonden alleen, die het geloofsoog verduisteren. Daar zijn zoveel fijnere zonden, die ook donkerheid brengen in het leven en stroefheid in de oefening des geloofs.
Maar waar kan men nu aan merken, dat het geloof blijft, dat er een beginsel van de eenmaal geschonken verlich ting en een beginsel van het overgebogen hart blijft ? Bij Petrus kon men het hieraan merken, dat hij zo spoedig tot zichzelf kwam. De Heere Jezus heeft niet alleen voor hem gebeden. Hij heeft hem ook bijzonder aangezien. De gelovige ziet zijn boze daden in het licht van Gods goedheid en liefde. Dit is immers de verlichting der wedergeboorte, dat de zondaar Gods goedheid ziet in Christus. Maar nu ziet de gevallen gelovige in dat licht zijn zonde.
Zo ging het ook met David. Hij wist zich geen raad. „Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd in mijn brullen den gansen dag". N. H. Ridderbos vertaalt: „Toen ik zweeg, werden mijn beenderen murw, terwijl ik heel de dag het uitbrulde". De gelovige heeft het niet best in en na zijn zonde. Zoveel blijft er van het geloof wel over. Doch waarin bestaat dan de verbreking van de oefening des geloofs ? Hierin, dat de gelovige zich de vergeving niet kan toe-eigenen. Petrus weende bitterlijk. Maar de vrede en de blijdschap des geloofs waren weg. Hij kon niet geloven, dat er voor zó een genade was. Voorlopig in elk geval niet. Wat is de oefening des geloofs ? Die oefening is, dat men Christus omhelst tot vergeving. Maar de (grove) zonden maken, dat het op sommige tijden niet kan. In zulke tijden bidt de Kerk: „Heere, waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen". (Jes. 63 : 17). Deze gelovigen kunnen hun hand niet op de genadige God leggen. Zij gevoelen geen liefde tot de Heere. Het is alles zo dood en zo koud en zo hard. Zij werken niet door het geloof in afhankelijkheid.
Alles bijeen: het geloof blijft in hen. Maar de schat des geloofs is voor hen onbereikbaar. Zij kunnen er niet mee werken. Dat is een zeer bang leven.
Het is ook niet zo, dat de gelovigg dat zelf zonder meer in orde kan brengen. Die donkerheid is een straf. Daar is een verstokking des harten. David is er mee gestraft, de Farao van Egypte ook. Maar de laatste had er geen last van, en de eerste brulde het uit, al kon hij geen schuldenaar voor God worden.
Zo blijft er in de gelovige, ook na grove zonden, altijd het geloof. Maar in die tijden is dat geloof meer een oorzaak van droefheid en donkerheid, dan van vreugde. Immers door hun zonde verbraken zij voor een tijd de oefening des geloofs. En dan heeft men een lantaarn, die geen licht geeft, een bijl, die aan de grond vastgevroren zit, een tuighuis, dat op slot zit. Niet geheel uit de genade weggevallen. Immers men heeft zijn ledematen nog. Maar men mist het gebruik ervan. En dat verbreken van de oefening des geloofs is een zware straf. Maar, hoewel getuchtigd, niet gedood. Daar is maar één wedergeboorte in het leven van de uitverkorene, hoe wisselend de stand ook zij. Die wedergeboorte is niet een vrucht van de toestemming van de mens. Is dit geen dwang ? Neen, de wedergeboorte is een gave, evenals zoveel voorrechten, die de mens bij de geboorte ontvangt, geschonken uit vrije goedheid, uit vrije genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's