De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil

Isaac da Costa (1798-1860) 

7 minuten leestijd

11

Da Costa staat in de nationale herinnering gegrift als een belangrijk Réveilman en als dichter, en in beide verscijningen treedt zijn hoedanigheid van bekeerde Jood op de voorgrond. „Ik ben geen zoon der laauwe Westerstreinden! Mijn vaderland is daar de Zon ontwaakt!" zo zingt hij. Maar dat vaderland lag echter reeds meer dan 1800 jaar achter hem.

Reeds sedert de tweede verwoesting van de tempel hadden zich Joden gevestigd op het Iberisch schiereiland, waar zij een eigen volksbestaan en nationaal besef in stand hielden. Iets van de Spaanse riddertrots namen zij echter over. In de zestiende eeuw bedreigde de beruchte Spaanse inquisitie hen al evenzeer als de Protestanten, en weken velen uit naar Holland. Hier genoten deze zgn. Sephardim alle vrijheid, zij het ook dat zij uitgesloten waren van het bekleden van openbare ambten, .die onder de Republiek in principe slechts voor leden der Gereformeerde Kerk openstonden. Zij legden zich toe op handel en wetenschap; bekwame diplomaten en medici zijn uit hen voortgekomen. Grote vermogens werden door hen bijeengegaard, en van wereldse genoegens was men bepaald niet afkerig. Desondanks leefde men als goudvissen in een kom. Men was pijnlijk beducht voor alles wat op hun godsdienstige en maatschappelijke beslotenheid een inbreuk zou kunnen vormen. Huwelijken met iemand buiten hun kring kwamen sporadisch voor. Hun gelijkstelling voor de wet onder de Bataafse Republiek in 1796 voelden zij bepaald niet als een winstpunt aan. Wat betekende het een Bataafs burger te zijn als men reeds behoorde tot het uitverkoren volk Gods? En mocht men zo opgaan in een andere natie dat men Jerusalem zou vergeten?

Nietemin zou de aanpassing langzaam volgen. Hun Godsdienst bestond veelal uit rite en formule; 18e eeuwse deugdbetrachting en Israëlitisch zelfbesef leefde sterker dan innerlijke vroomheid. Capadose b.v. zag thuis zelden iemand bidden. Zijn oom Belmonte ging over tot het rooms-katholicisme en stierf ver van de zijnen.

In dit materieel welgestelde, godsdienstig dorre, afgesloten maar trotse wereldje, waar langzamerhand de burgerlijke emancipatie en het rationalisme doordrong en de bijbehorende crises veroorzaakte, werd op 14 januari 1798 Isaac da Costa geboren.

Daniel da Costa, zijn vader, die zich ondermeer in de wijnhandel bewoog, was een wat koele, formalistische natuur, die een grote hekel had aan Napoleon en alles wat met de Franse revolutie te maken had. Hij liet zijn enig kind, dat zo talentvol bleek te zijn, een zorgwddige opvoeding geven: een gouverneur, het Amsterdams Atheneum, de Leidse hogeschool. Reeds vroeg uitte zich het dichterlijk talent van de jongen. Een leraar Hebreeuws liet enige gedichten aan Bilderdijk lezen, die er wel iets goeds in zag, en zo werd de bijna 15-jarige joodse jongen aan dat wonderlijke, nurkse vat van geleerdheid voorgesteld. Drie jaar later stelde prof. Tydeman, die in die tijd Bilderdijk de hand boven het hoofd hield. Da Costa Sr. voor, zijn zoon, alvorens hem naar Leiden te sturen, een jaar onder de hoede van Bilderdijk te stellen. Gezien diens nadelige faam zou een ander hier niet zo snel in toegestemd hebben. Maar tenslotte dacht de oude Da Costa even negatief over de nieuwe tijd, waar ieder de mond vol van had, als de bekende dichter, en zo werd Isaac een jaar lang volgestopt met de vele wijsheden en dwaasheden over geschiedenis en literatuur en wat al niet, die de veelzijdige geest van het vijftigjarige miskende genie in de loop der jaren had verzameld. Da Costa verteerde dat alles zonder moeilijkheden en hield van Bilderdijk, die elke dag de wereld op haar end zag lopen, een eschatologische instelling en een kritiek op eigen tijd over, die hem niet meer zou verlaten. Steeds minder bezingt hij in zijn jeugdige poëzie de deugd, die alom ten schild geheven werd.

In 1816 begint Da Costa in Leiden zijn studie in rechten en letteren, in 1817 vestigt ook Bilderdijk zich aldaar en opent op verzoek (en op kosten) van Da Costa en zijn vrienden zijn colleges over de vaderlandsche geschiedenis. Deze uren op een achterkamer op het Rapenburg zijn uit de historie van het Réveil niet weg te denken. Twee zoons van Gijsbert Karel van Hogendorp, de man van 1813, zitten daar, dan Capadose en Da Costa, Portugese Joden. Het verdere, meestal niet grote gezelschap bestaat al evenmin uit het zaad der smalle gemeente. Trouwens, de meeste Réveilfiguren zijn bekeerlingen, zij komen uit een omgeving waar men niet verder gaat dan God als een goede vader te zien, en waar alles wat aan de synode van Dordt herinnert als een overwonnen standpunt geldt, in strijd met de rede. „Levend in het geloof", moet de bekende kanselredenaar prof. Van der Palm aan een Duits piëtist verklaard hebben, „is een uitdrukking hier te lande onbekend." Al die mystiek uit het verleden was nu voorbij. Na alle staatkundige woelingen gaat men nu in eer, rust en deugd een heerlijke toekomst tegemoet. 

Maar hier aan het Rapenburg zat iemand, die dwars tegen dit alles in predikte en profeteerde. Bilderdijks geremde, maar temperamentvolle persoonlijkheid boeide ondanks zijn langdradigheden de jongere generatie ongemeen. Bij al zijn negativismen is het zijn onmiskenbare verdienste, dat hij in deze jaren vrijwel in zijn eentje de fakkel van een orthodox christenom omhooggehouden heeft.

Hij is een onmisbare schakel in de contra-remonstrantse traditie. Dat hij zijn leerlingen heeft aangemoedigd in het zoeken naar een leven in de waarheid van het Woord Gods, lijkt waarschijnlijk, al was een uitgesproken zendelingenijver hem vreemd.

Da Costa heeft de stap naar zijn doop niet vlot gezet. In 1818 had hij zich na het behalen van zijn juridische graad als advocaat in Amsterdam gevestigd, waar hij als schrijver van een treurspel (Alphonsus de Eerste) direct wordt ingehaald in literaire kringen. Maar ondanks alle spreekbeurten en soupertjes bij de intellectuele elite zijn het jaren van worsteling voor hem. In 1816 was hij eens met zijn neef Capadose begonnen de Bijbel te lezen, zowel uit nationale trots als uit onbevredigdheid met de Joodse geloofspraktijk. „Wij wilden Joden van den ouden stempel worden", vertelt Capadose later. Zij kwamen toen niet verder dan Genesis.

Later wordt echter het Bijbelonderzoek persoonlijk en gezamenlijk hervat. Da Costa was al jong geboeid door de Messiasverwachting bij de profeten, wat niet zo vreemd is voor wie een orthodox Jood wil zijn. Bilderdijks ondergangsprofetiën over Europa hadden dit verlangen naar de Messias, en daarin naar opleving voor het in hun religieus gevoel uitgebluste Jodenvolk, waartussen hij was opgegroeid, doen groeien met al de kracht van zijn romantische aanleg.

Hij vat het plan op een geschiedenis van de Spaans-Portugese Joden te schrijven. Bij het lezen van het Nieuwe Testament begint langzaam in hem het besef te rijpen van de vervulheid van de profetiën in Jezus Christus en verwijden zijn perspectieven zich. Tevens betekent dit een enorme stap voorwaarts in de eindtijd: in plaats van de Messias nog te verwachten is men Hem reeds 1800 jaar gepasseerd.

Inmiddels is hij in 1821 ook te Leiden in Letteren gepromoveerd, daarbij in Bilderdijks geest opkomend voor het onbeperkt recht van de Kroon. Kort daarop huwt hij zijn nichtje Hannah Belmonte, die meegaat in zijn nieuwe inzichten. Met Capadose volgen zij bij de Leidse predikant Egeling, een rechtzinnig maar irenisch man, die tot hun spijt niets van het boek Openbaringen wil weten, een catechese. Op 22 oktober 1822 worden zij in de Pieterskerk gedoopt, één van de zeldzame gelegenheden, dat ook Bilderdijk de kerkdienst bezoekt. Dit moment beschouwt men als de geboortestonde van het Nederlands Réveil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's