UIT DE PERS
In het Gereformeerd Weekblad (Kok) wijdt prof. Ridderbos de rubriek Van week tot week aan een uitvoerige bespreking van het nieuwe boek van prof. Berkouwer: Vaticaans concilie en nieuwe theologie. Zoals de titel van het boek al doet vermoeden, besteedt prof. Berkouwer in zijn boek erg veel aandacht aan de nieuwe theologie, de min of meer officiële benaming voor de nieuwere stroming in de R.K. kerk, en hij gaat in zijn boek na in hoeverre deze nieuwe theologie van invloed is op de gang van zaken op het concilie. Prof. Ridderbos heeft allerlei vragen, o. a.:
Laat de nieuwe visie zich verenigen met het oude leergezag? Als men, zoals de nieuwe theologie stelt, bijv. Schrift en traditie niet meer als twee gelijkwaardige of zelfstandige openbaringsbronnen wil beschouwen (en het Concilie is hier, zoals men weet, op merkwaardige wijze aan deze zienswijze tegemoet gekomen); als men de leer vanuit de exegese wil vaststellen en niet omgekeerd; als men de bisschoppen veel meer een nevenschikkende functie naast de paus wil verlenen en voorts, op bijbelse gronden, meent, dat de apostelen en Petrus een geheel unieke plaats in de kerk hebben ingenomen, waarmee het ambt van de bisschoppen en de paus niet zonder meer gelijk te stellen is; als men voorts — nog steeds redenerende op de wijze der nieuwere theologie — de onfeilbaarheid van de paus niet als een soort van helderziendheid of zevende zintuig wil beschouwen, die hem voor dwalen behoedt, maar veel meer in verband wil brengen met de belofte, die de kerk in het algemeen geldt, dat de Geest haar in alle waarheid zal leiden; als men eindelijk, om ook dit nog te noemen, zich ten aanzien van de Mariologie allerlei kritische stemmen doet horen, met name tegenover die vormen van Maria-devotie, die het geheel enige Middelaarswerk en de Middelaarspositie van Christus in de schaduw dreigen te stellen (vgl. bijv. pag. 278, 279!) — dan komt, na al deze kritische geluiden, met onweerstaanbare kracht de vraag naar voren: meent deze theologie, dat dit alles gezegd èn verantwoord kan worden binnen de kaders van de R.K. kerkleer en met eerbiediging van het R.K. leergezag en de leer der onfeilbaarheid? Hier ligt de grote kwestie van: Concilie en nieuwere theologie. Kan en zal het Concilie dit alles „nemen" en kan het dit doen, zonder de grondslag van het R.K. leergezag en van de K.K. hiërarchie aan te tasten?
Bij het lezen van dit boek is prof. Ridderbos weer onder de indruk gekomen van de roomse virtuositeit op het gebied van interpreteren; men brengt het heel ver met het dusdanig behandelen van onfeilbare en onveranderlijke dogma's, dat men ze in feite tenslotte laat zeggen wat men graag wil horen:
.... In de „techniek" van de interpretatie-mogelijkheden zijn de E.K. theologen altijd meesters geweest en ze zijn het tot op de huidige dag blijkbaar nog. Als nuchter protestant is men geneigd te denken, dat deze interpretatie-vaardigheid de keerzijde is van de onfeilbaarheidsleer en dat men in de laatste wel nooit zal kunnen geloven, zonder ook in de eerste een grote oefening te hebben verkregen! Ik spreek hier niet de taal van prof. Berkouwer (zie beneden), maar er is in zijn boek niets, dat mij zozeer gefrappeerd heeft als de niet zelden verbluffende, ik erken: dök diepzinnige, voor het protestants bewustzijn soms óók ontdekkende wijze, waarop de nieuwe theologie kans ziet om de onveranderlijkheid van het dogma enerzijds, met de veranderlijkheid van zijn vormgeving, representatie en interpretatie anderzijds, in overeenstemming te brengen. Men beroept zich daarvoor bijv. op de tijd, waarin, op de veronderstellingen, waaronder, op de intentie, waarmee vroeger allerlei dogmata zijn gefixeerd, om zich dan voorts af te vragen of al deze veronderstellingen ook nu nog gelden, en zo neen, of dan ook het dogma zelf — dat men niet wil aantasten — thans niet anders en beter verstaan kan en soms ook moet worden.
Aan het eind van zijn artikel laat prof. Ridderbos — zij het uitermate mild en vriendelijk — doorschemeren, dat hij prof. Berkouwer toch een enkele keer wel wat tè mild en tè vriendelijk vindt:
Men kan zich afvragen, of daarbij door een protestants theoloog niet frequenter en onomwondener zou kunnen en moeten worden uitgesproken (in dit gesprek!): „wat gij, nieuwere theologie, beoogt moet, als uw strijd zo legitiem is als in haar beschouw, de kaders van het R.K. dogma en het R.K. leergezag doorbreken, want het is daarmee, ondanks al uw „interpretaties" in de diepste grond niet te verenigen, zonder dat gij daarbij öf aan de evidentie van de waarheid of aan het onfeilbaar leergezag te kort doet". Ik zeg: ik kan mij voorstellen, dat iemand dit geluid in dit boek duidelijker had willen horen. En ik voeg er aan toe, dat ik voor mij persoonlijk op bepaalde punten van het betoog of van het gesprek zulk een uitspraak niet zou hebben kunnen onderdrukken. Ik heb althans bij de lezing niet kunnen nalaten, bij bepaalde „interpretaties", naar het potlood te grijpen en uitroeptekens te plaatsen. Ik kan, om een voorbeeld te noemen, in het hoofdstuk over de Mariologie wel toestemmen, dat de nieuwe theologie in de zingeving van wat het R.K. leergezag over Maria leert, veel kritischer en (mijnentwege) bijbelser te werk gaat dan lange tijd het geval was en daarvoor ook waardering opbrengen. Maar ik kan de vraag toch niet weerhouden, hoe men, als men waarlijk weer bijbels wil denken, nog een ogenblik klaar denkt te komen met de zaak zelf: de maagdelijkheid in partu en post partum, de onbevlekte ontvangenis, de lichamelijke opneming ten hemel! Kan men nog „legitiem" discussiëren over zingeving, als de zaak zelf zozeer de tekenen vertoont uit een andere „bron" voort te komen, dan waarbij, óók volgens deze theologie, de kerk alleen leven kan en leven mag?
In het Hervormd Weekblad vertelt prof. V. Niftrik ons allerlei over de Gereformeerde Wereldbond, die van de zomer haar 19e grote vergadering hield in Frankfurt am Main. De benaming „gereformeerd" moeten we niet opvatten in de specifiek nederlandse betekenis van het woord, want het wil alleen maar die kerken aanduiden, die een min of meer calvinistische kerkorde hebben, kerken dus waar met name de ouderling een belangrijke plaats inneemt. Er zijn 95 kerken bij aangesloten, maar de Gereformeerde Kerken hier te lande zijn er bijv. geen lid van de Hervormde Kerk wel.
Prof. V. Niftrik neemt zijn uiteenzetting meteen te baat om prof. Ridderbos uit te nodigen tot het schrijven van een instructief en boeiend artikel waarin hij duidelijk maakt waarom zijn kerk alleen maar waarnemers zendt, doch zich niet met graagte aansluit bij deze presbyteriale alliantie.
Gezien vanuit de oecumene zit men wel een beetje met het voortbestaan en zelfs de bloei van zulke wereldbonden. Men weet er natuurlijk wel een plaatsje voor in te ruimen, maar het klinkt allemaal niet zo erg overtuigend:
Merkwaardig dat juist in onze zo oecumenisch denkende tijd de zuiver confessioneel bepaalde wereldbonden een geweldige opbloei beleven. Dat geldt niet alleen voor deze gereformeerde wereldbond; dat geldt ook voor de lutherse wereldbond. Men zou verwachten, dat de Wereldraad van Kerken in haar vele zeer verschillende confessies omvattende activiteit de wereldbonden, die maar één confessie op het oog hebben, zou verdringen. Maar dat is niet 't geval. Dr. W. A. Visser 't Hooft, de generaal-secretaris van de Wereldraad van Kerken, die ook enkele dagen in Frankfurt was, heeft op een persconferentie over deze merkwaardige zaak gesproken en gezegd, dat na een eerste periode van „oecumenisch enthousiasme" in de twintiger jaren een tweede periode is gevolgd, waarin de verschillende confessies de steeds scherper geformuleerde vraag naar hun specifieke bijdrage in de oecumene gingen stellen. Dr. Visser 't Hooft zei, dat het nu tijd werd voor de derde periode, waarin iedere confessie precies weet wat zij met haar bijzonder „confessioneel charisma" tot de oecumenische gemeenschap kan bijdragen. Dat is natuurlijk bijzonder welwillend door Visser 't Hooft geformuleerd. Hij weet natuurlijk óók wel, dat de huidige confessionele wereldbonden niet alleen het gevaar lopen te worden tot, maar in feite geworden zijn tot machtsblokken, die meer bezig zijn met de uitwerking van hun bijzondere posities dan dat zij hun bijzondere inbreng in het oecumenisch geheel trachten te formuleren. Dat geldt zeer in het bijzonder van de wereldbond der lutheranen, waarbij vergeleken de gereformeerde wereldbond nog steeds klein en nietig is.
In ieder geval is de Gereformeerde Wereldbond — naar het oordeel van prof. Van Niftrik — op weg naar echte oecumenische beslissingen. Hij is van gedachten dat de Weltbund in de naaste toekomst de vraag zal moeten beantwoorden
of de presbyteriale kerkinrichting een gelóófsnoodzakelijkheid is of een meer of minder toevallige historische bijzonderheid. Eenvoudiger gevraagd: kunnen wij terwille van de oecumenische eenheid de ouderling eventueel ook opgeven? Kunnen wij eventueel een bisschop aanvaarden, wanneer die bisschop maar geen geloofsartikel wordt? Of is de kerk van Christus dan alleen welgeordende kerk als er ouderlingen zijn?
Hierbij aansluitend wilde ik u enkele opmerkingen doorgeven van ds. Groenewoud, eveneens uit het Hervormd Weekblad. Hij vertelt ons van zijn vakantie in Denemarken en daarbij ook over de kerk en het kerkelijk leven in Denemarken. Hij schrijft:
Een probleem dat ons zeer benauwt heeft men in Denemarken niet; het is dat van de kerkelijke gescheidenheid. Er is praktisch maar één kerk: de Lutherse staatskerk. Ik kan me voorstellen dat menigeen in Nederland in dit opzicht met een zekere jaloersheid naar Denemarken zal zien. De oecumene, die bij ons ondanks een krachtig oecumenisch streven niet bestaat, is daar dus werkelijkheid.
Wanneer we nu echter bedenken hoe vormelijk en zwak het kerkelijk leven in Denemarken is, komt de gedachte bij ons op, of er misschien toch niet een zeker gevaar verbonden is aan al te grote kerkelijke eenheid, en of het leven in verschillende kerken ook niet zekere goede vruchten kan afwerpen. Men kan het ook omkeren, en de vraag stellen, of achter kerkelijke eenheid ook niet gebrek aan belangstelling kan staan voor de kerk, haar verkondiging, haar arbeid. Deze gedachte is natuurlijk een gevaarlijke verzoeking. Ze wijst in de richting van Kuypers „veelheid van kerken". En ik zou bepaald niet willen, dat we met een verwijzing naar de gevaren die één kerk inhoudt, nu meteen maar alle streven naar eenheid, met name tussen hervormden en gereformeerden staakten. En het is ook niet recht dit te gebruiken als argument om gebrek aan schuldbesef over de gescheidenheid en tekort aan ijver tot hereniging goed te praten. Men zal de verscillende factoren moeten samen nemen: staatskerk, één kerk, tekort aan gemeente-vorming en gemeentelijke verantwoordelijkheid, formalisme en liturgisme in de eredienst; èn daarbij wellicht nog heel andere factoren in rekening moeten brengen.
Hoe het zij, we menen dat ons in ons gereformeerd kerkelijk leven een goed van eigen karakter en waarde is geschonken, dat we niet al te lichtvaardig moeten ombuigen naar ander model, en dat ook grote betekenis heeft voor de oecumene.
Dit geldt met name voor de vorming van de gemeente en het functioneren van de ambten; maar ik meen dat we ook in onze liturgie goed doen, het eigen karakter te handhaven.
We zijn echt blij met dit nuchtere, rustige en voorzichtige betoog. Wat kan echt vakantie-houden toch een hoop goed doen; van de drukte van het jachtige leven eens overstappen in een weldadige rust. Ook kerkelijk vakantiehouden kan wel eens erg heilzaam werken. Vooral als men moe gestreden, gepraat en geschreven er eens echt „uit" mag zijn. Het wordt dan met recht een echte „vakantie" als men, komende uit de woelige vaderlandse kerk, terecht mag komen in de rust van de Deense kerk, om daar dan tot de ontdekking te komen dat men in plaats van in een kerk, op een kerkhof terecht gekomen is. Het is immers een eigenschap van een goede vakantie dat men ook weer terugverlangt naar huis en blij is als men uitgerust en verrijkt weer thuis is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's