De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE HEILIGE SCHRIFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HEILIGE SCHRIFT

Het Woord Gods

8 minuten leestijd

IV.

Uit het voorafgaande kan dus duidelijk geworden zijn, dat de wedergeboorte een geheel nieuw inzicht en deelgenootschap geeft in het werk van de Christus, in Zijn lijden en sterven, waarin Hij het oordeel der zonde heeft gedragen en weggenomen, en in Zijn opstanding en hemelvaart als de goddelijke bewijzen van Zijn onschuld niet alleen, maar van de vrucht Zijns lijdens in de gave van een nieuw leven voor de uitverkorenen Gods in Zijn gemeenschap, de gemeenschap met de Heere Jezus Christus, de verrezen Middelaar.

„Want wij zijn Zijn maaksel, (zie VS. 9) geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen". (Efeze 2 vs. 10).

Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus. Daarin ligt het bijzondere, het boven deze wereld, boven dit aardse mensenleven verhevene van de in Christus geschapen nieuwigheid des levens.

Niet genoeg kunnen we de nadruk erop leggen, dat het nieuwe leven een goddelijke schepping in Christus is. Dat nieuwe leven wordt zoveel gegeneraliseerd en misverstaan. Dat is op zichzelf geen wonder, omdat het geestelijk is en geestelijk moet verstaan worden. De apostel Paulus wijst zowel op het een als op het ander, b.v. in de 1ste brief aan Korinthe: hoofdst. 2 : 9 v.v.:

„Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.

Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods".

De apostel vervolgt dan: „Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is ? "

Het klinkt heel gewoon en eenvoudig, maar het is toch wel erg nodig, dat wij er bij bepaald worden, dat onze zelfkennis en al onze kennis in onze geest, de geest des mensen huist, en daarin besloten is. De apostel wijst daarop en zegt dan: „Alzo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods", (vs. 11).

De apostel stelt dus de geest des mensen met de kennis van de mens en de Geest Gods met de goddelijke kennis naast elkander, die geen verband hebben als God het niet geeft. Als de mens uit zijn kennis mededeling wil doen aan een ander mens, behoeft hij zich slechts te uiten, want die andere mens is hem verwant en zij spreken een menselijke taal, d.w.z. een menselijke vertolking van wat de geest des mensen vervult en bezig houdt.

Als wij echter aan de goddelijke dingen toekomen, dan raken we aan dingen, die boven onze geest verheven zijn, die boven ons begrip liggen en waarvan wij geen kennis kunnen hebben dan door de Heilige Geest. God de Heere is onze Schepper en Hij kan ons door Zijn Geest meedelen de geestelijke dingen, die ons van God geschonken zijn. (vs. 12).

Daarin ligt het geheel bijzonder karakter van de dingen, die den uitverkorenen Gods in Christus zijn bereid, dat ze goddelijk zijn, niet uit deze wereld, niet uit de mens, maar uit God. Over deze dingen kunnen wij wel spreken, omdat er in de Heilige Schrift over gesproken wordt, maar als de Heilige Geest ons niet heeft geleerd, praten wij daarover naar horen zeggen en naar menselijk oordeel en maken ons bespottelijk voor God en voor de mensen, die het verstaan.

En toch gebeurt dit zo veel. Want, die het niet van de Heilige Geest geleerd heeft, wil er niet aan en theologiseert op zijn manier met woorden, die de menselijke wijsheid leert. Dit is een van de gewichtigste strijdpunten in de aardse kerk en in het aardse leven, waar de kennis van het Evangelie is doorgedrongen, omdat iedereen daarover meent te kunnen oordelen en zelfs aanleiding meent te kunnen vinden om het te veroordelen.

Daarom is het wellicht nuttig er nog eens op te wijzen, dat geen aardse geleerdheid deze geestelijke dingen in haar beschouwingen en beoordelingen kan betrekken. Geen schoolse geleerdheid kan zich de beschikking over de goddelijke kennis toeëigenen.

De Heilige Schrift waarschuwt zeer nadrukkelijk tegen deze ongeestelijke bemoeizucht, als zij zegt: „Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want ze zijn hem een dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden", (vs. 14).

Die geestelijke onderscheiding is dus het criterium. Doch deze is een gave Gods.

Deze situatie wordt moeilijker, omdat de Heilige Schrift uitgaat van Gods besluit om de gevallen schepping te

(vervolg op blz. 299)

handhaven tot vernieuwing van hemel en aarde. (Openb. 21). Zij vangt dus aan bij deze schepping. (Zie Gods Verbond. Gen. 8 vs. 21 v.v. en Gen. 9). Er komen de mensheid derhalve boven dit aardse leven vele gaven Gods toe aan kennis en wetenschap, aan vinding en ontdekking, die — van de Godsregering uit gezien — betrekking hebben op het voornemen Gods omtrent de mensheid, bijzonderlijk omtrent de nieuwe mensheid en de eeuwige toekomst in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, maar die van de gevallen mens uit, eigenzinnig menselijk worden geïnterpreteerd en toegepast onder het beeld van de cultuur, de cultuur van de mens.

Het Noachietisch verbond is een belofte Gods, die het ganse geslacht van Noach, dus alle volken der aarde aangaat, en waarvan de regenboog een blijvend getuige is, dat God niet meer alle vlees door een vloed zal uitroeien en de aarde verderven. (Genesis 9 vs. 11). Wij leven dus allen uit het Noachietisch verbond!

De grond van dit goddelijk voornemen ligt niet in de gevallen mens, die Zijn toorn en oordeel verwekte, maar in Gods voornemen der verkiezing van voor de grondlegging der wereld. (Efeze 1 vs. 4). De Heere God heeft daarover gesproken tot Abraham en gezegd: „in uw zaad zullen gezegend worden ale volken der aarde". (Genesis 18 vs. 18; 22 vs. 18. Vgl. ook Galaten 3 vs. 8).

Daarin is ook een bijzondere plaats aan Israël, niet slechts in de geschiedenis der wereld, maar in de geschiedenis van Gods genadewerk en Gods gericht, geschonken: de Godsopenbaring werd door Israël ontvangen en bewaard, en noemen we verder de profeten, de priesterorde, de tabernakel en zijn dienst, de wet, de belofte van de Messias, de vervulling daarvan.

Letten wij dan op het bevel van de Heere Jezus Christus: „Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen". (Markus 16 vs. 15). Gods woord aan Abraham is zo in vervulling gegaan. De weg Gods gaat door.

De menselijke cultuur wordt doortrokken en overmeesterd door, ja, dienstbaar gemaakt aan de goddelijke uitwerking van — met eerbied gezegd — Gods cultuur. Het menselijke dient en is al dienende der verdwijning nabij.

Der verdwijning nabij, maar het neemt een plaats in naar het bestel Gods. Het doet wat, willens of onwillens, wetend of onwetend, het dient. Het dient in de Raad des Almachtigen. Het dient als een onwetende en sterft, of het dient in geloof, dat niet zal beschaamd worden in eeuwigheid.

Menselijke redeneringen, menselijke strevingen kunnen daaraan niets veranderen. Het werk Gods trekt door. Geen mens en geen Satan kunnen daaraan iets verhinderen. Zij dienen, hetzij onder het oordeel, hetzij onder de genade.

Het verbond met Abraham wordt in de weg der vervullende beschikking Gods eerst over het volk Israël en voorts over de ganse nakomelingschap van Noach uitgebreid, zodat allengs het verbond met Abraham onder alle volkeren van het Noachietisch verbond wordt gepredikt. Dat ligt ook in het bevel van Christus: „Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen" (Markus 16 vs. 15), waarop wij zoeven gewezen hebben.

Naarmate de Heilige Schrift meer onder de volkeren verbreid, in hun talen overgezet, bestudeerd en besproken wordt door vrienden en vijanden, d.w.z. door mensen, die door de Heilige Geest onderwezen zijn en door mensen, die de Schrift niet verstaan en in hun onwetendheid oordelen — naar die mate wordt de wereld door die Schrift geoordeeld en het goddelijk eindoordeel voorbereid.

Dat is in Israël geschied. Men denke aan de Schriftgeleerdheid, aan de Parizeen, die hun behoud verwachtten van nauwgezette wetsbetrachting en tot de ontdekking, dat zij als zondaars door de Wet geoordeeld werden, niet kwamen, aan de Sadduceërs, die zeer critisch tegenover de Godsopenbaring stonden, om verder niet te gewagen van verschillende groepen als Ebionieten en ander secten.

Dat geschiedt in de gehele wereld, waar de Heilige Schrift ingang vindt. Dat geschiedt in en buiten de kerk, onder kerkelijke mensen en onkerkelijke mensen, bij de waarheid betrokken mensen en onbekenden met de geestelijke dingen. Men praat, oordeelt en veroordeelt, met het Woord, vóór het Woord, tegen het Woord, vergetende of niet wetende, dat allen zullen geoordeeld worden door het Woord. Dat is Gods Woord.

Dit is ook een zijde van de uitbreiding van de prediking van het verbond met Abraham over de gehele wereld. Er is een horen en verstaan en een horen en niet verstaan. Een horen en begenadigd worden, en een horen ten oordeel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE HEILIGE SCHRIFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's