Het Réveil 12
Isaac da Costa (1798-1860) II
Hoewel Da Costa in de dagen dat hij reeds in de gekruiste Christus van het Nieuwe Testament de voorzegde Messias en zijn Zaligmaker beleed, nog aan de Joodse riten had deelgenomen bij gelegenheid van de begrafenis van zijn vader, na zijn doop trok hij zich consequent terug uit de Portugees-Joodse gemeente en uit de functies, die hij daar bekleedde.
Dit betekende niet, dat hij zijn afkomst ooit zou verloochenen; integendeel! Voor hem bleef het Joodse volk uitverkoren, ook al wandelden zij in ongeloof. Het herstel in de eindtijd, dat hij verwachtte, zou samenhangen met Israels nationaal herstel in Palestina. Nog hadden zij toekomst in de heilshistorie. Da Costa, die zijn afstamming zelfs van David herleidde, bewaarde de geestelijke band met zijn volk nauwgezet. Waar hij zijn poëzie aan Joodse thema's wijdt (b.v. Uit Palestina, Gebed van Habakuk e.d.), is hij vaak op zijn best. Zijn bekering was geen breuk met zijn volk, maar met hun ongeloof en farizeïsme. Door zijn doop krijgt hij als eersteling uit de Joden pas eigenlijk een zinvolle plaats in de uitverkoren stam. Zijn boek over de Spaans-Portugese Joden zal uitgroeien tot zijn „Israel en de volken" (1849).
Zo sterk was deze band, dat hij zich moeilijk Nederlander kon voelen als ook deze natie niet iets van Israel vertonen kon. In een werkje van 1831 herinnerde hij aan de uitspraak van Willem van Oranje, hoe deze met de potentaat der Potentaten een verbond had gesloten. Hieruit leidde hij een aparte betrekking af tussen God, Nederland en Oranje. Voor Da Costa bestond er geen „heerlijker, dichterlijker en Goddelijker historie, na die van het oude Israel" dan de geschiedenis van Holland, waarin God in vele bezoekingen en reddingen Zijn hand had getoond. Van het koningschap van Willem II stelde hij zich een opleving voor als onder koning Josia op grond van een ingewikkelde analogie met het Judese koningshuis. Het vorstenhuis, waarin hij geloofde, stelde echter nogal eens teleur, vooral toen Willem I een keer een paleis liet versieren ter ere van een roomse processie. Zijn droom over de nieuwe Josia heeft hij later afgezworen.
Het is gemakkelijk over deze nationale mythen de staf te breken, en het is niet lang geleden dan ook ijverig betracht. Maar in mythen gemaskerd lag bij Da Costa een zeer wezenlijk reformatorisch besef, n.l. dat ook Nederlands volksbestaan gebonden diende te worden aan de geboden en beloften Gods. In deze geest heeft Da Costa, lang na 1831, eens met koning Willem II gesproken, en er bij hem op aangedrongen de zaken des lands in gedurig gebed op te dragen bij Gods troon.
In het jaar na zijn doop zouden echter eerst andere dingen hem bezighouden. In juli 1823 werden te Haarlem uitgebreide feesten gevierd ter ere van Laurens Jansz. Koster, die zonder enige twijfel vijf eeuwen tevoren de boekdrukkunst uitgevonden had. In ronkende redevoeringen werd betoogd, hoe zeer deze uitvinding had bijgedragen tot de verlichting van het mensdom. Wie zou er niet instemmen met: „Neerland, juich! in Haarlems beemden, ging voor eigen kroost en vreemden, de lichtend der Verlichting op!" enzovoorts?
Da Costa zong niet mee, hij vond het ronduit heidens. Reeds lang had hij gepopeld om het op te nemen voor de gesmade nachtschool van Bilderdijk. Hier kreeg hij de handschoen toegeworpen. Enkele weken later slingerde hij zijn „Bezwaren tegen de geest der Eeuw" de wereld in. In felle bewoordingen kregen de zelfgenoegzame, eigengerechtigde verwerpers van de vrije genade er van langs. Overal was God onttroond. In het staatsbestel regeerde de koning niet namens Hem, maar krachtens de volkswil. De wetenschappen zochten Zijn Openbaring te bestrijden. De schone kunsten werkten voor eigen eer en niet ter ere Gods. De schrijvers ondermijnden het zedelijk besef, de wijsbegeerte der eeuw bracht valse vrijheid en valse verlichting.
Zowat alles waarop men zich beroemde betitelde Da Costa als grootspraak en ijdelheid. Hij stelde hier de dagen der reformatie en der vaderen tegenover, en wekte de gelovige christenen op zich niet te laten ontmoedigen. Want hoe donkerder het werd, des te nader was de bijstand van Hem, die Zijn kerk door de poorten der Helle niet zou laten overweldigen.
Het 98 bladzijden tellende geschriftje kan zeker gelden als his masters voice: Bilderdijk had het allemaal ook al gezegd. Maar de stijl was meeslepend en het moment goed gekozen. In die zelfvoldane dagen sloeg het in als een bom; men was ernstig verstoord en ontstemd. De Arnhemsche Courant noemde Da Costa een „domper" en deze term geeft nauwkeurig weer hoe men het aanvoelde. Prompt kwam een zekere Haefkens op de proppen met zijn „Voordelen van de Geest der Eeuw", waarin hij Da Costa als een „overgebleven aanbidder der oude bedorvenheid" vonniste, die „hinderpalen aan de voortgang der algemene herschepping in de weg poogde te leggen". Men ging zich zelfs te buiten aan spottende hekeldichten en zangspelen, zodat Da Costa, nog in deze eeuw door Jan Romein voor een „vijfentwintig-jarige grijsaard" uitgemaakt, ondanks alles opmerkte: „De duivel stelt zich al heel gek aan dezer dagen".
Falck, de minister van Onderwijs, deed het anders, en rapporteerde de koning, dat het gezien de vrijheid van meningsuiting verre van hem was „de heer Da Costa kwalijk te nemen, dat hij zich van zijn gemoedelijk bezwaar ontlast heeft. Hemzelven zal zulks waarschijnlijk veel goeds hebben gedaan en de negentiende eeuw kan het even weinig deeren als de geregelde ontwikkeling der menschelijke beschaving en kennis".
Da Costa's stelling, dat de koning zijn verantwoordelijkheid tegenover God kon laten voorgaan boven zijn eed op de grondwet, gaf de Bezwaren een politiek trekje, en dit maakte hem tot verdacht persoon, zodat er wel eens van politiewege op gelet werd met wie Da Costa omgang had.
De windhoos der pamfletten deerde hem echter niet, hij was strijdbaar genoeg. Er openbaarden zich ook medestanders en met vreugde ondervond hij, dat er nog zevenduizend in Israel waren overgebleven, die hun knie voor Baal niet gebogen hadden.
Maatschappelijk was zijn positie echter gebroken. Velen meden nu zijn omgang en bezoekers bij De Clercq informeerden eerst of Da Costa soms binnen was. „Ja? — O! dan ga ik liever heen!" Toen hij nog een „Geestelijke Wapenkreet" deed verschijnen, werd dit prompt als „Beestelijke Apenkreet" afgedaan. Zijn advocatenpraktijk verliep, als hoogleraar zou hij nooit meer aan bod komen. Omdat hij zeker voor een Jood ook nog een heel wonderlijke financier was, slonk bovendien na verloop van jaren zijn fortuin dermate, dat vrienden hem moesten steunen. En wel met veel takt, want zowel vragen als aanvaarden stuitte hem tegen de borst, en hij wilde anderzijds alleen uit de hand Gods leven. Dankzij het deskundig beheer door een vriend ging het later met zijn financiën echter aanzienlijk beter.
Zijn dagen vulden zich nu voornamelijk met les geven, studie en lezingen, terwijl hij van 1834 tot 1840 zijn talenten wijdde aan de „Nederlandsche Stemmen", het eerste christelijke tijdschrift. In 1839 kwam er eindelijk erkenning van zijn betekenis als dichter en geleerde door zijn benoeming tot lid van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, waar hij meerdere gedichten (De Vijfentwintig jaren. De slag bij Nieuwpoort e.a.) voordroeg. Deze eer verloor hij weer door toedoen van Thorbecke, toen deze in 1851 het Instituut omzette in de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Het jaar daarop werd hij medeoprichter van en leraar aan het seminarie der Vrije Schotse Kerk te Amsterdam, waar zendelingen en evangelisten (ook voor de Joden!) opgeleid werden. Met vreugde doceerde hij er het Nieuwe Testament, totdat zijn laatste ziekte hem tot ophouden dwong.
Zo heeft hij de gevolgen van de stormachtige reactie op zijn Bezwaren levenslang gevoeld. In veel opzichten was het een romantisch jeugdgeschrift. Het had allemaal ook anders en evenwichtiger gekund. Hier en daar sloeg hij de plank ook mis, b.v. toen hij de vloek op Cham hanteerde als argument om de dienstbaarheid der negers aan het blanke ras in stand te houden. Dit heeft hij trouwens zelf erkend. Maar de geest der verlichting was opgeschrikt en dat was een goed ding. Het verdere Réveil zou niet meer in het teken van deze kracht en dit geweld staan, maar het zoeken in de verdieping van het geloofsleven en het ingaan op sociale en concrete noden. Maar er was iets in Nederland veranderd. Een Zwolse domineese schreef:
„O, reeds groeit ons leger aan! Hoe veel stemmen doen zich hooren Die de doodsche rust verstoren Waar Gods Kerk bij moest vergaan! Dit, dit is gewis Uw werk, Groote koning Uwer Kerk!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's