SYNODALE GELUDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING
(28)
§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).
B. Praktijk.
Mijn zoon, vrees de Heere en de koning, vermeng u niet methen, die naar verandering staan. (Spr. 24 : 21).
1. Faalde de kerk in het verleden?
(Vervolg).
De profane geschiedenis biedt materiaal genoeg om de stelling te kunnen verdedigen, dat de kerk als instituut gefaald zou hebben in die ogenblikken, dat juist van haar een verlossend woord mocht worden verwacht.
Deze stelling lijkt alleszins houdbaar, maar is zij dat nu ook? Kan in ernst worden volgehouden, dat de kerk telkens weer opnieuw verstek heeft laten gaan?
Formeel bezien dient reeds terstond te worden opgemerkt, dat het gestelde maar een halve waarheid bevat.
De profane geschiedenis immers bevat het relaas van de gevallen mens en zijn ontredderde wereld. Het is dan ook niet zo vreemd als het wel lijkt, dat die geschiedenis ons verhaalt van oorlogen en revoluties, alsof er verder niet zo heel veel belangrijks zou zijn geschied. Ja, dat is en blijft nu eenmaal voor de humanist-in-ons een moeilijk te verteren stuk....
Een fragment daarvan presenteert ons iedere dag het journaal. Is het niet één en al ellende, wat wij lezen, zien en horen? Dit betreft niet alleen het eigenlijke nieuws, maar ook hetgeen daar gemeenlijk aan begeleidende commentaar op volgt. Op „weidelijkheid" van de zijde van de nieuwsjagers, enz. behoeft in onze dagen nauwelijks meer te wor den gerekend (prinses Irene-affaire!).
De „binnenzijde" van diezelfde geschiedenis evenwel blijft voor ons in de regel verborgen, al is ons uit de gewijde geschiedenis — de openbaring dus — genoegzaam bekend, waar het al om draait, d.i. het conflict tussen geloof en ongeloof. Wij komen daar nog op terug., (bijdrage XXIX).
De geschiedschrijving weet zich bij dit thema amper betrokken; zulks valt ook buiten haar vermogen: de wetenschap is immers niet in staat ons het verborgene te openbaren.
Erger is, dat er voor dit thema in onze gesaeculariseerde samenleving zo weinig belangstelling bestaat. Wie leest er nu nog bekeringsgeschiedenissen of i.d.? Wat interesseert het onze wereld, één „psychiatrisch" geval meer of minder ....!
De „Koningin der Aarde" toont dan ook in het algemeen geen belangstelling voor wat er in de wijngaard des Heeren geschiedt. Wie verwacht er nu uit die sector spectaculair, zinneprikkelend nieuws? Als de kerk in 't nieuws komt, is het doorgaans niet best...
Maar wat sijpelt er tegenwoordig in de pers- en omroepwereld nog door aan informatie omtrent de werkelijke stand van zaken in die wijngaard (zielenood onder de mensen, het tekort aan arbeiders, oogstresultaten, enz.)? Vrijwel niets!
Toch wordt daar gestaag gewerkt, en heus niet zonder vrucht, naar de zendingsgeschiedenis ons wel leert.
Wie onzer is in staat op te sommen welk een hoeveelheid kwaad er de eeuwen door gestuit is geworden, dank zij alleen al de tegenwoordigheid van de kerk als stille getuige. Van een zwijgende kerk gaat vaak meer uit dan van een kerk, die rondom van zich doet spreken!
Op grond waarvan zou de wetenschap staande durven houden, dat al dat kerkewerk zonder vrucht zou zijn gebleven? Daartoe mist zij iedere grond.
Het tegendeel is maar al te waar, als niet slechts blijkt uit de gewijde geschiedenis: „De invloed van de Kerk op de beschaving is zeer groot geweest. Zij heeft de barbarie van alle kanten aangevallen en zij heeft haar beschaafd door haar te beheersen". (P. Guyot).
Dat zulk een uitspraak niet altijd door schriftelijke bewijsstukken kan worden gestaafd, behoeft ons niet te bevreemden. De kerk timmert nu eenmaal niet aan de weg. (bijdrage XXVI).
Hoe zou er ooit met betrekking tot de activiteiten van de kerk in het verleden een balans kunnen worden opgemaakt, of een winst- en verliesrekening?
Zij, die zich vergrijpen aan de nagedachtenis van hun vrome voorouders, begaan een grove dwaasheid. De problematiek, die ons nu benauwt, verwart en verdeeld houdt, was de hunne niet; zij konden zelfs de opkomst ervan niet bevroeden!
Vanwaar toch telkens weer die hoogmoed onder ons? Zouden onze kinderen ons dan aanstonds niets te verwijten hebben?
Zij ons oordeel toch altijd mild en begrijpend. Heeft God ons soms aangesteld tot een rechter over de geschiedenis ?
Gods Woord leert ons nergens, dat de Strijdende Kerk op aarde het toonbeeld zou zijn van een of ander humanistisch cultuurideaal, het summum van deugdzaamheid, een veredelde Rotaryclub of iets van de Lions.
De Strijdende Kerk heeft geen reden om zich te beroemen op haar gestalte in onze wereld. Christus' Bruid kan slechts verlangend uitzien naar de grote dag, waarop zij in witte kleding zal worden gestoken. (Openb. 3 : 5; 7 : 9). Als zij een blik werpt op de kleding, die zij thans draagt, kan zij zich voor gezegd houden: „Weet dan, hoogmoedige, welk een paradox gij zijt voor u zelf; verneder u, onmachtig verstand; zwijg, onnozele natuur; verneem dat de mens ver boven de mens uitgaat en hoort van uw meester wat uw ware toestand is die gij niet kent. Luistert naar God!" (Pascal).
Zij heeft uit haarzelf niet de minste reden om zich te verheffen; haar plaats is in het dal. (Zach. 2:8).
„Maar wat maakt dan haar grootheid is? " zal iemand vragen.
Wel, het mysterie, dat Christus haar verwierf tot Zijn Bruid en deed promoveren tot Zijn erfgename. (Matth. 25 : 34).
Dit nu verklaart ons tegelijkertijd de vijandschap van de wereld. Die wereld neemt het eenvoudigweg niet, dat die kerk zegt: Ik heb een boodschap voor u. Daargelaten nog het feit, dat haar die boodschap ook inhoudelijk in het geheel niet aanstaat!
Daarom is het ook een levensgevaarlijke zaak te heulen met die wereld, als die wereld er een cynisch behagen in schept tot in de finesses af te schilderen, hoe zwart het verleden van de kerk wel zou zijn geweest. Daar zit de duivel altijd tussen!
Chrisostomus zeide reeds: „Wie de Kerk niet wil hebben als moeder, zal God niet hebben als vader".
Zouden wij voor onheilig verklaren wat Christus door Zijn bloed geheiligd heeft. (Rom. 8 : 33; 1 Cor. 6 : 11)?
Zou de Heer der wereld en der geschiedenis niet Zijn wijze bedoelingen kunnen hebben gehad met onze wereld zoals die reilde en zeilde tot op dit ogenblik? Hij is het toch ook. Die de kerk voedt, onderhoudt en bestuurt, (bijdrage XXXVIII)?
Hier past ons, zoals gezegd (bijdrage XXVII), heilige schroom.
Wat baat ons eigenlijk al dat gefilosofeer met betrekking tot ons onderwerp?
Stond het dan niet tevoren reeds vast dat de kerk der wereld tot een schouwspel zou worden? (1 Cor. 4 : 9; Hebr. 10 : 33)?
God is het, Die de wasdom geeft en gaat het dan aan Zijn kinderen daarvoor ter verantwoording te roepen?
Zou God bij Zichzelf geen redenen kunnen hebben daarvoor, dat Hij ons Zijn Geest onthoudt, nu of in de naaste toekomst? Wat is er overgebleven van de eertijds zo bloeiende christelijke gemeenten in Klein-Azië en Noord-Afrika? Zou iets dergelijks in ons werelddeel niet kunnen gebeuren?
Zij, die de kerk zouden willen vonnissen naar aanleiding van wat er b.v. in de afgelopen oorlogsjaren is geschied (op elkander schietende christenen, jodenmoord, enz.) plegen aan haar op z'n zachtst gezegd een aanranding.
Zo min als het ons past het bestaan van God te bewijzen, zo ongehoord en ongepast is het ook van de kerk te verlangen, dat zij zich aanmeldt bij een verificatiebureau, ter verkrijging van een alibi of i.d.
Men kan de kerk haten, men kan haar liefhebben. Tertitim non datur.
Christenen hebben hun kerk lief; zij zijn geneigd te bedekken wat ons van 's wereld daken wordt gepredikt. (1 Cor. 13 : 7).
Zij herinneren zich ook maar al te goed, wat die man te horen kreeg, die vroeg: „Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? " (Luk. 13 : 23 en 24).
Een gelovige heeft slechts stof om zich te verwonderen, ware het slechts vanwege het simpele feit, dat God hem tot Zijn hut toeliet (de kerk is zijn schuilhoek in de wereld). Hoe zou ook een rechtgeaard strijder van de Militia Christi zich de tijd gunnen om achterwaarts te zien naar wat geweest is. (Luc. 9 : 62)! Jammert ooit een drenkeling, pas uit het water opgevist, over de modder op en het water in zijn kleding?
Zij, die te dezen een onderscheid zouden willen maken tussen de zichtbare kerk enerzijds en de onzichtbare kerk anderzijds, gelieven wel te bedenken, dat zulk een onderscheid weinig reëel is, bezien vanuit het standpunt der individuele gelovigen.
Bovendien is het in onze wereld nu eenmaal onvermijdelijk dat de kerk zich ook van aardse middelen (organisatorische inzichten enz.) bedient, met alle risico's van dien uiteraard.
Een reden temeer, dat de kerk zich niet verheft!
Het kan dan ook niet worden geduld dat zich in ons midden een elite opwerpt met het oogmerk de kerk wat meer crediet te bezorgen in de ogen van de wereld. Een elite die er ook niet voor terugdeinst te suggereren, alsof zij dé kerk uitmaakt.
„Het voeren van een hoog zeil" (Wulfert Floor) is wel het laatste, wat een christen betaamt!
Het is altijd door inschakeling van wat nietig is en zwak, dat God Zichzelf verheerlijkt in en aan onze wereld. (1 Cor. 1 : 26 e.v.; 2 Cor. 12 : 9a).
Agitatie van onze kant komt daar nooit aan te pas.
Men onderschatte in dit verband de listen van de duivel niet.
Hij tracht ons op de mouw te spelden, dat wij de verworvenheden van onze cultuur niet aan de kerk, maar aan de wereld te danken zouden hebben, als blijk van de uiteindelijke triomf van 's mensen „gezond verstand"
Ook probeert de duivel ons telkens weer opnieuw wijs te maken, dat wij een nieuwe situatie zouden hebben, zó uniek, dat daardoor alleen al een afbuiging van de oude paden niet slechts gerechtvaardigd, maar ook dringend geboden zou zijn.
Voorts is hij er aldoor op uit ons te doen struikelen in onze eschatologische haast, door de kerk ertoe te verleiden, dat zij de banvloek uitspreekt over de staat, onder het motief, dat die staat zich niet blijkt te kunnen handhaven anders dan op een torenhoge berg van ammunitie ....
Tenslotte laat de duivel niet af ons ons kerkbegrip te ontfutselen door ons te doen geloven, dat die kerk gewikkeld zou zijn in een wedloop met wereldlijke organisaties in het betrachten van goede werken, met als prijs een „leefbare" wereld, of — zoals dat in het jargon van de communistische ideologie wel heet — een wereld, waar „Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" heerst, Vrede en Geluk ....
Maar de kerk is niet een organisatie die op haar efficiency zou kunnen en mogen worden beoordeeld; hoe dikwijls handelt zij niet bewust oneconomisch (pastoraat).
Wat houdt dit in?
Wel o.a. dit, dat geen wereldlijke maatstaven mogen worden aangelegd als het gaat om de vraag of de kerk haar vredestaak in onze wereld wel naar behoren vervult.
De kerk heeft zo haar eigen code (zeer instructief is wat dit betreft Eet boek „Prediker", zo b.v. de teksten 4 : 9 en 10; 7 : 16, 20—22; 9 : 10; 10 : 4 en 20; 11 : , 4).
Slogans als b.v. „tijd kost geld" hebben voor de kerk niet de minste betekenis; politieke leuzen in de trant van „Mussert of Moskou" evenmin.
De kerk mag niet zwijgen over de ideologieën van onze tijd, maar voor het pastoraat maakt het weinig uit of iemand zich fascist of communist belieft te noemen.
Extreem gesteld: Eichmann was voor de kerk ook een mens, niet een onmens of iets van dien aard.
Ons past in dezen de grootst mogelijke nederigheid: als wij ons innerlijk niet verwant weten aan de ergste misdadiger onder ons, dient in ernst te worden betwijfeld, of wij onszelf ooit hebben leren kennen.
Dit was ook ons uitgangspunt bij de waardering van de staat en het statelijke, (bijdrage XXVI)!
De kerk van onze dagen deed er beter aan zich 's wat minder te laten gezeggen door de wereld. Op grond waarvan zou die wereld de heiligen willen oordelen? Is niet het omgekeerde aanstaande (1 Cor. 6 : 2) ?
Men onderschatte de invloed van het beest uit de aarde (de valse profetie) toch vooral niet!
Er is in dit verband nog één punt, dat onze aandacht vraagt.
Eeuwenlang boden kerk en staat de mens beschutting, als hiervoor reeds aangestipt (bijdragen XIX en XXIV).
Dat zij zich zo lange tijd achtereen in elkanders gezelschap bevonden, behoeft niet te verwonderen.
Prof. van Stempvoort merkte hierover eens op:
„Op een voor alle soorten van overspannen idealisten ergerniswekkende wijze en voor ons allen onbegrijpelijk, gaan in de loop der geschiedenis kerk en zwaard vaak dezelfde weg: dat wil zeggen, de kerk is steeds of door het zwaard vernietigd of op beslissende wijze door het zwaard in een nieuwe levensruimte gezet. Bijvoorbeeld door Constantijn de Grote, Willem van Oranje, Gustaaf Adolf. Men zie er het geschiedenisboek op na. Past het vermoeide, hoewel doorvoede Westerse nazaten hierover een oordeel te vellen? Hebben al deze soldaten hun leven gegeven voor „niets"?
Het is jammer dat vele journalisten van de grote stijl de realiteit van God, mens en wereld tegenwoordig beter verstaan dan een heel legertje theologen, uit allerlei kerken, die „abstract" in hun kerken staan, hoewel, naar zij voorgeven, hun theologie zeer „engagée", zeer liefderijk op de wereld betrokken is. Om het kippevel van deze intelligentsia te bevorderen, zou ik ter lezing willen aanbevelen het boekje van een groot journalist. Piet Bakker: Zo was het. Naast het Spreukenboek. Het werkt genezend op de „nieten" van de „Schöngeisterei".
Met het grote saeculariseringsproces van de beide laatste eeuwen raakten de „schuttingen" in verval, met als gevolg o.a., dat zij de samenleving tot een klaag- en kladmuur zijn geworden, als ook met gewone schuttingen zo dikwijls het geval is! Het is aan die schuttingen, dat ook in ons land het kwade geweten van de natie zich ontlast.
Men lette toch hier eens op: Er vindt in onze samenleving nauwelijks een incident meer plaats, of kerk en staat worden er in toenemende mate. bijgesleurd (N.A.V.O.-taptoe te Amsterdam, de geruchtmakende uitzending „Zo is het toevallig ook nog 's een keer", de prinses Irene-affaire, enz.)-
Voor wat de staat betreft is er altijd wel een zondebok: leger en politie zijn het traditionele jachtterein, als er weer eens een zoenoffer moet worden gebracht op het altaar van de „geschokte" publieke opinie.
Onze publiciteitsorganen zorgen dan wel voor de rest, opdat het ons volk aan jachtgenot niet ontbreekt... (2 Tim. 3:4)!
Ook in ons land is reeds een school in oprichting tot het beoefenen van de kunst der „dappere ongehoorzaamheid". Adspirant-oproerkraaiers kunnen zich ten onzent overigens bij voorbaat al verzekerd weten van de morele steun van een groot aantal pacifistische hoogleraren en predikanten. Ja, zover zijn wij hier al!
Eenmaal de staat in het beklaagdenbankje, dan duurt het meestal niet lang of ook de kerk wordt gedagvaard, ware het slechts om als beroepsinstantie te kunnen dienen voor het geval, dat het wereldlijke gezag ervoor bedankt zich nog langer als voetveeg te laten gebruiken.
De „schokfrequentie" en de coïncidentie, die uit dat agitatorische optreden aan weerskanten blijkt, wijzen m.i. duidelijk uit, dat het de tijdgeest is, die kerk en staat telkenmale in beroering brengt, de geest dus uit de afgrond.
De kerk reagere hierop uiterst voorzichtig, want het kan niet juist zijn, dat ooit de oude paden worden verlegd met een heenwijzing naar de feitelijke ontwikkelingen in onze wereld.
Een voorschrift als dat van Rom. 13 kan en mag slechts worden geïnterpreteerd vanuit de Bijbel alleen, want er is maar één openbaringsbron en dit is het Woord van God.
De historie kan slechts bevestigen, hetgeen daarin opgetekend staat, en niet andersom!
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's