Het Réveil
13
Isaac da Costa (1798-1860) 3
Terwijl da Costa onvervaard de geestelijke fatterigheid van zijn dagen geselde en zijn zwaard wette in de strijd tegen de geest der eeuw, was hij zich goed bewust hoezeer hijzelf nog moest opwassen in kennis en genade. „Lieve de Clercq", zo schreef hij als prille bekeerling aan zijn vriend, „indien mijne woorden, onder de genade Gods, u misschien somtijds dieper hebben doen inzien in de waarheden van ons allesomvattend geloof, neem dan toch vooral voorbeeld aan mijne zwakheden, en maak u de belijdenisse ten nutte, die ik voor God mijnen Heer oprechtelijk doe, van Zijn genade boven menig eenvoudig, stil en ongekend mensch onwaardig te wezen. Lieve vriend, bid voor mij, dat God mijn hart week make in de Liefde, versterke in het Geloof, opbouwe door de Hoop. Veel, zeer veel ontbreekt mij nog!"
Geen wonder, dat ook Da Costa, ter opbouwing de gewoonte van huiselijke godsdienstoefeningen instelde, zoals ook de reformatie die gekend had. De ene Réveilman na de andere ging hiertoe over, ofschoon niet allen. Logé's en dienstboden werden bij het gezin geroepen, en dan ging de huisvader voor in schriftlezing en gebed, waarna er met pianobegeleiding gezongen werd. De Clercq alweer, die een ochtenddienst bij Da Costa meemaakte, beschrijft zijn gebed, waarzij altijd geknield werd, als innig en gloedvol, als een onstuimig openstormen van de poorten des hemels.
Na een bezoek in 1826 van de Zwitserse Réveilman Chavannes, begon Da Costa met zijn zondagavondlezingen. Dit soort lekenpastoraat is hem van kerkelijke zijde wel eens euvel geduid, maar ze waren er niet minder gezegend om. Trouwens, men bedoelde niets tegen de kerk, maar alles voor de kerk. In de grote kamer van zijn huis aan de Rozengracht, waarin een pijporgeltje stond opgesteld, ontving hij jaren achtereen de broeders en zusters, vaak met hun kroost, rijken en geletterden, maar ook armen en eenvoudigen, die naar Allard Piersons woorden, instinctief voelden: „hier is koestering, hier is schaduw, hier zijn vleugelen die mij dragen, hier ben ik dichter bij God."
Da Costa had een bijzonder talent om te boeien en al zijn woorden werden gretig ingedronken. Vooral door de eenvoudige boekhouder Schimsheimer, een man die ook een grote literaire belangstelling had en zelfs de grote gedichten van Milton uit het Engels vertaald heeft. Uit zijn geheugen tekende hij thuisgekomen alles op, en zo konden na Da Costa's dood de 9 delen van zijn bijbellezingen uitgegeven worden. Vooraan zat naast mevrouw Da Costa de blinde mevrouw Schimsheimer—van Daalen Buissant des Amorie; hun prachtige stemmen waren voor velen onvergetelijk. Dat was maar goed, want op het punt van zingen was Da Costa van elk talent gespeend. Geliefd waren de liederen van César Malan, maar vooral psalmen als 68, 89 en 116.
Eigenlijk geeft het proza van de Bijbellezingen een onjuiste indruk ervan. Veelzeggend is de opmerking van Schimsheimer zelf: „Zijn schrijven gaf ons rozijnen, maar zijn spreken druiven." Evenals zijn poëzie zou men hem moeten horen en zien bij de voordracht, met al de uitdrukking in stem en gelaat, die de stof hem ingaf, zijn fonkelende ogen, zijn gevoelige lippen, zijn driftige voet, die de vervoering en gloed, maar ook de stilte en ootmoed verkondigden. Bij hem was geen tegenstelling van binnen- en buitenkant; zijn hele wezen deelde zich ogenblikkelijk mee in zijn uitingen. Hij sleepte zijn gehoor mee bij hoon of spot, bij striemende verachting voor de waanwijsheid der eeuw, maar ook in bezieling en overtuiging en diepe vreugde. Niet zelden kwam men na een lezing van Da Costa opgewonden thuis. Zijn welsprekendheid maakte hem indrukwekkend, ofschoon hij eigenlijk een lelijk mannetje was, klein van gestalte met een ietwat pokdalig gezicht, bovendien van een ziekelijk gestel.
De wijze waarop hij met de Bijbel omging, was dichterlijk en artistiek. Wat hem niet aanspreekt laat hij liggen, iets wezenlijks en treffends heeft dadelijk zijn aandacht. Wetenschappelijke vragen als de canonvorming interesseren hem weinig. Hij leest alles zoals het er staat, al kan men hem niet aantreffen onder de voorstanders van de mechanische inspiratie, als zou de Schrift woord voor woord door de Geest zijn gedicteerd. Daarvoor heeft hij te veel oog voor het bijzondere en persoonlijke van patriarchen, profeten en apostelen. In alles wat geschiedt is voor hem ruimte voor de menselijke bewegelijkheid en onvastheid. De geschiedenis is geen rechte lijn, maar een kronkellijn, vol golving en beweging. De Heere God wil zien hoe de mensen het er af brengen.
Da Costa legt zijn oor te luisteren naar wat God zegt, dat grijpt hem aan en terstond getuigt hij er van. Voortdurend betrekt hij het oude en nieuwe testament op elkaar, de belofte en de vervulling. Maar daar is het niet mee af, hij heeft een scherp oog voor de gang der heilsgeschiedenis in haar geheel. Na Pasen en Pinksteren wacht nog de bekering van Israël. De teksten over Israël past hij zeer letterlijk toe, de kerk van het nieuwe verbond treedt niet in de plaats van Israël. Het zijn jongere kinderen. Pas als de oudste zoon in het huis is weergekeerd, is alles gereed om de Heer te ontvangen. Hoe? dat weet ook Da Costa niet, maar: God maakt ons zijn doel gewis door d'onfeilbre profetiën van zijn vast getuigenis (Gezang 131). De laatste dingen krijgen bij hem een brede plaats, en wel eens al te gretig staat hij klaar om de tekenen der tijden te verklaren. Zijn eschatologische gerichtheid houdt hem ook af van het opstellen van een christelijk program en stelsel. „Wij moeten geen banier of wegwijzer willen zijn, maar alleen een getuigenis, een stem".
Typologische kwesties voeden zijn dichterlijke verbeelding, maar binden hem tevens aan de werkelijkheid. Al het onaardse en tijdeloze ontbreekt aan zijn mystiek, zonder dat hij overigens door heeft hoe hij hier een autentieke bijbelse lijn te pakken heeft. De verzen van Lodenstein zou hij nooit geschreven hebben. Zijn bevindelijkheid mist de beschouwelijkheid, het wegzakken en zinken, maar is vol van bezieldheid en perspectieven. Als De Clercq bij ds, ter Borg een preek vol „aandoening" heeft gehoord, is de lyrische kracht van Da Costa voor hem weer een openbaring. Het is bij hem een christendom des harten, maar geen verinnerlijkt christendom.
Strijdende, historische figuren hebben zijn voorkeur, zoals David, Luther, Mozes en in zijn eigen tijd natuurlijk Bilderdijk. Geen wonder, dat het ook dichters zijn, want het lied, de psalm past bij de strijd. Dit artistieke, speelse, dit dichterlijke en strijdbare zat ook in Da Costa's eigen natuur. Eigenlijk heeft Luther veel meer zijn sympathie dan Calvijn. „Wij Gereformeerden zijn meer verstandelijke mensen, denkers, ietwat dodig", klaagt hij.
Een theologie heeft hij ook niet opgebouwd, deze blijft steken in de apologie. Hij moet verdedigen en getuigen, hij moet strijden tegen de geestelijke malaise, tegen de goddeloze verlichting, die niets met de verlichting door de Heilige Geest te maken heeft. Maar evengoed tegen de vroomheid die tot dweperij leidt. Bij de opwekkingen te Scherpenzeel onder Capadose en te Rheden onder ds. Laatsman vreest hij „opgewondenheid en inbeelding". Maar vooral dat men niet ootmoedig is om eigen inwendig verderf en het leven der heiliging te passief opvat. Inderdaad was de vrees voor deze lijdelijkheid bij ds. Laatsman niet ongegrond. Als Da Costa dan een preek van Kohlbrugge krijgt, waarin deze zegt, dat de wet hem een lijk is geworden, grijpt hij dadelijk naar de pen, en verwijt vermoedelijk Kohlbrugge wat hij met meer recht ds. Laatsman kan aanwrijven. Zegt Kohlbrugge, dat al onze heiligheid toegerekende heiligheid is, nooit eigen heiligheid, dan ziet Da Costa hier een miskenning is van Christus' werk in ons en mist de opwekking tot heiliging; volgens hem wordt zo een lijdelijkheid in de hand gewerkt. De eigenlijke kracht van Kohlbrugge, zijn boodschap dat de heiligheid nooit een verdienste, maar ook geen voorwaarde kan zijn om tot geloof te komen, heeft Da Costa nooit gezien of kunnen erkennen. Zij hebben elkaar niet verstaan en dit heeft een verwijdering gegeven. Bij Kohlbrugge's eerste huwelijk met een nichtje van de latere afscheidingsman H. P. Scholte, was Da Costa getuige geweest, later zullen ze elkaar nog dichtbundels toesturen, maar een belangrijk contact was verloren gegaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's