DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL 5
Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven de Heilige Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn opnieuw verschijnt.
Het gevoel der zonde.
Het is een oud gezegde: een christen zondigt niet goedkoop. Dit adagium gaat er van uit, dat een christen zondigt, maar stelt tegelijk, dat hij er voor moet boeten. Wat is een christen ? Een christen is een mens, die zó nauw met de Christus verbonden is, dat niemand hem uit de handen van de Zaligmaker kan rukken. Hij blijft altijd een christen, al valt hij in grove zonden. Dat is iets geweldigs. Maar dit betekent niet, dat de zonde zo maar bedreven kan worden. Zondigen is voor de gelovige een pijnlijke zaak. Die smart over of door de zonde begint al in het eerste stuk van de drie, die men weten moet om getroost en zalig te sterven. Als Gods Geest komt overtuigen van zonde, komt er op het hart van de uitverkorene als het ware een steen te liggen. Hij draagt een vonnis mee. Bunyan heeft dat voor de werkelijke verstaander aangrijpend uitgebeeld. Hij schrijft: „Ik droomde, dat ik een man in vuile en armoedige kleren zag staan. Zijn gezicht was afgewend van het huis, waar hij woonde. Hij had een boek in zijn hand en ging gebogen onder een zware last, die op zijn schouders drukte". Bunyan haalt hierbij aan: „Zie, het is voor mijn aangezicht geschreven: Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden". (Jes. 65 : 6). En ook: „Daar is niets geheels in mijn vlees vanwege uw gramschap; daar is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde" (Ps. 38 : 4). De weg der bekering houdt dus in het dragen van een last, volgens Bunyan. Christen zegt: „Lieve vrouw en beste kinderen, ik ga gebogen onder een last, dien ik bijna niet langer kan dragen". En dan komt daar de dreiging van de grote straf nog bij. Maar de last zelf is blijkbaar de gewonde consciëntie, de pijnlijke schuld. Die last is de kern van de nood van Christen. Wereldwijs merkt het direct op en vraagt: „Waar gaat ge zo zwaar beladen naar toe? " Christen antwoordt: „Dat hebt ge goed gezien; ik ben zwaar beladen; ik heb meer te torsen dan een gewoon sterveling ooit hoefde te doen".
Wereldwijs geeft dan de raad dit pak zo vlug mogelijk van de schouders af te werpen. Hij gaat er van uit, dat een mens zulks in zijn hand heeft, zoals zovelen, die zeggen: je moet niet in de put blijven zitten, je moet niet zo tobben, je moet gelóven.
Men moet niet menen, dat Christen zo gesteld is op deze last. Hij zou graag vrede hebben en van Gods zegeningen genieten. Hij zegt dan ook; „Dat is juist wat ik zoek, dat dit pak eens van mijn schouders mocht afglijden. Zelf kan ik het onmogelijk wegnemen en in heel ons land is niemand te vinden, die het wèl zou kunnen doen. Nu ben ik op weg gegaan in de hoop, dat ik aan 't einde van deze weg mijn pak kwijt zou raken". Dit schuldbesef, deze gewonde consciëntie, dit vonnis dat in zijn ziel uitgesproken is, benauwt Christen meer dan al de verschrikkelijkheden, die Wereldwijs hem voorhoudt. „Al deze verschrikkingen", zegt Christen, „die gij daar opnoemt, zijn niets, vergeleken bij de zware last, dien ik moet dragen. Geloof me, er mag van komen wat wil, als ik maar van dit pak verlost word!" Langs welke weg is Christen aan deze last gekomen? Hij geeft op die vraag ten antwoord: „Toen ik in dit Boek begon te lezen. Als de veroordeling van God, die spreekt in Zijn Woord, in het geweten verstaan wordt, krijgt onze ziel een last te dragen, waar niemand zichzelf van kan bevrijden. Zelfs het ingaan door de Enge Poort bevrijdt Christen niet van de last.
Bunyan vertelt na deze gebeurtenis: „Toen zag ik in mijn droom, dat Christen aan Evangelist vroeg, of hij hem niet zou kunnen verlossen van het zware pak, dat nog altijd op zijn schouders lag en dat hij, zonder hulp, onmogelijk van zich af kon werpen.
Maar Evangelist antwoordde: „Wat uw last betreft, dien moet ge geduldig verder dragen, totdat ge aan de plaats der bevrijding zult zijn gekomen, want daar zal hij u vanzelf van de schouders glijden"".
Men mag deze last meer dan één naam geven. Doch dat het een veroordelend geweten is, dat de mens er op wijst, dat hij tegen God gezondigd heeft en nu rechtvaardig de straf moet dragen, is zeker waar. Dit gewond geweten, dat door het bloed des kruises bevredigd wordt, komt door de grove zonden weer in de benauwdheid. De mens gaat zichzelf opnieuw veroordelen. Hij neemt het oordeel Gods, dat zijn geweten hem voorhoudt, over. Hij komt er niet uit, tenzij hij opnieuw gaat roepen om genade. Het vonnis van Gods wet vangt hij op in zijn geweten door de overtuigende werking des Geestes. Zo is het geweten van de gelovige altijd een anders genormeerd geweten als dat van de wereldling.
Hoe diep de pijn kan wezen, leren ons de boetepsalmen en de klacht van Romeinen 7 met indringende kracht. Men kan immers zeggen dat alleen vanuit het diepe bewustzijn van zonde en schuld deze psalmen te verstaan zijn. David zucht in psalm. 6 onder de toorn Gods. Hij vraagt: straf niet, kastijd niet. Hij ziet de toorn Gods dus als straf voor zijn zonde. Hij heeft een gewonde consciëntie. Dat spreekt ook in psalm 32 : 3, 4: Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd (murw), terwijl ik de ganse dag brulde of jammerde. Want uw hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap (of mijn tong) werd veranderd in zomerdroogte.
Dit is de taal van de verwonde consciëntie. Zij voelen hun zonde. De over treding van Gods geboden wordt niet voldoende gekend als wij er een verstandelijke formulering voor hebben. Het is pas goed als wij door onze zonde en overtreding getroffen en verslagen zijn. Zo nu en dan komt men de opmerking tegen, dat men gelóven moet, dat men een zondaar is. Het gevoel er van hoort er niet bij. Hoe krijgt men het verzonnen? Dat eerste is waar. Alleen als we tot het geloof gebracht zijn, dat er een God, een hemel en een hel is, en die God in het geloof als heilig en rechtvaardig heb leren kennen, kunnen wij iets weten van zonde. Daar moet een wonder aan een zondaar gebeuren, wil hij zijn zonde kennen. Deze kennis hangt met het geloof in Gods Woord samen. Maar een kennis zonder gevoel is dood. Noach werd door het geloof bevreesd. David's beenderen werden door zijn zondekennis verbrijzeld en daarom bad hij: „dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt". In psalm 51 zegt David niet: „Want ik geloof de grootheid van mijn kwaad". Hij zegt wèl: „Want ik kèn mijn overtredingen en mijn zonde is steeds voor mij". Dr. J. Ridderbos zegt van dit kennen: „Deze kennis is niet een bloot verstandelijke, maar zulk een, waar heel de mens (ook zijn willen en gevoelen) bij betrokken is, die dus insluit een innerlijk veroordelen van en smart hebben over de zonde", m.a.w. het berouw (vgl. vs. 19 over de gebrokenheid des harten) „is steeds voor mij": het beeld zijner zonde staat de dichter onafgebroken voor ogen en vervult hem met diepe smart". Dr. Ridderbos merkt ook nog op: „De dichter beseft zijn nood, en ook dit kan tot motivering van zijn gebed dienen". Men kan dan ook zeggen dat het „want", waarmee vers 5 begint, „tot achtergrond heeft de waarheid, dat zonder schuldbesef geen vergeving wordt geschonken"".
Een belangrijke misvatting in de prediking, die men in deze tijd maar al te veel kan horen, is, dat er geen verbrijzelende kennis van zonde aan het geloof in Christus vooraf behoeft te gaan. Eerst gelooft men dat al de zonden vergeven zijn en daarna leert men dan wel dat men zonde heeft. Een dergelijke objectiverende prediking doet meer kwaad dan goed. Een geslacht vroeger waren de hervormd-gereformeerde kerkeraden bang voor een alleen maar voorwerpelijke prediking. De waakzaamheid daartegen mag ook in onze dagen niet verslappen, opdat alle prediking voorwerpelijk-onderwerpelijk in waarheid blijve. Eerst schuldbesef en dan vergeving. Dat leert Gods Woord. Eerst de gewonde consciëntie en dan genezing. Wie heeft in het natuurlijke leven horen vertellen: ik ben toch zo prachtig genezen, en daarna kreeg ik de wond.
Wat een gewonde consciëntie is leert ons dan verder vs. 19 van psalm 51. „De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult gij, o God, niet verachten". Geest en hart zijn aanduidingen van het religieus-ethisch bestaan. Om nog eens dr. J. Ridderbos aan te halen: „Toegepast op het hart of de geest geven beide woorden (n.l. „verbroken" en „verslagen", L.V.) uiting aan een diep besef van nood, hulpeloosheid en verlorenheld, en in het licht van heel de psalm is hier dan bedoeld de gesteldheid van hem, die door het besef van zijn schuld en zonde geheel overwonnen en als innerlijk stukgeslagen is, zodat de hardheid in weekheid, de hoogmoed in ootmoed is veranderd, en geen redding meer verwacht wordt dan van God alleen".
Zo leeft een gewond geweten. De man die pas uit de stad Verderf komt, heeft het te kwaad met zijn last. Hij heeft het vreselijk moelijk. Hij gaat in het zwart door de onderdrukking van duivel, wet en vloek. Maar de man, die vergeving van zonde heeft ontvangen en in grove zonden is gevallen, heeft het nog veel slechter. Daar is het geweten zó verslagen, dat men denkt: nu kan God niet meer genadig zijn. Ik ben het waard, dat God Zijn Geest en goedheid geheel van mij wegneemt. Het geweten is zeer gewond.
Eén opmerking nog: Wie een gebroken, een verslagen hart, een gewonde consciëntie heeft, heeft het zeer te kwaad, maar hij denkt dikwijls: was mijn hart toch recht verslagen. Ik lijk wel van steen.
Zo is een gewonde consciëntie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's