De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

Onlangs schreef prof. Van Itterzon in het Hervormd Weekblad een artikel, getiteld: De middenorthodoxe visie kerkelijk geijkt? Hierin schreef hij over strubbelingen die er ontstaan waren in een bepaalde gemeente waar een vrijzinnig en een orthodox deel naast elkaar leven. De moeilijkheden waren ontstaan doordat de vrijzinnige meerderheid eiste dat een rechtzinnige ouderling zich liet bevestigen door de vrijzinnige predikant; hij mocht niet door zijn eigen (de rechtzinnige) predikant bevestigd worden. In een ingezonden stuk gaat ds. Groenenberg daar op in en heeft enkele vragen aan prof. Van Itterzon te stellen. In hetzelfde nummer van het Hervormd Weekblad geeft prof. Van Itterzon er een antwoord op. Het is van belang, dacht ik, om zowel uit het schrijven van ds. Groenenberg als uit het antwoord van prof. Van Itterzon enkele dingen in onze rubriek aan de lezers door te geven. Ds. Groenenberg schrijft dan het volgende:

Prof. Van Itterzon signaleert tegenwoordig vooral de middenorthodoxie als een gevaar. Dat is zijn goed recht. Toch besluipt me steeds meer de vrees, dat prof. Van Itterzon op deze wijze gevaar loopt de kerkelijke problematiek op een bedenkelijke wijze te vereenvoudigen. Kuyper heeft dat in zijn tijd ook gedaan en hij sprak over „de helen en de halven". Hoeveel verdriet heeft hij daarmee gebracht in veler leven, in dat van Gunning en Hoedemaker. Nauurlijk begreep de massa Kuyper goed, want wat hij zei, was zo eenvoudig en duidelijk en Hoedemaker was daartegenover een verwarde man, en is nog steeds „de onbegrepen denker". Voor mijn besef vertoont prof; Van Itterzon in dit artikel niets van de onbegrepen denker. En dat benauwt me. Is wat hij in dat artikel zegt nu werkelijk confessie» neel? Voor mijn besef is hier veel meer Kuyper aan het woord dan Hoedemaker. Ik bedoel dit niet grievend, maar het komt me voor dat het nodig is, dat hier klaarheid komt. Ik meen, dat de vraagstelling duidelijk wordt, als er in het artikel gesproken wordt van het argument der klagers, dat de heer A gekozen is als „rechtzinnig ouderling". Ik dacht, dat Hoedemaker zou zeggen: u bent niet gekozen als rechtzinnig ouderling, maar als ouderling. U bent geen ouderling van een partij in de kerk, maar van de Kerk. U hebt ook geen individuele leertucht uit te oefenen, want dat is een zaak der kerk. Als u bezwaren hebt tegen ds. Y, die u moet bevestigen, dan moet u die niet hebben op het ogenblik dat hij u bevestigt, maar dan moet u die hebben tegen de leer van deze predikant in 't algemeen en zijn bezwaren kenbaar maken bij de kerkelijke organen. Maar 't is toch niet juist er alleen mee te komen op de bevestigingsdag. Men wordt niet bevestigd door een vrijzinnige dominee, maar door een ambtsdrager der kerk tegen wie zelfs geen kerkelijke klacht bestaat. Men treedt vervolgens in een kerkeraad niet als ouderling van een partij, die eventueel „samen gaat werken" met ouderlingen van een andere partij. Men komt in de kerkeraad en arbeidt zonder meer samen, waarbij men elkaar oproept te zijn wat men is: ambtsdrager van de kerk, die een Christusbelijdende volkskerk is. Men stelt zich met de andere kerkeraadsleden onder de beloften en de tucht van het Woord Gods. Dat is het tegendeel van „geven en nemen" en heeft niets te maken met alles wat prof. Van Itterzon onder „middenorthodoxie" verstaat. Ik zou graag willen horen, waarom dit niet confessioneel is. En als prof. Van Itterzon zegt: dat is het niet, dan zou ik aan anderen willen vragen: bent u het daarmee eens? Prof. Haitjema? Prof. Van Niftrik? Prof. Van Kuier? Want dit is een aangelegen punt.

Mag ik eens een ander voorbeeld noemen, waar ik prof. Van Itterzons mening graag eens over hoor? Er zijn gemeenten waar de rechtzinnigen zijn ingeschakeld, zoals we dat noemen. Nu weigeren rechtzinnige ouderlingen vaak dienst te doen bij een vrijzinnige predikant. In dat „weigeren" voel ik meer kuyperiaans pal-staan van partijmensen, dan een hoedemakeriaans kerk-zijn. Men doet n.l. alsof men pas verantwoordelijkheid draagt voor de prediking, als men er bij zit of dienst doet. Waarom begrijpt men niet dat dit struisvogelpolitiek is? Men is net zo goed verantwoordelijk, ook al doet men er geen dienst. Maar dienst doen betekent niet: instemmen, maar rustig zijn ouderling-ambt uitoefenen en ook weten, dat men het gesprek mag en moet voeren, zelfs eventueel „klagen" moet. Ik dacht dat een „confessioneel ouderling" juist bezwaar moet maken als men hem op wil sluiten in een groep, al is het dan „zijn" groep. Hij moet zeggen: ik ben ouderling van de hele gemeente en voor alle diensten draag ik verantwoordelijkheid. Een vrijzinnige ouderling, ook een middenorthodoxe misschien, zal zich makkelijk laten opsluiten, maar een confessioneel man zal het geheel ter harte gaan. Prof. Van Itterzon maakt zich bezorgd over de middenorthodoxie en haar invloed. Laat hij onze ogen daarvoor open houden. Ik zou graag willen dat prof. Van Itterzon met mij de zorg deelde over het gebrek aan confessioneel denken in menig confessionele gemeente, waar men praktisch volkomen „kuyperiaans" denkt en waar Hoedemaker de onbegrepen denker is.

Uit het antwoord van prof. Van Itterzon nemen we het volgende over:

In mijn artikel sprak ik van de heer A als „rechtzinnig ouderling". Ds. G. vindt dit fout en zegt: deze broeder is geen oudering van een partij, maar van de kerk. De gehele bewijsvoering vindt u in het ingezonden artikel van ds. G. in den brede terug.

Nu kan ik ds. G. geruststellen en hem verzekeren, dat ik het in dit opzicht met hem eens ben. Maar heeft ds. G. er wel aandacht aan geschonken, hoe ik aan die betiteling kwam? Die kwam niet op uit kuyperiaanse gevoelens, die mij zouden kunnen aankleven, maar uit de officiële kerkelijke stukken. Ik laat in het midden, wie met deze betiteling is begonnen. Ik constateerde reeds in de eerste kolom van mijn artikel, letterlijk: „De richting staat er in de officiële beslissing met zovele woorden letterlijk bij." Misschien heb ik voorvoeld, dat iemand, wie dan ook, mij over deze etikettering zou aanspreken en heb ik daarom al van meet af aan gesteld: denk eraan, dat in' de officiële stukken het richtingsetiket „vrijzinnig" voorkomt. Wellicht vindt ds. G. hierin aanleiding om degenen, die deze woorden gebruikten, nu verder hierop aan te spreken en hun te berichten: Ik bedoel het niet grievend, maar in uw spreken hoor ik veel meer Kuyper dan Hoedemaker.

Ik ga echter verder. Want ds. G. moet nu echt de zaak niet versimpelen. Hij schrijft, dat „prof. Van Itterzon op deze wijze gevaar loopt de kerkelijke problematiek op een bedenkelijke wijze te vereenvoudigen". Als dat kuyperiaans is, ga ik ook op dit punt 'n opmerking maken. En wel aan het adres van ds. G. Geeft hij nu heus niet de voorstelling, dat in onze kerk een ouderling inzake leertucht een en ander zou kunnen zeggen? Wat is de waarde van „bezwaren", die een ouderling zou kunnen „kenbaar maken bij de kerkelijke organen"? Wat is de waarde van een zin als deze: „Dienst doen betekent niet: instemmen, maar rustig zijn ouderling-ambt uitoefenen en ook weten, dat men het gesprek mag en moet voeren, zelfs eventueel „klagen" moet? " Laat ds. G. nu geen hervormde broeder Marinus oproepen. Want onze kerkorde heeft de figuur van de „klagende" ouderling onmogelijk gemaakt. Zeker, elke ouderling mag brieven schrijven, maar officiële geldigheid hebben zulke brieven niet. Moet ik ds. G. er aan herinneren, dat alle (letterlijk „alle") initiatief bij het moderamen van een provinciale kerkvergadering ligt? En dat zulk een moderamen elke brief van elke klagende ouderling voor kennisgeving terzijde kan leggen? Zonder dat de klager kan zeggen: U dient mijn brief toch wel te behandelen? Dat „rustig dienst doen", dat mogen en moeten gesprek-voeren roept in mijn herinnering kerkelijke situaties op, waarin al die gesprekken in het zand liepen. Ds. G. is in het kerkelijk leven zo diep ingewijd, dat ik weet, dat hij de pijn van zulke gesprekken menigmaal heeft ervaren. Maar dan moet ds. G. ook niet de illusie wekken, alsof de ouderling onzer kerk inzake leertucht iets zou kunnen uitrichten. Met de kerkorde in de hand is dit minder dan niets. Nu moet ds. G. ons niet tegen elkaar willen uitspelen. Mij tegen prof. Haitjema en prof. Van Niftrik en prof. Van Ruler. Ik zag in Hervormd Utrecht, waarin ik alles wat ds. G. schrijft, met grote aandacht lees, dat hij ook in dit blad kort geleden mijn collega's in een soortgelijk verband (het ging over de volkskerk) ten tonele voerde. Dat moet ds. G. toch werkelijk niet doen. Als hij daar een gewoonte van zou maken, zou ik gaan denken, dat hij toch een foutieve voorstelling heeft van hen, die geboeid zijn door de beginselen der Confessionele Vereniging. Het is daar immers niet zó, dat men over alles en nog wat gelijk en gelijkvormig denken moet en dat anders de een of de ander als niet-hoedemakeriaans aan de dijk zou kunnen worden gezet. Er is in onze vereniging een grote speelruimte. Een ruimte, die naar onze overtuiging niet alleen in een vereniging, maar ook in onze kerk tot elke prijs moet worden bewaard. Zelfs dan, als het moeilijkheden zou kunnen opleveren en anderen dit ruime niet zouden vermogen te verstaan.

Ik ben het met ds. G. eens, dat de tucht bij de kerk hoort. Ik voeg er zelf aan toe, dat wij er na 1951 als kerk niet veel van hebben gemaakt. En na 1961 nog veel minder. Solidair met de kerk belijd ik hier schuld.

Laat ds. G., die de kerk zo door en door kent, nu niet doen, alsof hij buiten de werkelijkheid der gemeenten zou staan. Het klinkt stoer, als hij zegt: „Men treedt vervolgens in een kerkeraad niet als ouderling van een partij, die eventueel „samen gaat werken" met de ouderlingen van een andere partij. Men komt in de kerkeraad en arbeidt zonder meer samen, waarbij men elkander oproept te zijn wat men is: ambtsdrager van de kerk, die een Chrisusbelijdende Volkskerk is. Men stelt zich met de andere kerkeraadsleden onder de beloften en de tucht van het Woord Gods." Nog eens: dat klinkt stoer. Ik moet ook toegeven, dat het in de geest van Hoedemaker is. Ik moet zelfs toestemmen, dat ik het daar geheel en al mee eens ben. Maar ik zou, met de kerkelijke praktijk voor ogen, stekeblind zijn, als ik maar een ogenblik dacht, dat dit in onze kerk de werkelijkheid is. Als het zo simpel was, had ds. G. als kerkvisitator-generaal niet handen vol werk. Als het zo simpel was, waren we een heel eind verder. Mijn artikel stond echter in de lijst van plaatselijke moeilijkheden in de gemeente X. Daar is met de diverse „partijen" uitvoerig gepraat. Met de één om 2 uur, met de tweede om half drie, met de derde partij om 3 uur en zo voort. Ik bewonder de broeders, die hiervoor hun tijd en krachten ter beschikking hebben gesteld. Ik benijd de provinciale en de generale commissies, die deze „zaak" hebben behandeld, allerminst. Ik wil aannemen, dat ook de kerkvisitatoren hun tijd hieraan hebben gegeven. Veel tijd, heel veel tijd zelfs. Mijn vraag was nu: Zou het nu zo bar erg zijn, als we, zolang we als kerk de waarheidsvraag jaar in jaar uit ontwijken, aan de kerkeraad van X vroegen: U hebt nu eenmaal (ik lees het in de officiële stukken) een rechtzinnige en een vrijzinnige predikant. De benoemde ouderling zal met die rechtzinnige dominee ambtelijk en dagelijks moeten samenwerken. Laat nu die dominee zijn eigen ouderling mogen bevestigen.

En als ds. G. zegt: luister naar Hoedemaker en kom in de kerkeraad „en arbeidt zonder meer Samen", dan vraag ik hem: Is dat nu echt de hoogste hoedemakeriaanse wijsheid? In de gemeente X, waar men de waarheidsvraag ook plaatselijk ontvlucht? Waar men (ik heb het toch bij mijn weten in mijn artikel duidelijk en helder gezegd, zodat de massa het begrijpen kon) „alles gescheiden heeft, tot in de zondagsschool toe, en waar zelfs de leden der gemeente en de kaartregisters voor het pastorale werk ussen recht- en vrijzinnigen gescheiden en verdeeld zijn"? Moet men in zulk een plaatselijke situatie met een correct hoedemakeriaans patroon komen om dat bij uitzondering op een bevestigingsdienst te leggen, terwijl het gehele kerkelijk leven ter plaatse een gespleten karakter vertoont? Het karakter van (om het zacht te zeggen) twee aparte „modaliteiten"?

En als ds. G. over „struisvogelpolitiek" spreekt en dan (als ik hem goed begrijp) mijn kant uitkijkt, ben ik op mijn beurt geneigd aan zulk een politiek te denken, als we de situatie in X uit het oog zouden verliezen. Wat begin ik met de rechtlijnige toepassing van de beginselen van Hoedemaker in een gemeente, die zozeer aan het kerkideaal van Hoedemaker is ontzonken, en waarbij de ganse kerk moet zeggen, dat haar toestand met die van de gemeente van X (op wie niemand de eerse steen mag werpen) solidair is?

Het verheugt mij meer dan ik zeggen kan, dat het hoedemakeriaanse hart van ds. G. sneller klopt dan het midden-orthodoxe. Het verheugt mij te zeggen, dat ik het met de door ds. G. getrokken hoedemakeriaanse lijnen wel eens ben. Mag ik nu een praktische conclusie vragen? Ds. G. heeft sympathie met de zogenaamde achttien. Ik ook. Ds. G. zou van harte wensen, dat de kerkmuren tussen hervormden en gereformeerden spoedig werden geslecht. Ik wens dat met hem mee, en veronderstel, dat er in die nieuwe kerkformatie dan ook volgens ds. G. plaats zal zijn voor discipelen van dr. A. Kuyper. Die horen er toch ook bij? Maar mag ik nu van ds. G. vragen, dat hij, echt in de lijn van Hoedemaker, schouder aan schouder, stoer, met mij optrekt om te waarschuwen tegen het heilloze plan van de buitengewone wijkgemeenten? Als dat doorgaat, krijgen we straks plaatselijke gemeenten met toestanden, honderdmaal erger dan in X. Dan krijgen we officieel (o. Hoedemaker!) in elke gemeente van formaat de mogelijkheid, dat onder één administratief-hervormd dak diverse buitengewone wijkgemeenten komen. Dan kan men eerst recht zeggen: Ik ben van A en ik van B. Of, om het bijbels te zeggen: Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Cephas!

Geef mij de hand, ds. G., en help dit verhinderen. Want wat wilt u anders met uw hoedemakeriaanse verklaringen beginnen? Als straks, hoe goed ook bedoeld, de gemeenten en de predikanten van etiketten zouden worden voorzien? Het verdriet, dat Kuyper „in veler leven" heeft gebracht, zou gering zijn bij de richtingsellende (of wilt u: het „pastoraal" opdelen in modaliteiten), die dan onze kerk zou gaan teisteren.

In het voorstel der „buitengewone wijkgemeenten", kerkordelijk voor goed gesanctioneerd, wordt het hoedemakeriaanse beginsel onzer kerkorde (ik kan het niet anders zien) om hals gebracht. Van het samen arbeiden als ambtsdragers van een Chrisus-belijdende volkskerk is dan geen sprake meer. De plaatselijke moeilijkheden zijn wel grotendeels uit de weg geruimd, als de richtingen als „stoute knapen" uit elkaar worden gezet. De kerkvisitatoren krijgen dan veel vrije tijd. In de gemeente X wordt broeder A dan doodgewoon door de dominee van zijn „rlchtingskerk" bevestigd. Maar de waarheidsvraag? En Hoedemaker?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's