Het Réveil
14
Isaac da Costa (1798-1860) 4
Het kan ons niet bevreemden, dat een zo impulsief man als Da Costa — die eens na een bevalling van pure blijdschap de baker om de hals fdel —, een zo visionair man ook, niet kon denken in programma's en stelsels. Een systematisch denker als Groen van Prinsterer was hij niet. Dat paste niet bij zijn persoonlijkheid, maar ook niet bij de tijd en de wereld zoals hij die zag. Alle narigheden op kerkelijk en staatkundig terrein moest hij wel beschouwen als barensweeën, want de wereld was voor hem zwanger van de komende heerlijkheid. Hij kon daarom wel een profeet, maar geen hervormer zijn.
Een vastbelijnde aanpak van de verschillende vraagstukken vindt men niet. Zo is hij een goed vriend van de armenzorg, een zorg niet uit de verte, maar met een persoonlijk gesprek er bij. Evenwel wil hij de armoede niet opheffen. Niet alleen omdat de armoede en het standsverschil van God gewild zijn, en men ze daarom niet op mag heffen, maar ook omdat hij alleen het geestelijk verband kan leggen, en niet kan zien hoe de armoede en zedeloosheid, zo wijd verspreid in zijn tijd, verband hield met de structuur van de toenmalige maatschappij. Trouwens, bij het hele Réveil blijft de weldadigheid weliswaar vol van gelukkige initiatieven, door evangelische motieven gedragen, maar het blijven dappere uitvallen, het wordt geen gesloten front, geen breed opgezette strategie. Maar niettemin is vaak op deze wijze in de barmhartigheid en de zending de eerste stoot gegeven, die meestal de belangrijkste bleek te zijn.
Da Costa dacht niet alleen onprogrammatisch, maar uiterst beweeglijk tevens, en is soms merkwaardig onstar. Het stelt hem in staat om, als in brede kring de spoortrein nog verknetterd wordt, intens te genieten van de treinreisjes, die hem naar zijn vrienden in Haarlem of Rotterdam, in Utrecht of Arnhem voeren. Zijn „Bezwaren" zijn eigenlijk nog lang niet fel genoeg geweest, vindt hij, maar dat de geest der eeuw verwerpelijk is betekent nog niet, dat dit nu van alles geldt wat die eeuw heeft voortgebracht. En hij is bereid om wat hij niet onaardig „consequentisme" noemt af te zweren. Consequentisme b.v. in de vragen van de vaccinatie.
Aanvankelijk gaat hij hierin, in het spoor van Bilderdijk, met Capadose mee, en verwerpt de inenting uit voorzorg, die overigers toen riskanter was dan nu omdat de antiseptische middelen nog niet bekend waren. Toch bekent hij, dat hij zich nooit over enige zaak meer onzeker gevoeld heeft, en in feite richt zijn protest zich meer tegen de hoogmoedigheid, waarmee de koepokinenting aan de man gebracht werd. dan tegen de ontdekking zelf. Zijn zoontje Jacques sterft aan de pokken, ongevaccineerd. De troost van Capadose, dat het „een altijd zwak en sukkelend kind" betreft, dat het toch wel tegen een of andere ziekte zou hebben afgelegd, doet wat wrang aan. Zijn andere kinderen laat hij tenslotte inenten. Wat ieder in deze doet, moet hij doen in het geloof, verduidelijkt hij. Maar voor hem — en dat werpt er zijdelings licht op, dat hij in principe toch positief tegenover de cultuurontwikkeling stond — werd de vaccinatie een gave, een uitbreiding van het door God in de schepping gegevene. Hij wil God ook om deze gave prijzen, die het mogelijk maakt, het lichaam tegen ziekte te beschermen. De zonde, zo concludeert hij, zit niet in de natuur of in de schepping, maar in de mens, die het geschapene boven de Schepper vereert. En voorzorgsmaatregelen op alle gebied zijn bijbels wettig te noemen.
Ook op ander terrein maakt hij zich los van typisch Bilderdijkiaanse bindingen. In zijn vroege jaren is hij tegen elke revolutie, zoals ook Bilderdijk onze opstand tegen Spanje veroordeelde, maar later erkent hij het zegenrijke van verschillende omwentelingen. Was ook zo bepeinst hij, „de Reformatie, die geheel het gelaat der Europeesche wereld veranderde, geene wezenlijke, groote en schoone revolutie? " Was ook het Christendom zelf niet „de meest radicale vernieuwing en omwerking der maatschappij" geweest?
Evenzo is het met de grondwet, die hij eerst als een inbreuk op het goddelijk recht van de souverein beschouwt. Maar in 1840 en 1848 vindt men hem onder degenen, die aandringen op vernieuwing van de grondwet, op volksinvloed en ministeriële verantwoordelijkheid. Hij vindt, dat als deze dingen een eis des tijds blijken te zijn, men er maar het beste van maken moet. Met en zonder absoluut vorst, met en zonder medewerking van het volk blijft de overheid de dienaresse Gods. In de bedeling der tijden, oordeelt hij, openbaart zich de wil Gods in het wereldbestuur. Men heeft niet de traditie, maar Gods eer te zoeken.
Natuurlijk is de gelijkstelling der roomsen voor de wet in 1848 voor hem een stuk openbaring van de afval der laatste dagen. Maar hij draait de klok niet terug. Als de paus in 1853 de bisschoppen in Nederland benoemt, is daar grondwettig niets tegen in te brengen. Als Da Costa dan toch het petitionnement aan de koning tekent, dat het herstel van de roomse hiërarchie in feite ongedaan wil maken, doet hij dit omdat Nederland volgens zijn christelijk-historische visie een protestants land moet blijven. Hij verzet zich tegen het pauselijk streven ons land te verroomsen, maar een petitie, die de grondwet in deze eerbiedigde, was hem liever geweest. Dan had de strijd niet op het vlak der erkenning, waar die toch bij voorbaat verloren was, gelegen, maar op dat der roomse bedoelingen. Want Da Costa verdedigt niet overleefde traditionele stellingen, maar zoekt de strijd op een wezenlijk en geestelijk terrein. Anders dan Bilderdijk heeft hij het voor die tijd moderne staatsbegrip aanvaard, en zijn kracht niet uitgeput voor het behoud van het oude, maar getracht zijn getuigenis te doen beantwoorden aan de uitdaging van de nieuwe tijd.
Dat hij de oude wijn in nieuwe zakken wenste, komt vooral uit in zijn verschil met Groen over de bruikbaarheid der formulieren. Groen, een juridisch denker, bij wie de eschatologie nooit aan bod komt, dacht de 3 formulieren te gebruiken in de kerkelijke strijd. Als zij gehandhaaft werden en functioneerden, was er een gezonde gereformeerde kerk. In het bekende adres van de zeven Haagse heren ging het er om de kerk aan de formulieren te binden. Maar meteen in 1842 heeft Da Costa reserves. In de handhaving der formulieren ligt volgens hem geen heil. Toen de belijdenis tot formulier werd, ging het al mis. Het gaat niet om een herstelde kerk, maar om een levende kerk. Hij staat ten volle achter de formulieren, vooral de catechismus, maar kan ze niet gebruiken voor eigen tijd. „De kracht der Belijdenis ligt in hare verscheid."
Men begrijpt de schrik van Groen: terwijl hij alle moeite doet de formulieren uit het kerkelijk masoleum te halen, is Da Costa bereid ze eervol met pensioen te sturen. Maar al de jaren door houdt Da Costa vol: het gaat niet om recht alleen, het gaat om de gezondwording. „Het is geen bloot juridische, het is ook eene medische quaestie!" Wij kunnen de leer handhaven, maar de leer redt niet. (Een gedachte uit zovele opwekkingsbewegingen!) Ook de Synode van Dordt heeft de remonstranten niet afgewezen op grond van de formulieren, maar vanuit de leer der Schrift. Het dogma is steeds verdediging tegen een eigentijdse aanval. Laten wij het getuigenis der Schrift opnieuw formulieren voor onze tijd. „Het Woord alleen is voor alle tijden, het formulier is alleen voor zijnen tijd." Ook de ketter steekt zich in een nieuw kleed. Dan moet men op nieuwe wijze het Woord laten functioneren. Men mag de waarheid niet zo geheel „op het terrein van het maatschappelijk recht brengen!" Als kerkrechtelijke strijd zou ook de Hervorming een verloren zaak zijn geweest. Er is steeds behoefte aan „een nieuwe Belijdenis op de oude Grondslagen". Men staat nu in de dagen der revolutiegeest, van de grote afval der laatste tijden. Begin dus met een getuigenis, hierop afgestemd. Ook Luther en Gomarus begonnen met een getuigenis.
Da Costa denkt vanuit het geheel der levensverbanden. Het juridische kan nodig zijn, maar hij stelt het medische toch hoger. „De Wet, ook hier, ontdekt, maar geeft niet; niet Mozes, maar Christus wekt de doden op en opent de ogen der blinden." Ten eerste moet het Woord zelf kracht doen, en ten tweede leven wij nu onder de slagschaduw der wederkomst. Want wat verwacht men? De volkomenheid der Kerk ligt in haar toekomst. Nooit is de toestand hier volmaakt geweest. Wij kunnen het kwaad bestrijden, maar God alleen kan het uitroeien. „Wij mogen, dunkt mij, nooit vooruitlopen".
Om deze reden kon hij ook de afscheiding niet volgen; deze amputatie paste niet in zijn medische visie, die de gezondmaking van het gehele lichaam zocht. Dan liever pijn lijden. „Wij mogen geene afscheiding, hoeveel verlokkends daar ook soms in is, te weeg brengen, en moeten liever blijven sukkelen, zoo het niet anders zijn kan, dan ons zelven te willen genezen door een voorbarigen greep."
In dit alles toont Da Costa een sterk besef te hebben hoe hij leefde in een tussenbedeling. Hij wil geen tempels, maar tabernakels bouwen. Omdat hij zo dicht bij de komst des Heren leefde was hij in staat ook in de kerk gelovig te wachten op Gods daden. God zelf, Zijn Woord moest het doen.
Op 28 april 1860, tussen sabbath en zondag, brak die toekomst voor hem aan. Hij vreesde de doodsjordaan niet, want hij dorstte naar de levende God en verlangde voor Zijn aangezicht te verschijnen. Trouwens, zoals hij ergens opmerkt, de dood is maar de Jordaan, de bekering echter, dat betekent een hele Rode Zee. Sinds zijn bekering was hij niet gekweld door twijfelingen, al had hij perioden van diepe neerslachtigheid, van mishagen aan zichzelf. Zijn miskenning maakte hem wel eens opstandig, maar hij wist de weg naar de ootmoed te vinden.
Node nemen wij afscheid van hem, want het vergaat ons als zijn vele bezoekers, met wie hij aan de deur nog weer een belangwekkend gesprek aanknoopt. Deze schatgraver in de Schrift, die met een vaak typisch Joods levensgevoel wist te getuigen en te bezielen, had op zoek naar een „bezield verband" zijn leven in de dienst Gods gesteld. Ook zijn dichtkunst was geen, doel maar middel; vaak zijn het teksten in verzen. Maar de dichter kwam meer als spreker, als geloofsgetuige aan bod dan in dichtbundels. Hij geloofde en daarom zong hij. Daarom bekeek hij dingen door de bril van zijn bijbels geloof. Dat betekende vaak visioenen en strijd. Maar in alles bleef hij een man van vlees en bloed, die de appel niet ontleedt, maar er in bijt. Deze zo hoffelijke en gastvrije man streed onversaagd als een Elia tegen de Baals van zijn eeuw met een benijdenswaardig vuur.
Ze hebben hem niet gekregen, de goden van zijn eeuw. Zeker is het terecht, dat hij in de Nieuwe Kerk op de Dam begraven werd, waar een nationale held als De Ruyter, een nationaal dichter als Vondel eveneens begraven zijn. Begraven, roept hij ergens met zijn onverwachte wendingen uit, hoe schoon is dat! Het stof van onze geliefden te leggen in de handen Gods tot op de jongste dag! Zo ontving deze zoon van Israël, die eens allé hoon van het vaderland over zich had afgeroepen, in zijn laatste rustplaats de eer van een nationale erkenning van een volk, dat hij zo moedig en profetisch aan de God van Israël wilde toeëigenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's