UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Vervolg 1 Cor. 11 vs. 17-34. (5)
De vorige maal schreven wij over het feit, dat in de oude christelijke gemeenten aan de viering van het Avondmaal dus de liefdemaaltijden voorafgingen.
Maar helaas kwamen er zich al spoedig misstanden, wat dit betreft, voordoen. Ook in Corinthe. Wij horen daarvan nader in vers 21: „Want in het eten neemt- een iegelijk tevoren zijn eigen avondmaal en déze is hongerig en dié is dronken". Stellig hangt, wat de apostel hier schrijft, samen met het bestaan van de scheuringen en partijschappen, waarover hij het immers elders in dit hoofdstuk en in deze brief heeft. Die scheuringen waren er dus niet alleen vanwege groepsvorming om bepaalde voorgangers. Doch ze droegen immers ook een sociaal karakter. De meer bezittenden vormden een partij, waar de minder gesitueerden moeilijk tussen konden komen. En andersom kwam het ook zo te liggen.
Dit had zijn gevolgen bij het houden van de liefdemaaltijden. Men hield die inderdaad en men kwam daarbij samen om gemeenschappelijk te eten en te drinken, doch er ontbrak wel het één en ander aan de betoning en beleving van de liefde en de verantwoordelijkheid jegens elkaar. De groepsvorming zette zich ook daar voort. Inplaats dat men datgene, wat men aan spijs en drank meebracht, onder allen gelijkelijk verdeelde, hielden de rijken hun portie alleen voor zichzelf en hun partijgenoten. En zij namen daarvan reeds voordat de anderen aanwezig waren.
Voordat de eigenlijke liefdemaaltijden begonnen, hadden zij zich al te goed gedaan!
Dit was natuurlijk ten enenmale in strijd met de eigenlijke bedoeling van die maaltijden. Dit was geen betoning en beleving meer van de liefde en verantwoordelijkheid jegens elkaar. Integendeel, hierin kwamen een stuk zelfliefde en een alleen maar aan zichzelf denken tot uiting.
En het gevolg was, dat de armeren tekort kwamen. Terwijl de rijken zelfs, zo staat er in vers 21, „dronken" werden. Wellicht heeft het woord „dronken" hier nog niet de sterke betekenis, welke wij er aan geven, en mogen wij hier meer denken aan ons woord „oververzadigd" „zat". Doch ook dan was het al erg genoeg. Die liefdemaaltijden moesten het karakter vertonen van een vreugdevol samenzijn, waarin iets van de blijdschap om de opstanding van Christus doorklonk. Maar zó hadden ze meer weg van drinkgelagen!
Wij begrijpen, dat deze misstand te erger was, omdat de liefdemaaltijden de inleiding vormden op de viering van het Avondmaal. Dit alles kon geen goede voorbereiding zijn op die viering. Kon men in zulk een stemming met elkaar als gemeente samen zijn en samen het Avondmaal houden? Wie een plaats aan deze dis des Verbonds begeert, moet toch wel anders gesteld zijn!
't Is daarom geen wonder, dat dit alles de apostel zeer hoog zat en dat hij dit alles sterk afkeurde!
Wij vernemen die afkeuring in vers 22: „Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken ? Of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niets hebben ? Wat zal ik u zeggen ? Zal ik u prijzen ? In deze prijs ik u niet".
't Zijn drie berispingen, in één adem. Alle zeer op hun plaats. In de eerste ligt stellig niet opgesloten, dat Paulus de liefdemaaltijden geheel verwerpt en dat hij bedoelt te zeggen, dat eten en drinken alleen maar thuis, particulier, en niet in de samenkomsten der gemeenten moet gebeuren. De apostel bedoelt natuurlijk te zeggen, dat, wanneer men op genoemde wijze de liefdemaaltijden houdt, het bederf van het beste het slechtste is, en men het dan beter na kan laten. Dan kunnen zij altijd nog afzonderlijk en buiten de samenkomsten der gemeente, overvloedige maaltijden aanrichten! Daartoe ontheilige men deze samenkomsten niet!
Zo sluit hier die andere berisping, over de verachting van de gemeente Gods bij aan. Inderdaad ligt dit mede opgesloten in wat bij de liefdemaaltijden gebeurde. De gemeente was toch de gemeente van Christus en in Hem van God Zelf. Welk een liefde had de Heere ten toon gespreid om Zich die gemeente te vergaderen, - in de overgave van Zijn eigen Zoon en in de zending van Zijn Heilige Geest. Hoe moest als antwoord daarop en als vrucht daarvan in de gemeente ook de liefde tot Christus en om Zijnentwil tot elkander tot openbaring komen. Dit was een stuk van de heiligheid der gemeente! Zo leefde zij tot eer van haar Heere en was zij tevens een bijzonder getuige in het midden van deze wereld.
Het doen van velen bij de liefderaaaltijden wierp een donkere, vuile vlek op het schone kleed. Wat bleef er van dit schone en heilige karakter van de gemeente over, wanneer men haar bijeen komen misbruikte om aan eigen zingenot te voldoen ? Dit was inderdaad een gering achten van de gemeente als gemeente Gods. Waarbij men wel moest bedenken hoe daardoor vooral de Naam des Heeren zelf oneer werd aangedaan en de wereld oorzaak ontving om de gemeente en daarin mede diezelfde Naam te smaden!
De derde berisping sluit weer bij de vorige aan, is echter van een andere aard. 't Is alsof de apostel het voor zich ziet. Daar zitten in de samenkomsten de meer gegoeden, zij nemen het ervan, voordat de anderen binnen treden. Dézen mochten toch ook komen en behoorden er stelhg bij. 't Was toch een Hefdemaahijd, waar zij metterdaad liefde mochten verwachten. Doch wat worden zij teleurgesteld, als zij daar zien de half lege tafels en daaraan die reeds verzadigde broeders en zusters. Wat worden zij in hun verwachtingen beschaamd. Welk een krenking van hun eer, waar deze eer het enige was, dat zij hadden! Welk een schending van het recht, dat zij van Christus' wege hadden ontvangen, getuige Zijn Woord in Joh. 12 vs. 8: „Want de armen hebt gij altijd met u".
Ligt in wat de apostel in dit vers schrijft niet een ernstige bestraffing, niet alleen voor de gemeente van Corinthe in zijn dagen, doch tevens voor de gemeente van alle eeuwen en wellicht ook voor ons, als er vaak zoveel ontbreekt aan de beleving en betoning van de gemeenschap der heiligen, aan de echte liefde jegens Christus en om Zijnentwil jegens de andere broeders en zusters ? En als het dikwijls zo mankeert aan de daadwerkelijke bewijzen van die gemeenschap en liefde op geestelijk en stoffelijk gebied?
„Zal ik u prijzen ? ", zo lezen wij nog aan het einde van vers 22. Wij horen in deze woorden iets van ironie doorklinken. De apostel hanteert hier weer even dit wapen, dat scherp kan zijn. In bittere ernst laat hij er op volgen: „In déze prijs ik u niet".
Hij heeft niet ontkend, dat er, Gode zij dank, ook andere dingen in de gemeente waren, waarom hij een ander geluid kon laten horen. Echter hier moest het anders zijn.
En dit niet prijzen wil eigenlijk zeggen een versterkt bestraffen. Met dit al blijkt ook hier weer, dat de apostel er indien dit nodig was. geen doekjes om wond, maar de zonden in de gemeenten met name aanwees en bestrafte. En dat hij dit deed, zonder aanzien des persoons; ook als 't de beter gesitueerden in de gemeenten betrof. Hij spaarde dan niemand.
Ook in deze is hij elke dienaar des Woords en elke ambtsdrager tot een voorbeeld. Juist de rechte bediening van het Evangelie, dat genade aan zondaren brengt, doch nooit de zonde verdraagt, zeker niet in de gemeente Gods, sluit in, dat het kwaad met name genoemd en bestraft moet worden en dat de dienaar van dat Evangelie in deze geen ogendienaar mag zijn. Hier geldt het woord van Ezechiël: „Maar als gij de goddeloze van zijn weg af maant, dat hij zich bekere, en als hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, doch gij hebt uw ziel bevrijd". (Ezechiël 33 vs. 9).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's